← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:1127

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/667 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2021 in de zaak tussen [verzoekster], te [woonplaats], verzoekster(gemachtigde: mr. M. Flipse), en de burgemeester van de gemeente Hilversum, verweerder Procesverloop In het besluit van 25 oktober 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder ambtshalve een exploitatievergunning voor de duur van één jaar aan verzoekster verleend. In het besluit van 22 mei 2020 (het primaire besluit II) heeft verweerder de op 16 december 2016 aan verzoekster verleende drank- en horecavergunning ingetrokken. In het besluit van 13 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoekster tegen de primaire besluiten deels gegrond, en deels ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:81, vierde lid, van de Awb, in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in het verzoekschrift de gronden van het verzoek vermelden. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Verzoekster heeft geen gronden vermeld in het verzoekschrift. De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 25 februari 2021 verzocht om binnen één weken dit verzuim te herstellen. Verzoekster heeft binnen die termijn geen gronden ingediend. Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. De voorzieningenrechter merkt bovendien op dat verzoekster, ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet heeft onderbouwd. Naast het ontbreken van de gronden van het verzoek staat het ontbreken van een spoedeisend belang in de weg aan toewijzing van het verzoek. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 23 maart 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.