← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:1213

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Locatie Utrecht, zitting houdende in de beveiligde rechtbank ‘De Bunker’ in Amsterdam Parketnummer: 16/706544-17 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 29 maart 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1983] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] in [woonplaats] , op dit moment gedetineerd in het Huis van Bewaring van JC Zaanstad. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op:  23 23 januari 2019, 10 april 2019, 5 juni 2019, 28 augustus 2019, 11 september 2019 en 15 november 2019 (regie-/pro formazittingen);  23 30 januari 2020, 23 april 2020, 6 mei 2020, 7 juli 2020, 25 september 2020, 9 oktober 2020 en 17 december 2020 (pro formazittingen);  23 26, 28 en 29 januari 2021 (inhoudelijke behandeling);  23 29 maart 2021 (sluiting van het onderzoek). De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mrs. Y. Moszkowicz en A.M.J. Comans (hierna gezamenlijk te noemen: de raadsman), advocaten te Utrecht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de standpunten en de vordering van de officieren van justitie, mrs. B.E.M. van de Ven en J. Zeilstra (hierna gezamenlijk te noemen: de officier van justitie), en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Aanleiding Dit vonnis betreft de strafzaak van de verdachte [verdachte] . Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is geworden onder de naam 09Napoles. In de regio Midden-Nederland vonden in de jaren 2014 tot en met 2016 meerdere (pogingen tot) liquidaties plaats. Uit onderzoek bleek dat deze liquidaties vermoedelijk verband hielden met de internationale handel in drugs. [slachtoffer 1] werd in juni 2014 nabij zijn woning neergeschoten. [slachtoffer 1] overleefde deze aanslag, maar werd in juni 2016 alsnog door een onbekend gebleven dader doodgeschoten. [slachtoffer 1] verklaarde na de poging in 2014 dat hij een conflict had met (vermoedelijk) verdachte over een mislukt drugstransport. Hij vermoedde daarom dat verdachte opdracht had gegeven voor de aanslag op zijn leven in 2014. In september 2015 werd [slachtoffer 2] geliquideerd. In de telefoon van [slachtoffer 2] werden versleutelde berichten aangetroffen over internationale drugshandel die vermoedelijk afkomstig waren van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Verder bleek uit Britse onderzoeken naar een aantal in 2015 en 2016 onderschepte drugstransporten dat verdachte en een aantal medeverdachten vermoedelijk betrokken waren bij deze transporten. De Britse politie heeft via rechtshulpverzoeken contact opgenomen met de Nederlandse autoriteiten, wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat een groot aantal Britse dossierstukken aan het dossier 09Napoles zijn toegevoegd. Verdachte en zijn medeverdachten, genaamd [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn na een langdurig opsporingsonderzoek aangehouden in oktober 2018. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting van 28 augustus 2019 nader omschreven. Op de zitting van 26 januari 2021 is die nader omschreven tenlastelegging gewijzigd. Deze tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 1. op 27 juni 2014 in de Meern, gemeente Utrecht, samen met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven; 2. op 24 juni 2016 in de Meern, gemeente Utrecht, samen met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd; 3. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland, samen met anderen, meerdere keren grote hoeveelheden harddrugs buiten het grondgebied van Nederland naar Groot-Brittannië heeft gebracht en/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd; 4. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland en/of Groot-Brittannië als leider, samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en/of anderen heeft deelgenomen aan a. een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en/of b. een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van de volgende misdrijven: - (voorbereiding van) moord en/of doodslag; - het voorhanden hebben van wapens en munitie; - het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig uit de drugshandel; - diefstal; - opzetheling; 5. op 8 oktober 2018 in Bilthoven , samen met anderen, wapens, handgranaten en munitie voorhanden heeft gehad; 6. op 8 oktober 2018 in Oss , samen met anderen, wapens en munitie voorhanden heeft gehad; 7. in de periode van 16 april 2016 tot en met 22 november 2018 in Bilthoven , samen met anderen, een machinegeweer en munitie voorhanden heeft gehad; 8. in de periode van 17 mei 2018 tot en met 8 oktober 2018 in Bilthoven , samen met anderen, een auto (BMW) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die auto van misdrijf afkomstig was; 9. in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 8 oktober 2018 in Tull en ’t Waal , samen met anderen, een auto (Volkswagen) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die auto van misdrijf afkomstig was. 3VOORVRAGEN Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, moeten de volgende voorvragen worden beantwoord: Is de dagvaarding geldig? Is de rechtbank bevoegd om deze zaak te beoordelen? Is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte? Zijn er redenen om de vervolging uit te stellen? 3.1 Geldigheid van de dagvaarding In artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald aan welke eisen een belangrijk deel van de dagvaarding, namelijk de tenlastelegging, moet voldoen. Eén van die eisen is dat in de tenlastelegging voldoende feitelijk en duidelijk is omschreven wat verdachte wordt verweten, zodat hij – in combinatie met het onderliggende dossier – weet waartegen hij zich moet verdedigen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de dagvaarding ten aanzien van feit 3 en (een deel van) feit 4 nietig te verklaren, omdat deze niet voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv. Volgens de raadsman is de tenlastelegging van die feiten – kortgezegd – niet voldoende feitelijk en duidelijk. De inhoud is te algemeen en de ten laste gelegde periodes zijn te lang, zodat het verdachte niet duidelijk is waartegen hij zich precies moet verdedigen. Het procesdossier biedt daarbij onvoldoende verduidelijking. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de tenlastelegging kan worden afgeleid dat feit 3 met name ziet op de betrokkenheid van verdachte en anderen bij meerdere transporten van grote hoeveelheden cocaïne en heroïne van Nederland naar Groot-Brittannië. Onder feit 4 (deel

  1. a)is vervolgens ten laste gelegd dat verdachte in dat kader zou hebben deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging op deze punten voldoende feitelijk en duidelijk zijn. Dat in de tenlastelegging niet is gespecificeerd bij welke drugstransporten verdachte precies betrokken zou zijn geweest, doet daar niet aan af. Het dossier biedt in dat kader namelijk – anders dan door de raadsman betoogd – genoeg verheldering. Zo ziet een duidelijk afgebakend deel van het dossier 09Napoles, bestaande uit de zaaksdossiers Gravesend, Manchester, Rainham en Veenendaal , op het transporteren van cocaïne en/of heroïne naar Groot-Brittannië en reeds uit de samenhang tussen de voorin die zaaksdossiers opgenomen (loop- of relaas)processen-verbaal kan worden afgeleid: welke soorten drugs telkens zouden worden getransporteerd; hoeveel kilo van die drugs gemiddeld zou worden getransporteerd; hoeveel transporten zouden hebben plaatsgevonden; in welke periodes de transporten zouden hebben plaatsgevonden; op welke manier verdachte aan die transporten zou kunnen worden gelinkt. De tenlastelegging onder feit 4 (deel
