RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/553 uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker], te [woonplaats], verzoeker (gemachtigde: mr. S. Wortel), en de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet en artikel 2:46 van de Algemene Plaatselijke Verordening in de vorm van sluiting van het bedrijfspand op het adres [woonplaats] te [woonplaats] voor de duur van twaalf maanden vanaf 8 februari
- Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
- De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uitspraak zonder zitting.
- Verzoeker is eigenaar van een bedrijfspand aan de [woonplaats] te [woonplaats] (hierna: het bedrijfspand). In het bedrijfspand is de eenmanszaak [eenmanszaak] gevestigd. Op 2 december 2020 heeft in het bedrijfspand een controle plaatsgevonden door de politie. Gelet op de constateringen die ter plaatse zijn gedaan heeft verweerder geconcludeerd dat in en door het bedrijfspand sprake is van een ernstig gevaar voor de openbare orde en de woon- en leefomgeving. Bij brief van 11 december 2020 heeft verweerder verzoeker in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen over het voornemen tot handhavend optreden. Verzoeker heeft hier geen gebruik van gemaakt. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit uitgebracht.
- De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Er moet dus niet gewacht kunnen worden op de afhandeling van het geschil in de hoofdzaak. Hierbij valt onder andere te denken aan de onmogelijkheid om de eventuele gevolgen van de uitvoering van het besluit nog te herstellen, oftewel er dient sprake te zijn van de mogelijkheid dat een onomkeerbare situatie ontstaat.
- Verzoeker is op 18 februari 2021 door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om het spoedeisend belang van de voorlopige voorziening nader te onderbouwen, mede gelet op het feit dat er negentien dagen zitten tussen het primaire besluit en het onderhavige verzoek. Verzoeker heeft op 25 februari 2021 gereageerd. Verzoeker heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat sprake is van spoedeisend belang omdat hij uitsluitend inkomen geniet uit de onderneming gevestigd in het bedrijfspand. Aangezien de kosten ten behoeve van de (uitvoering van de) onderneming en zijn privékosten logischerwijs door blijven lopen, blijkt reeds hieruit het spoedeisend belang. Het besluit is bovendien al ingetreden, wat maakt dat de negatieve gevolgen ook direct zijn ingetreden. Dit terwijl de coronamaatregelen inmiddels versoepelen en verzoeker daarom meer inkomen had kunnen genereren om zijn kosten te kunnen blijven voldoen.
- De voorzieningenrechter overweegt dat een financieel belang op zichzelf geen reden vormt om een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan echter wel het geval zijn als sprake is van een acute financiële noodsituatie of als de continuïteit van de betrokken onderneming wordt bedreigd. Hiertoe ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten. Verzoeker heeft zijn financiële situatie op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Verzoeker heeft geen onderbouwing gegeven van het (te verwachten) verlies aan inkomsten van de onderneming in het bedrijfspand. Ook is niet gebleken dat verzoeker niet beschikt over andere inkomsten of vermogen. Tot slot heeft verzoeker de gestelde kosten die hij heeft niet inzichtelijk gemaakt. Het is de voorzieningenrechter dan ook niet gebleken dat verzoeker door het besluit in een acute noodsituatie is gekomen.
- Gelet op het voorgaande heeft verzoeker het spoedeisend belang bij de door hem verzochte voorlopige voorziening onvoldoende aangetoond. De door verzoeker gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is hier geen sprake.
- Omdat een spoedeisend belang ontbreekt, is het verzoek kennelijk ongegrond en wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg griffier. De beslissing is uitgesproken 19 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.