  2. b)ziet op de deelname van verdachte aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr. Uit de tenlastelegging blijkt welk oogmerk de organisatie zou hebben gehad en met wie, waar en in welke periode verdachte aan die organisatie zou hebben deelgenomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook deel b van het onder feit 4 ten laste gelegde – in combinatie met het procesdossier – voldoende feitelijk en duidelijk is. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman. Nu de dagvaarding ook overigens voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv, is de dagvaarding geldig. 3.2 Vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake kan zijn van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv indien strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek niet zijn nageleefd. De rechtbank kan op grond van artikel 359a Sv rechtsgevolgen verbinden aan zo’n vormverzuim. De rechtbank kan er ook voor kiezen te volstaan met de constatering van het vormverzuim. Bij het beantwoorden van de vraag of aan een vormverzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg dat dan zou moeten zijn, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de omstandigheden waaronder het vormverzuim is begaan en het door verdachte als gevolg van het verzuim geleden nadeel. De raadsman heeft bepleit dat in het voorbereidend onderzoek in de zaak van verdachte meerdere onherstelbare en verstrekkende vormverzuimen zijn begaan. De officier van justitie moet volgens de raadsman daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van verdachte. Het verweer van de raadsman bevat verschillende onderdelen (subverweren) die grotendeels zien op het ongerechtvaardigde gebruik van zogeheten Ennetcomdata. De rechtbank wijst in dat kader allereerst op het volgende. In het procesdossier zijn veel (mail)berichten opgenomen die zijn verstuurd met zogeheten Pretty Good Privacy telefoons (hierna: PGP-telefoons), telefoons waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd. Deze berichten zijn afkomstig van in beslag genomen PGP-telefoons en van servers van PGPsafe en Ennetcom. Het Nederlandse bedrijf Ennetcom leverde diensten op het gebied van versleutelde communicatie. Met telefoontoestellen voorzien van specifieke software konden via mailadressen versleutelde berichten worden verzonden. De gebruikers van de telefoons en mailadressen konden zo (schijnbaar) anoniem communiceren. De encryptiesleutels waren opgeslagen op de servers van Ennetcom in Canada. In april 2016 – na een rechtshulpverzoek van Nederland aan de Canadese autoriteiten – zijn de gegevens (data) op de servers van Ennetcom veiliggesteld. Het rechtshulpverzoek zag op vier lopende strafrechtelijke onderzoeken (26Koper, 13Rooibos, 13Rendlia en 26Devink), waarvan het onderzoek 09Napoles geen deel uitmaakte; dit onderzoek is immers pas in december 2016 opgestart. Op 19 september 2016 besliste het Superior Court of Justice in Canada (hierna: de Canadese rechter) dat de bij Ennetcom in beslag genomen gegevens aan Nederland mochten worden verstrekt, maar enkel in de vier voormelde onderzoeken mochten worden gebruikt ten behoeve van onderzoek naar de volgende strafbare feiten: (voorbereiding van/poging tot) deelname aan een criminele organisatie; (voorbereiding van/ poging tot) moord en doodslag; (voorbereiding van/poging tot) het teweegbrengen van ontploffingen; (voorbereiding van/poging tot) witwassen. De Canadese rechter bepaalde dat in andere onderzoeken enkel gebruik kan worden gemaakt van Ennetcomdata indien een Nederlandse rechter daarvoor toestemming heeft gegeven. Dit om ‘fishing expeditions’ van de Nederlandse autoriteiten te voorkomen en om derden te beschermen. De officier van justitie heeft de rechter-commissaris bij vorderingen van 13 april 2018 en 23 januari 2019 toestemming gevraagd voor het gebruik van gegevens uit de servers van Ennetcom. De vorderingen van de officier van justitie hadden betrekking op het strafrechtelijk onderzoek 09Napoles, (voorzover) dat was gericht op de deelname van verdachte (en anderen) aan een criminele organisatie die zich zou bezighouden met grootschalige, internationale handel in harddrugs. De rechter-commissaris heeft de vorderingen – onder voorwaarden – toegewezen op 17 april 2018 en 11 februari 2019. Vormverzuimen deel 1 De raadsman heeft betoogd dat uit de beslissing van 19 september 2016 moet worden afgeleid dat de Canadese rechter niet heeft willen legitimeren dat Ennetcomdata worden gebruikt in zaken waarin onderzoek wordt gedaan naar andere strafbare feiten dan de in de beslissing van de Canadese rechter genoemde feiten. De vorderingen van de officier van justitie in de onderhavige zaak hadden enkel betrekking op (de verdenking van) strafbare feiten als bedoeld in de Opiumwet. Dat betekent dat de rechter-commissaris deze vorderingen nooit had mogen toewijzen, aldus de raadsman. De rechtbank is van oordeel dat de strekking van de beslissing van de Canadese rechter anders is dan de wijze waarop de raadsman deze heeft geïnterpreteerd. De rechtbank stelt echter voorop dat, óók als de rechtbank die interpretatie wél zou volgen, het verweer van de raadsman niet opgaat. Anders dan door de raadsman betoogd lag aan de vorderingen van de officier van justitie immers ten grondslag dat verdachte (en anderen) werd(
  3. en)verdacht van de deelname aan een criminele organisatie, één van de strafbare feiten die in de beslissing van de Canadese rechter worden genoemd. Dat die criminele organisatie blijkens de vorderingen zou zijn gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet, doet daar niet aan af, nu de Canadese rechter niet heeft bepaald op welke misdrijven de criminele organisatie zou moeten zijn gericht. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de beslissing van de Canadese rechter zo moet worden uitgelegd dat (na toestemming van de Nederlandse rechter) ook in onderzoeken naar andere, ernstige strafbare feiten gebruik kan worden gemaakt van Ennetcomdata. De rechtbank wijst daartoe op de volgende overweging uit een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2020: ‘Kern van deze zaak is de uitleg die door de rechtbank moet worden gegeven aan de beslissing van de Canadese rechter I. Nordheimer, lid van de Superior Court of Justice van de Regio Canada d.d. 19 september 2016 (hierna: het Bevel), waarvan een (beëdigde) vertaling in de Nederlandse taal bij de dossierstukken is gevoegd. De rechter heeft in het Bevel onder andere bepaald dat er voorwaarden zijn verbonden aan de overdracht van het overgedragen bewijsmateriaal. Bij de uitleg van het Bevel heeft de rechtbank nadrukkelijk acht geslagen op de 13 september 2016 door deze rechter geformuleerde nadere overwegingen. Deze overwegingen hebben naar aard en inhoud onmiskenbaar betrekking op het Bevel en vormen dus de meest directe kenbron voor de uitleg daarvan. De zorgen die de Canadese rechter uitspreekt in die overwegingen in de punten 16 en verder komen, kort gezegd en voor zover hier van belang, neer op het verhinderen van een ongecontroleerde fishing expedition door de Nederlandse autoriteiten. Overdracht van het gehele bestand is echter toegelaten op basis van het tussen Canada en Nederland geldende rechtshulpverdrag. Maar de Canadese rechter overweegt nadrukkelijk in r.o. 17 dat overdracht van de inbeslaggenomen/vastgelegde gegevens integraal toelaatbaar is, maar het Bevel en de toelichtende overwegingen daarbij kaderen het verdere gebruik nadrukkelijk in (zie r.o. 18). Vooral het slot van r.o. 21 komt daarbij betekenis toe, alsook het vervolg in de r.o. 22 en 23. Kern daarbij is dat ook toegang verleend mag worden ‘tot andere Nederlandse opsporingsambtenaren waarvan (moet zijn: van wie, Rb.) een gerecht in Nederland van mening is dat (aan) hen het recht op toegang tot de data dient te worden verleend’. De Canadese rechter heeft naar het oordeel van de rechtbank daarmee niet op voorhand een beperking aangebracht (of willen aanbrengen) voor welke delicten een toegang als thans gevorderd wel of niet mag worden verleend. Het initiële rechtshulpverzoek dat heeft geleid tot de inbeslagneming van de Ennetcom-gegevens, zag wel op een aantal zeer ernstige delicten. De in het Bevel genoemde beperkingen sub 1 en sub 2 moeten, gelet op de inhoud van de nadere overwegingen van de rechter, echter los van elkaar gezien worden. De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit gelden steeds als centrale toets bij elke beslissing op een vordering tot het verlenen machtiging zoals hier, zeker als daarbij (een) grondrecht(
  4. en)van de betreffende verdachte aangetast zou(den) kunnen worden. Het hoeft geen betoog dat het beschikbaar komen van gegevens, die mogelijk leiden tot ontsluiting van informatie op een tot dusverre ontoegankelijke digitale gegevensdrager, kan leiden tot een dergelijke inbreuk. Bij de beslissing kunnen echter niet op voorhand bepaalde delicten worden uitgesloten, zolang is voldaan aan de in artikel 126ng lid 2 Sv genoemde voorwaarden. Ook gebiedt de aard en intensiteit van de hier aan de orde zijnde concrete inbreuk dat -als uitgangspunt- sprake zal moeten zijn van een meer ernstiger uitvoering van het betreffende delict. Exacte criteria zijn daarbij niet op voorhand te geven; toetsing zal, en dat is ook in lijn met het Bevel, in elk individueel geval moeten plaatvinden door de rechter.’ De rechtbank neemt deze overweging over en maakt die tot de hare. De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris de vorderingen van de officier van justitie terecht heeft toegewezen, gelet op de aard en ernst van het strafbare feit waarop de vorderingen van de officier van justitie waren gebaseerd en de dringendheid van het onderzoek. De rechter-commissaris heeft daarbij geheel in lijn met de beslissing van de Canadese rechter bepaald dat het onderzoek – ter voorkoming van zogeheten ‘fishing expeditions’ waardoor de belangen van derden in het gedrang zouden kunnen komen – moest worden gericht op gegevens die betrekking hebben op verdachte en zijn medeverdachten en op het feit waarvan zij werden verdacht. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De rechtbank verwerpt het (sub)verweer van de raadsman. De raadsman heeft ter zitting een voorwaardelijk verzoek gedaan om de Canadese rechter (Nordheimer) te bevragen over de door hem gegeven beslissing, zodat duidelijk wordt wat nu werkelijk de bedoeling is van deze beslissing. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat zij de beslissing van de Canadese rechter voldoende duidelijk acht. Het horen van de Canadese rechter is dus niet noodzakelijk voor enig te nemen beslissing in deze strafzaak. Vormverzuimen deel 2 De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat een vormverzuim is begaan omdat de officier van justitie Ennetcomdata heeft gedeeld met (het onderzoeksteam
  5. in)het Verenigd Koninkrijk. In de beslissing van de Canadese rechter van 19 september 2016 staat echter dat het niet is toegestaan om anderen, ook opsporingsambtenaren van andere landen, toegang tot de Ennetcomdata te verlenen, aldus de raadsman. De rechtbank is het niet met de raadsman eens en overweegt daartoe dat uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat het Nederlandse onderzoeksteam de hem gegeven bevoegdheid om onderzoek te doen in de Ennetcomdata heeft overgedragen of overgelaten aan een onderzoeksteam uit het Verenigd Koninkrijk. Voor zover de verdediging meent dat specifieke uit het Nederlandse onderzoek voortkomende informatie in het kader van justitiële samenwerking niet mocht worden gedeeld met de Britse collegae, vindt dat standpunt geen steun in de wet of het recht. Vormverzuimen delen 3, 4 en 5 De raadsman heeft er verder op gewezen dat de officier van justitie de rechter-commissaris niet heeft gevraagd om toestemming voor het gebruik van Ennetcomdata in de onderzoeken 09Velde en 09Podium. De officier van justitie heeft de Ennetcomdata die zij in onderzoek 09Napoles heeft verkregen uiteindelijk wel gebruikt om de verdenkingen als omschreven in de onderzoeken 09Velde en 09Podium kracht bij te zetten. Dit is in strijd met de beslissing van de Canadese rechter van 19 september 2016. Dat de onderzoeken 09Velde en 09Podium aan onderzoek 09Napoles zijn toegevoegd, maakt dit niet anders, nu deze onderzoeken ná de (eerste) verkrijging van de Ennetcomdata aan onderzoek 09Napoles zijn toegevoegd en zien op een ander strafbaar feit dan het feit waarop de (eerste) vordering van de officier van justitie was gebaseerd en voor welk gebruik de rechter-commissaris toestemming heeft verleend. De rechtbank is het met de raadsman eens dat de officier van justitie de rechter-commissaris toestemming had moeten vragen voor het gebruik van de Ennetcomdata ten aanzien van de verdenkingen in de onderzoeken 09Velde en 09Podium. Deze onderzoeken zien immers niet op misdrijven als bedoeld in de Opiumwet, waarvoor de toestemming in het onderzoek 09Napoles is gevraagd én verstrekt. Dat die onderzoeken aan onderzoek 09Napoles zijn toegevoegd, doet daar niet aan af, nu de Canadese rechter uitdrukkelijk heeft overwogen dat het niet de bedoeling is dat Ennetcomdata op grond van administratieve processen ten behoeve van andere onderzoeken kunnen worden gebruikt. Ook de rechter-commissaris heeft in zijn beslissingen van 17 april 2018 en 11 februari 2019 expliciet vermeld dat voor een uitbreiding van de onderzoeksvraag toestemming van de rechter-commissaris zal moeten worden verkregen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een vormverzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek naar verdachte. Dit vormverzuim kan niet meer worden hersteld. Daarmee is de privacy geschonden van verdachte en de personen met wie verdachte contact had via zijn PGP-mailadressen, voor zover de mailberichten gegevens bevatten die zien op de onderzoeken 09Velde en 09Podium. De rechtbank zal daaraan echter geen rechtsgevolgen verbinden, omdat niet is gebleken dat verdachte als gevolg van het verzuim daadwerkelijk nadeel heeft geleden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat – als de officier van justitie in de onderzoeken 09Velde en 09Podium wél toestemming had gevraagd voor het gebruik van de Ennetcomdata – de rechter-commissaris die toestemming op basis van de toen beschikbare gegevens naar het oordeel van de rechtbank zonder meer had verleend. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering van het vormverzuim. Vormverzuimen - deel 6 In het procesdossier zijn ook PGP-berichten opgenomen die afkomstig zijn van de servers van het bedrijf PGPsafe. Deze servers stonden in Costa Rica. De Costa Ricaanse autoriteiten hebben data uit de servers van PGPsafe na een rechtshulpverzoek verstrekt aan de officier van justitie van het Nederlandse onderzoek 26Sassenheim. De Costa Ricaanse autoriteiten hebben, anders dan de Canadese, geen clausulering of restricties verbonden aan het gebruik van die data. De officier van justitie van onderzoek 26Sassenheim heeft de officier van justitie van onderzoek 09Napoles daarom toestemming gegeven voor het gebruik van (een deel van) de PGPsafe data in onderzoek 09Napoles. De rechtbank begrijpt onderdeel 6 van het verweer aldus dat de raadsman de rechtbank heeft verzocht zich ervan te vergewissen of de hiervoor genoemde toestemming daadwerkelijk is gegeven en zo ja, of die toestemming zich dan ook uitstrekt tot de later aan onderzoek 09Napoles toegevoegde onderzoeken 09Velde en 09Podium. Dat de officier van justitie van onderzoek 26Sassenheim toestemming heeft gegeven voor het gebruik van de PGPsafe data in onderzoek 09Napoles, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het in het procesdossier opgenomen proces-verbaal van onderzoeksbevindingen van 18 april 2018. De rechtbank ziet in wat door de raadsman is aangevoerd en ook anderszins geen aanleiding om aan de inhoud van dat proces-verbaal te twijfelen. De onderzoeken 09Velde en 09Podium zijn aan onderzoek 09Napoles toegevoegd. Dat bij het toevoegen van die onderzoeken niet is gehandeld conform artikel 126dd Sv, is niet gebleken. Nu de Costa Ricaanse autoriteiten geen restricties hebben verbonden aan het gebruik van data uit de servers van PGPsafe, mogen die data naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden gebruikt ten aanzien van de in de onderzoeken 09Velde en 09Podium omschreven verdenkingen. De raadsman heeft nog opgemerkt dat ook zonder restricties van de Costa Ricaanse autoriteiten behoedzaam moet worden omgegaan met het overhevelen van PGP-data van het ene onderzoek naar het andere, gelet op de goede verdragstrouw en het recht op privacy. De rechtbank wijst in dit kader op de aanvraag van de officier van justitie voor het gebruik van PGP-data uit onderzoek 26Sassenheim. Die aanvraag zag niet alleen op de verdenking jegens verdachte en zijn medeverdachten van het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet, maar ook op het onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte bij de poging tot moord op [slachtoffer 1] . Daar komt bij dat uit de aanvraag blijkt dat het onderzoek in de PGP-data noodzakelijk was en was beperkt tot informatie die betrekking had op de feiten waarvan verdachte en zijn medeverdachten werden verdacht. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat geen sprake is van enig vormverzuim en dat met betrekking tot de PGPsafe evenmin is gehandeld in strijd met het recht op privacy als bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM). 3.3 Antwoorden op de voorvragen De dagvaarding is geldig en de rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat de rechtbank deze strafzaak inhoudelijk kan beoordelen. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 tot en met 5 en 7 tot en met 9 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De officier van justitie heeft daarbij wel betoogd dat verdachte van een deel van het onder feit 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen (of voorbereiden) van moorden en misdrijven als diefstal, heling en witwassen. Het onder feit 6 ten laste gelegde kan volgens de officier van justitie niet wettig en overtuigend worden bewezen en verdachte moet daarvan dan ook worden vrijgesproken. De rechtbank zal de standpunten van de officier van justitie – ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis en voor zover van belang voor de beoordeling – bespreken in paragraaf 4.3. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten. Ook zijn standpunten worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak van de feiten 1 en 2 De officier van justitie heeft betoogd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die opdracht heeft gegeven voor de poging tot moord op [slachtoffer 1] in 2014 en voor de moord op [slachtoffer 1] in 2016. Verdachte heeft ontkend dat hij de opdrachtgever was en de raadsman heeft vrijspraak bepleit. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de feiten 1 en 2. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op 27 juni 2014 hebben [A] en [B] geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven door hem op klaarlichte dag nabij zijn woning neer te schieten. Zij zijn daarvoor inmiddels onherroepelijk veroordeeld. [slachtoffer 1] heeft de aanslag overleefd, maar een onbekend gebleven dader heeft hem twee jaar later, op 24 juni 2016, alsnog nabij zijn woning doodgeschoten. [slachtoffer 1] heeft na de eerste aanslag op zijn leven in 2014 een aantal (testament)verklaringen afgelegd over wat volgens hem het motief zou zijn voor deze aanslag en wie daarvoor opdracht zou hebben gegeven. Nadat was gebleken dat in de periode van 11 januari 2016 tot en met 22 januari 2016, een paar maanden voor zijn dood, een peilbaken onder zijn auto had gezeten, heeft [slachtoffer 1] nog een aantal verklaringen afgelegd. Uit zijn verklaringen blijkt dat [slachtoffer 1] ervan overtuigd was dat het motief voor de poging tot moord in 2014 was gelegen in een conflict dat hij had met een man die hij kende als ‘ [bijnaam] ’. Op grond van de verklaringen die [slachtoffer 1] over de identiteit van deze ‘ [bijnaam] ’ heeft afgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat [slachtoffer 1] met de persoon ‘ [bijnaam] ’ verdachte bedoelde. Het conflict ging over een drugstransport dat in opdracht van verdachte zou hebben plaatsgevonden en dat in 2013 in Dover door de Engelse politie is onderschept. Verdachte zou [slachtoffer 1] – die ten aanzien van dat transport werkzaamheden verrichtte – ervan hebben beschuldigd dat hij een partij drugs achterover had gedrukt en [slachtoffer 1] zou verdachte daarom een paar ton verschuldigd zijn. [slachtoffer 1] ontkende dat hij drugs had gestolen en weigerde te betalen. Hij vermoedde dat verdachte daarom opdracht had gegeven voor de aanslag op zijn leven in 2014. De officier van justitie en de verdediging zijn ter terechtzitting uitvoerig ingegaan op de verklaringen van [slachtoffer 1] . De raadsman heeft (onder meer) betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] zoveel inconsistenties en tegenstrijdigheden bevatten dat deze als kennelijk leugenachtig moeten worden bestempeld. De verklaringen van [slachtoffer 1] kunnen volgens de raadsman daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. De officier van justitie is het met de raadsman eens dat [slachtoffer 1] over een aantal onderwerpen wat wisselend heeft verklaard. Over het motief voor de aanslag op zijn leven in 2014 en over de persoon die daarvoor opdracht zou hebben gegeven heeft [slachtoffer 1] echter telkens consistent verklaard. Bovendien vinden die verklaringen steun in andere bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft deze bewijsmiddelen ter terechtzitting uitgebreid besproken. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] zowel inconsistenties als geloofwaardige en consistente elementen bevatten. De enkele aanwezigheid van inconsistenties maken een verklaring echter nog niet onbetrouwbaar. Allereerst moet worden vastgesteld dat – op de keper beschouwd – [slachtoffer 1] alleen maar concludeert dat ‘ [bijnaam] ’ het op zijn leven heeft gemunt als gevolg van het door hem genoemde conflict. [slachtoffer 1] presenteert zijn veronderstelling niet als een zekerheid en hij kan zijn conclusie, afgezien van het door hem gestelde motief, ook niet nader onderbouwen. Echter, juist het feit dat [slachtoffer 1] in zijn verklaringen de nodige reserves inbouwt, maakt zijn verklaringen, zeker op dit punt, naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar. Een andere vraag is evenwel of verdachte (mede) op basis van deze verklaringen zou kunnen worden veroordeeld voor respectievelijk de poging tot moord en de moord op [slachtoffer 1] , zoals de officier van justitie voorstaat. In dat verband zal moeten worden beoordeeld of de verklaringen van [slachtoffer 1] steun vinden in andere bewijsmiddelen, dus of het vermoeden van [slachtoffer 1] kan worden bevestigd. De door de officier van justitie benoemde bewijsmiddelen bevatten naar het oordeel van de rechtbank aanwijzingen voor enige vorm van betrokkenheid van verdachte bij onder meer (a.) het door [slachtoffer 1] genoemde drugstransport, (b.) de daders van de aanslag in 2014, (c.) het baken dat in januari 2016 onder de auto van [slachtoffer 1] zou hebben gezeten en (d.) het gebruik van geweld in het algemeen. Op grond daarvan kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk degene is geweest die opdracht heeft gegeven voor de poging tot moord op [slachtoffer 1] in 2014 en de moord op [slachtoffer 1] in 2016. De rechtbank is zich er van bewust dat in een situatie als de onderhavige, waarin iemand wordt aangemerkt als opdrachtgever voor een (poging tot) moord, de bewijslevering veelal moeilijker zal zijn dan ten aanzien van degenen die de (poging tot) moord daadwerkelijk hebben uitgevoerd. Ook dan zal echter moeten worden voldaan aan de minimumeisen die in het Nederlandse strafproces aan bewijsvoering worden gesteld. In het onderhavige geval is daar niet aan voldaan. De rechtbank zal de door de officier van justitie genoemde bewijsmiddelen niet één voor één bespreken, nu zij niet per se iets op die bewijsmiddelen op zich heeft aan te merken, maar van oordeel is dat ze, óók in onderling verband bezien, onvoldoende redengevend zijn om tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 te komen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de feiten 1 en 2. 4.3.2 Bewijsmiddelen voor de feiten 3 tot en met 9 De rechtbank merkt vooraf het volgende op. De bewijsmiddelen voor de feiten 3 tot en met 9 zijn opgenomen in een bij dit vonnis gevoegde bijlage (bijlage II) en dienen op deze plaats als ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt voor het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. 4.3.3 Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 3 tot en met 9 De rechtbank heeft voor het bewijs van de onder 3 tot en met 9 ten laste gelegde feiten de mailberichten gebezigd die zijn verstuurd met PGP-telefoons. Voordat de rechtbank nader ingaat op de aan verdachte ten laste gelegde feiten, zal de rechtbank – ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis – in paragraaf 4.3.3.1 ingaan op de PGP-mailadressen die aan verdachte en zijn medeverdachten worden toegeschreven en op het versluierde taalgebruik dat in de door hen verzonden en ontvangen PGP-berichten werd gehanteerd. In paragraaf 4.3.3.2 gaat de rechtbank in op feit 3 en in paragraaf 4.3.3.3 zijn de bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 5 tot en met 9 opgenomen. Feit 4 wordt besproken in paragraaf 4.3.3.4. 4.3.3.1 Overwegingen ten aanzien van de voor het bewijs gebruikte PGP-mailberichten De PGP e-mailadressen van verdachte en medeverdachten Het procesdossier bevat veel PGP-mailberichten die volgens de officier van justitie door verdachte en zijn medeverdachten zijn verstuurd. Volgens de raadsman kan echter niet worden bewezen dat verdachte de gebruiker is geweest van de aan hem toegeschreven mailadressen. De rechtbank ziet dit anders en heeft daaraan in hoofdstuk 1 van bijlage II (de bewijsbijlage) een overweging gewijd, die als hier ingelast moeten worden beschouwd. Dat geldt ook voor de in die bijlage opgenomen overwegingen ten aanzien van de mailadressen die aan de medeverdachten worden toegeschreven. In die overwegingen concludeert de rechtbank, kortgezegd, dat: - verdachte gebruik heeft gemaakt van de PGP-mailadressen: [naam] @pgpsafe.net, [PGP-mailadres] @activeshield.net en [PGP-mailadres] @pgpsafe.net; - [medeverdachte 1] gebruik heeft gemaakt van de PGP-mailadressen: [PGP-mailadres] @pgpsafe.net, @activeshield.net, [PGP-mailadres] @encromail.ch, [PGP-mailadres] @pgpsafe.net en @encromail.ch; - [medeverdachte 2] gebruik heeft gemaakt van PGP-mailadres: [PGP-mailadres] @ennetcom.biz; - [medeverdachte 3] gebruik heeft gemaakt van PGP-mailadres: [PGP-mailadres] @pgpsafe.net. Het versluierde taalgebruik in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten Uit de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten leidt de rechtbank af dat verdachte, medeverdachten en anderen vaak door middel van versluierde taal communiceerden. Voor de deelnemers aan de gesprekken is duidelijk waarover wordt gesproken, maar op basis van de letterlijke tekst van de gesprekken is dat voor een buitenstaander niet per se het geval. Om de betekenis en strekking van de in de bewijsmiddelen weergegeven woorden en gesprekken te duiden, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De rechtbank heeft daarbij onder meer rekening gehouden met de continuïteit waarmee bepaalde woorden of uitdrukkingen voorkomen, de context waarin deze worden gebruikt, gebeurtenissen waarvan is vastgesteld dat deze hebben plaatsgevonden en met de in het onderzoek aangetroffen en/of in beslag genomen goederen. Ten behoeve van de leesbaarheid van de in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten en de hierna volgende overwegingen, stelt de rechtbank ten aanzien van een aantal veelgebruikte woorden het volgende vast. Verdovende middelen In de bewijsbijlage zijn PGP-berichten opgenomen van verdachte, [medeverdachte 1] en anderen die zijn verzonden in de periode van 24 augustus 2015 tot en met 31 mei 2016. Uit die PGP-berichten blijkt dat in deze periode veelvuldig werd gesproken over het transporteren van goederen naar Groot-Brittannië. De goederen die naar Groot-Brittannië moesten worden getransporteerd werden doorgaans aangeduid met woorden als ‘vieze’, ‘dure’, ‘wit’ en ‘bruin’ en een enkele maal met ‘rolex’, ‘charlie’, ‘goede vrouwen’, ‘aa’ en ‘eagle’. Dat met deze woorden harddrugs werden bedoeld, kan naar het oordeel van de rechtbank onder meer worden afgeleid uit de context waarin de woorden werden gebruikt. Zo werd in gesprekken over het transporteren van (de met voormelde woorden aangeduide) goederen veelvuldig gesproken over aantallen en inkoop- en verkoopprijzen. Daarnaast werd gesproken over junks die ‘vieze’ en/of ‘dure’ hebben getest, over het uitkoken van de handel, over ‘vieze’ die alleen kan worden gespoten, over het opsnuiven van ‘die kkzooi’ en over de kwaliteit, glans en geur van ‘vieze’ en/of ‘dure’. Dat met de hiervoor genoemde woorden specifiek heroïne en cocaïne werden bedoeld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende. Het zijn feiten van algemene bekendheid dat cocaïne wit van kleur is en heroïne bruin, en dat cocaïne doorgaans wordt gesnoven en heroïne geïnjecteerd (‘gespoten’). In straattaal wordt voor cocaïne doorgaans het woord ‘wit’ gebruikt en voor heroïne het woord ‘bruin’. Het staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook vast dat verdachte en zijn gesprekspartners de woorden ‘wit’ en ‘bruin’ gebruikten als zij spraken over cocaïne en heroïne. Dat met ‘dure’, ‘charlie’ en ‘rolex’ ook cocaïne werd bedoeld en met ‘vieze’ heroïne, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit – onder meer – de gesprekken tussen verdachte en [slachtoffer 2] van augustus en september 2015. Uit die gesprekken en de aantallen die daarin worden genoemd kan namelijk worden afgeleid dat de woorden ‘dure’, ‘charlie’ en ‘rolex’ als synoniemen van het woord wit werden gebruikt en dat het woord ‘vieze’ een ander woord was voor ‘bruin’. Daar komt nog bij dat niet alleen op grond van de (context en inhoud van) de PGP-berichten zelf, maar ook op grond van andere bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat verdachte, [medeverdachte 1] en hun gesprekspartners spraken over de drugssoorten cocaïne en heroïne. Zo blijkt uit hierna nog te bespreken bewijsmiddelen dat verdachte en een aantal medeverdachten betrokken waren bij het transporteren van drugs naar Groot-Brittannië. De rechtbank gaat verderop in het vonnis nader in op die betrokkenheid. In dit kader is echter van belang dat bij de onderschepping van die transporten enkel heroïne en cocaïne zijn aangetroffen. Gelet op al het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten met de woorden ‘vieze’, ‘dure’, ‘wit’, ‘bruin’, ‘rolex’, ‘charlie’ en ook ‘goede vrouwen’, ‘aa’ en ‘eagle’, cocaïne en/of heroïne werden bedoeld. Geld Het woord ‘pap’ komt in veel PGP-gesprekken voor. ‘Pap’ (afkorting van ‘paper’) is straattaal voor geld. Dat verdachte en anderen met het woord ‘pap’ ook daadwerkelijk geld bedoelden, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid uit de inhoud en context van de PGP-berichten, bezien in het licht van de overige, hierna nog te bespreken bewijsmiddelen in dit dossier. Verdachte sprak bijvoorbeeld met regelmaat over het wisselen van ‘pap’ bij een wisselaar. In één van die gesprekken vroeg hij of hij de ‘pap’ – zodra het was gestort – moest afgeven bij de wisselaar van zijn gesprekspartner. In een ander gesprek schreef hij dat ze elke paar ‘mil’ wisselen. Medeverdachte [medeverdachte 3] mailde verdachte dat hij het waarschijnlijk wel zou redden met het geld dat hij nog over had. Verdachte schreef daarop dat het wel goed zou komen, omdat [medeverdachte 3] de volgende dag waarschijnlijk weer ‘pap’ kon aanpakken. Wapens Het woord ‘yzer’ komt in enkele voor het bewijs gebruikte PGP-berichten voor. In straattaal wordt voor de woorden vuurwapen en/of pistool doorgaans het woord ‘yzer’ gebruikt. Dat met het woord yzer in de voor het bewijs opgenomen PGP-berichten ook daadwerkelijk een vuurwapen wordt bedoeld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit de omstandigheid dat onder de medeverdachten die het woord ‘yzer’ in hun PGP-berichten gebruikten, een aanzienlijk aantal wapens en munitie is aangetroffen. Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij het bespreken van PGP-berichten in de hierna volgende overwegingen de woorden cocaïne, heroïne, geld en (vuur)wapen gebruiken in plaats van de hiervoor besproken verdekte termen. 4.3.3.2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor feit 3 Aan verdachte is onder feit 3 ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018, in Nederland samen met anderen, opzettelijk grote hoeveelheden cocaïne en heroïne van Nederland naar Groot-Brittannië heeft gebracht en/of heeft verstrekt, verkocht, afgeleverd en vervoerd. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de volgende vaststellingen, overwegingen en conclusies. De feiten De feiten met betrekking tot onderzoek Creek (zaaksdossier Gravesend) Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.1 kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Onderschepping Onderzoek Creek is een drugsonderzoek van de politie te Gravesend, een plaats in het graafschap Kent in Groot-Brittannië. Op 5 maart 2015 werd door de politie in Gravesend gezien dat [C] een koffer overhandigde aan ene [D] . In deze koffer zaten – zo bleek later – tien blokken met verdovende middelen. In de auto van [C] werden drie exact dezelfde koffers aangetroffen waarin ook een aantal pakjes met verdovende middelen zat. Uit in Groot-Brittannië verricht laboratoriumonderzoek bleek dat het in totaal ging om ongeveer dertig kilo heroïne en twaalf kilo cocaïne. [C] bleek te verblijven in hotel [hotel] in [woonplaats] . Hij verbleef daar samen met [E] . [C] en [E] zijn in Groot-Brittannië uiteindelijk veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de handel in verdovende middelen. [E] en [C] bleken al zo’n half jaar regelmatig in hotel [hotel] te hebben overnacht. Uit reisgegevens blijkt dat [E] en [C] in de periode van 29 april 2014 tot en met 4 maart 2015 nagenoeg iedere maand één- tot tweemaal voor één of enkele dagen naar Groot-Brittannië zijn gereisd, zowel samen als alleen. Op 29 april, 8 mei en 19 mei 2014 vloog [E] niet samen met [C] , maar met medeverdachte [medeverdachte 1] van Amsterdam naar Londen. Uit bonnen die in de woning van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen kan worden afgeleid dat hij kort daarvoor, namelijk op 12 en 13 maart 2014, heeft overnacht in het hiervoor al genoemde hotel [hotel] in [woonplaats] . Bedrijven en loodsen In de hotelkamer van [C] en [E] werd een transportbrief aangetroffen van het bedrijf [bedrijf 2] Ltd. met daarop het adres van een loods in [woonplaats] (ook in het graafschap Kent). Dit bedrijf stond op naam van een persoon genaamd [F] . Hij huurde ook de loods in [woonplaats] . In die loods zijn op 6 maart 2015 – onder meer – ontvangstbewijzen voor zwarte koffers, een vorkheftruck, krimpfolie en een groot aantal dozen van [bedrijf 1] .nl aangetroffen. In en naast die dozen lagen jumpstarters/acculaders. Een aantal in de loods aangetroffen acculaders was hol van binnen. De accu’s waren uit deze acculaders verwijderd en vervangen door een met lood beklede verpakking. In deze accu’s paste ongeveer een kilo van de verdovende middelen, precies de grootte van een pak. Tijdens de doorzoeking van de loods in [woonplaats] kwam een chauffeur met een Nederlandse vrachtwagen aan bij de loods, die daar pallets met auto-onderdelen kwam ophalen. Hij had een vrachtbrief bij zich waaruit bleek dat de pallets moesten worden vervoerd naar een bedrijf met een loods aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de loods in [woonplaats] ). Deze loods bleek te zijn gehuurd door [F] , de persoon die ook de loods in [woonplaats] huurde. In de loods in [woonplaats] werden (ook) een vorkheftruck, dozen met krimpfolie en ( [bedrijf 1] dozen met) acculaders aangetroffen. Een aantal acculaders was uitgehold en met lood bekleed, op exact dezelfde manier als de acculaders in de loods in [woonplaats] . De eigenaar en verhuurder van de loods in [woonplaats] zag wekelijks personen die bij de loods bezig waren pallets met dozen met acculaders te laden en lossen en herkende [medeverdachte 1] als een van de personen die hier wel eens bij was. Transportbrief in woning [medeverdachte 1] Eind juni 2014 is de woning van [medeverdachte 1] in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek doorzocht. In de woning werd een transportbrief aangetroffen die overeenkwam met de transportbrief die de chauffeur bij zich had toen hij op 6 maart 2015 aankwam bij de loods in [woonplaats] . De transportbrief in de woning van verdachte had namelijk betrekking op 31 pallets met auto-onderdelen die op 6 juni 2014 namens het hiervoor al genoemde bedrijf [bedrijf 2] Ltd. vanaf de loods in [woonplaats] moesten worden getransporteerd naar de loods in [woonplaats] . Naast de transportbrief werden in de woning van [medeverdachte 1] ook een (Engelse) aankoop- en transportbon van een vorkheftruck van 4 maart 2014 aangetroffen. Deze vorkheftruck moest worden afgeleverd bij de loods van [bedrijf 2] Ltd. in [woonplaats] . Transporten De dagen 6 juni 2014 en 5 maart 2015 blijken niet de enigen te zijn waarop transporten van auto-onderdelen plaatsvonden tussen de loods in [woonplaats] en de loods van het bedrijf [bedrijf 2] Ltd. in [woonplaats] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het eerste transport tussen beide loodsen plaatsvond op 12 maart 2014, de dag waarop [medeverdachte 1] overnachtte in hotel [hotel] . Het ging om een lading auto-onderdelen van [bedrijf 1] , die in opdracht van een Nederlands bedrijf op naam van [F] naar het Britse bedrijf op naam van diezelfde [F] ( [bedrijf 2] Ltd.) werd getransporteerd. Na dat eerste transport vonden tot en met 5 maart 2015 minimaal 17 transporten (nagenoeg één- tot tweemaal per maand) plaats van telkens zo’n 28 tot 34 pallets met auto-onderdelen (vaak omschreven als [bedrijf 1] , Nip(p)arts, of car parts). Binnen 2 tot 5 dagen na aankomst van zo’n transport in [woonplaats] ging weer eenzelfde transport retour naar de loods in [woonplaats] . Volgens de eigenaar en verhuurder van de loods in [woonplaats] leek het erop dat iedere keer niet soortgelijke, maar exact dezelfde pallets met acculaders werden gebracht en gehaald: ‘(…) dan kwam bijvoorbeeld een week later weer een doos met een zelfde scheur erin terug’, aldus de eigenaar. De feiten met betrekking tot onderzoek Wheat (Manchester) Onderzoek Wheat is een drugsonderzoek van de politie te Manchester naar aanleiding van een op 12 november 2015 in Groot-Brittannië onderschept drugstransport. Het transport was afkomstig van de Dominicaanse Republiek. De raadsman heeft onderzoek Wheat bij pleidooi buiten beschouwing gelaten, omdat ‘dat naar Nederlands recht niet beoordeeld is te zijn een strafbare gedraging’, aldus de raadsman. De rechtbank gebruikt de resultaten van het onderzoek echter wél voor het bewijs van de feiten 3 en 4. Hoewel het transporteren van verdovende middelen vanuit de Dominicaanse Republiek naar Groot-Brittannië niet aan verdachte ten laste is gelegd, staat geen rechtsregel in de weg aan het gebruik van de resultaten van onderzoek Wheat als ondersteunend bewijs voor de drugstransporten die wél aan verdachte ten laste zijn gelegd, te weten de transporten die plaatsvonden vanuit Nederland naar Groot-Brittannië. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.2, het volgende vast. Onderschepping Op 12 november 2015 werd in Groot-Brittannië een drugstransport onderschept dat afkomstig was van de Dominicaanse Republiek. De onderschepping werd nog even geheim gehouden en het transport werd onder controle van de politie op 23 november 2015 afgeleverd bij een loods in Groot-Brittannië. De container die werd getransporteerd bleek gevuld met dozen waarin jumpstarters/ acculaders van het merk [bedrijf 1] zaten. Vijftig acculaders waren uitgehold (de accu’s waren verwijderd) en de holle ruimtes waren bekleed met lood, op dezelfde wijze als de acculaders in het hiervoor besproken onderzoek met de naam Creek. In de holle ruimtes van deze vijftig acculaders zaten vacuüm verpakte blokken cocaïne. In totaal bleek in de acculaders 47 kilo cocaïne te zijn verstopt. De dozen waarin de acculaders met cocaïne zaten, waren gemarkeerd met een zwarte stip. Contacten van verdachte en [medeverdachte 1] De Britse [G] werd op 23 november 2015 vanuit de hiervoor genoemde loods door de politie gevolgd naar de boerderij waar [H] op dat moment verbleef. [H] , [G] en [I] zijn na de aflevering van het transport op 23 november 2015 aangehouden en uiteindelijk veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de import en handel in verdovende middelen Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] vanaf augustus 2015 tot en met november 2015 iedere maand in Manchester is geweest. In november, slechts drie dagen voor de aankomst van het hierboven genoemde transport, had hij een ontmoeting met [H] en [G] in Salford. Een maand eerder, op 13 oktober 2015, bevond verdachte zich ook al in Salford, zo blijkt uit een PGP-bericht van [medeverdachte 1] aan verdachte. Uit de onderlinge samenhang tussen voorgaande feiten enerzijds en de inhoud, data en afzenders van de in de bewijsmiddelen opgenomen PGP-berichten anderzijds, blijkt dat verdachte en [medeverdachte 1] in oktober en november 2015 met elkaar én met [H] en [I] spraken over het drugstransport dat op 12 november 2015 is onderschept. Zo sprak verdachte op 13 oktober 2015 – de dag waarop verdachte in Salford was – met [I] over ‘Domi’, het Verenigd Koninkrijk en de prijzen van harddrugs. Met een ander contact sprak verdachte over ‘Domi’ en over het vacumeren en wegleggen van iets (‘ze’) in ‘media’, omdat het voor ‘manch’ was. Op 10 november 2015 werden verdachte en [medeverdachte 1] er door [H] van op de hoogte gebracht dat de douane ‘de container’ door middel van röntgenapparatuur zou controleren. Die controle zou volgens verdachte geen problemen opleveren, omdat de lading scanbestendig was. Op 12 november 2015 kreeg verdachte een berichtje van iemand waarin stond dat er niks aan de hand was als de douane tijdens een steekproef ‘een lege’ zou pakken. [H] stelde verdachte voor om, als alles goed was gegaan, ‘ [G] ’ te sturen [de rechtbank begrijpt: [G] naar de loods te sturen]: ‘dan weten we of [G] de gevangenis in gaat, hahaha’, aldus [H] . Op 23 november 2015, de dag waarop [G] en [H] zijn aangehouden, zei verdachte nog tegen [H] dat [G] wat nepwerk moest gaan uitvoeren in de loods. Later die dag werd verdachte er door [H] van op de hoogte gebracht dat [G] vanuit de loods naar de boerderij was gereden en dat de politie hem was gevolgd. De politie zat overal. [H] vroeg of verdachte de telefoons van [G] en [I] direct wilde schoonvegen. De feiten met betrekking tot onderzoek Cigua ( [woonplaats] ) Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.3, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Onderschepping Het onderzoek met de naam Cigua is een onderzoek van de politie te [woonplaats] (Groot-Brittannië). Op 12 oktober 2016 werd door de grenspolitie in Groot-Brittannië een transport gecontroleerd dat uit Nederland was gekomen. Het ging om een oplegger met 28 pallets met accu’s. Op die accu’s zaten etiketten van ‘BT Battery’. Een aantal accu’s bleek aan de binnenkant met lood bekleed. In de accu’s zaten pakketten met verdovende middelen die vacuüm waren verpakt en gemarkeerd (strepen of stickers in verschillende kleuren). In totaal werd er 55 kilo heroïne en 60 kilo cocaïne aangetroffen. Bedrijven, loodsen en transporten en de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 4] De onderschepte lading was naar Groot-Brittannië getransporteerd vanaf een loods in [woonplaats] , Nederland. Afzender van de lading was het bedrijf [bedrijf 3] B.V. Dit bedrijf stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 4] , die het bedrijf eind december 2015 voor slechts 1 euro had overgenomen. Uit belastingaangiften bleek dat voor de jaren 2015 tot en met 2017 geen inkomsten waren opgegeven. [medeverdachte 4] huurde (namens [bedrijf 3] B.V.) ook de loods in [woonplaats] en had – na de onderschepping van het transport op 12 oktober 2016 – contact met de douane. Na die onderschepping is voor de loods geen huur meer betaald en kreeg de eigenaar van de loods [medeverdachte 4] niet meer te pakken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in opdracht van [bedrijf 3] B.V. in de periode van 20 april 2016 tot en met 12 oktober 2016 dertienmaal accu’s en auto-onderdelen vanaf de loods in [woonplaats] naar de loodsen van drie bedrijven in Groot-Brittannië zijn getransporteerd. Eén van die bedrijven was [bedrijf 4] Ltd., opgericht in januari 2016. Directeur van het bedrijf was de hiervoor al genoemde [medeverdachte 4] . Uit informatie van de Britse belastingdienst blijkt dat ook dit bedrijf nooit belasting heeft afgedragen. [medeverdachte 4] huurde namens [bedrijf 4] Ltd. ook een loods in [woonplaats] . In deze loods werden onder meer een vorkheftruck, zwarte en doorzichtige folie, verpakkingsdozen van accustarters, pakbonnen van transporten, een rol bubbelfolie en bonnen van (sport)tassen aangetroffen. De geadresseerde van het op 12 oktober 2016 onderschepte transport was echter niet het bedrijf [bedrijf 4] Ltd., maar het bedrijf [bedrijf 5] Ltd., met een loods in [woonplaats] , Groot-Brittannië. De verhuurder van de loods verklaarde dat om de paar weken bij de loods een vrachtwagen aankwam met accu’s op pallets die waren verpakt in cellofaan. Deze accu’s werden diezelfde dag weer op een andere vrachtwagen geladen en weggereden. Het bedrijf [bedrijf 5] Ltd. stond op naam van een man uit Litouwen, genaamd [J] , en de loods in [woonplaats] werd door diezelfde man gehuurd. Het derde Britse bedrijf dat accu’s en auto-onderdelen van [bedrijf 3] B.V. ontving was [bedrijf 10] Ltd. Dit bedrijf stond op naam van een andere man uit Litouwen, genaamd [K] , die namens het bedrijf ook een loods huurde. Deze Litouwer verklaarde dat hij was betaald voor het op naam zetten van het bedrijf en het huren van de loods. Contacten van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] Dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betrokken waren bij de transporten van [bedrijf 3] B.V., blijkt naar het oordeel van de rechtbank – onder meer – uit het onderlinge verband tussen de hiervoor besproken bewijsmiddelen en de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Het eerste transport dat in opdracht van [bedrijf 3] B.V. is uitgevoerd vertrok op 20 april 2016 vanuit [woonplaats] en kwam op 25 april 2016 aan bij de loods in [woonplaats] . Uit PGP-berichten van verdachte blijkt dat hij het in berichten voorafgaand aan dat eerste transport had over het regelen van alle papieren, het betalen van katvangers, het wijzigen/op naam zetten van ‘iets’ bij de Kamer van Koophandel en het betalen van huur voor ‘het pand’. Uit de inhoud van andere berichten leidt de rechtbank af dat (namens verdachte) in die periode ook contact werd opgenomen met klanten om te vragen of zij – tegen betaling – pakketten met cocaïne en/of heroïne (‘dure en/of vieze’) mee wilden laten gaan met een transport naar Groot-Brittannië. Een deel van de lading was gevuld met ‘eigen’ pakketten van verdachte, maar er was doorgaans ook nog ruimte voor pakketten van anderen. Die pakketten konden een dag voor vertrek, op 19 april 2016, gevacumeerd en gemarkeerd worden aangeleverd. Op 18 april 2016 vroeg NN4k aan verdachte of hij en [medeverdachte 1] (‘ [bijnaam] ’ genoemd) de planning voor de volgende dag konden gaan maken. Verdachte vond dat goed. NN4k vroeg vervolgens aan verdachte hoe de heroïne moest worden gevacumeerd. Verdachte antwoordde daarop dat NN4k dat aan [medeverdachte 1] (‘ [bijnaam] ’) moest vragen. Kort na dat gesprek nam [medeverdachte 1] contact op met NN4k om hem mee te delen hoe de heroïne moest worden verpakt. [medeverdachte 1] vertelde ook dat hij de drugs de volgende ochtend zou aanpakken. Voorafgaand aan de transporten van [bedrijf 3] B.V. in mei 2016 werden door verdachte en [medeverdachte 1] soortgelijke berichten gestuurd. Verdachte sprak met zijn klanten over de hoeveelheden die nog mee konden op de transporten, over de prijzen daarvan en over de (in- en verkoop)prijzen van cocaïne en heroïne. Ook vertelde hij dat hij met een topsysteem werkte, omdat de te transporteren lading scanbestendig (‘scan proef’) zou zijn. Vragen over het vacumeren van de drugs en het aanpakken daarvan liet hij beantwoorden door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] maakte vervolgens afspraken met klanten over het aanpakken of afgeven van de drugs of het geld (pap). Dat verdachte en [medeverdachte 1] in de in paragraaf 2.3 (van de bewijsbijlage) opgenomen PGP-berichten daadwerkelijk spraken over de transporten van [bedrijf 3] B.V., wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de inhoud van hun contacten met [medeverdachte 3] , die weer direct kan worden gelinkt aan [bedrijf 3] B.V., [bedrijf 4] Ltd. en de loods in [woonplaats] . Zo werd in die loods – enige tijd na de onderschepping van het transport in oktober 2016 – een flesje in beslag genomen waarop DNA is aangetroffen dat een match heeft opgeleverd met het DNA-profiel van [medeverdachte 3] . Verder bleek dat [medeverdachte 3] op 29 juni 2019 in verband met een ander feit was aangehouden in Groot-Brittannië. Hij was onderweg van Birmingham, een plaats in de buurt van [woonplaats] , naar Londen. In zijn auto lagen allerlei documenten en goederen die betrekking hadden op de transporten van [bedrijf 3] B.V., het bedrijf [bedrijf 4] Ltd. en de loods in [woonplaats] . De PGP-telefoon van [medeverdachte 3] werd ook in zijn auto aangetroffen. [medeverdachte 3] bleek met zijn PGP-mailadres vanaf april 2016 veel contact te hebben gehad met verdachte en een enkele maal met [medeverdachte 1] . De rechtbank leidt uit die contacten af dat [medeverdachte 3] al vanaf april 2016 in Groot-Brittannië – in opdracht van verdachte – allerlei werkzaamheden verrichtte met betrekking tot de transporten van [bedrijf 3] B.V. Uit reisgegevens blijkt ook dat [medeverdachte 3] zeer vaak in Groot-Brittannië was op en rondom de data van transporten vanuit [woonplaats] naar [woonplaats] en vice versa. Op 21 april 2016, vlak voor de aankomst van het eerste transport in [woonplaats] , kreeg [medeverdachte 3] de opdracht van verdachte om zich tegenover het bedrijf [bedrijf 6] voor te doen als [naam] van [bedrijf 4] Ltd. [bedrijf 6] is het vervoersbedrijf dat het eerste transport voor [bedrijf 3] B.V. heeft uitgevoerd. Uit een door [bedrijf 6] aan de politie overhandigde e-mail blijkt dat zij over het lossen van de lading op 25 april 2016 in [woonplaats] contact konden opnemen met een persoon genaamd [naam] van [bedrijf 4] Ltd. Uit andere PGP-berichten blijkt dat de werkzaamheden van [medeverdachte 3] onder meer bestonden uit het in ontvangst nemen van de vorkheftruck, het regelen van een Engelse auto waarin een ‘stash’ (opbergruimte) kon worden gemaakt, het laden en lossen van transporten en het vervolgens aanpakken van geld en afgeven van de (door verdachte en diens klanten) verkochte drugs. Dat [medeverdachte 3] hielp bij het laden en lossen van de transporten blijkt onder meer uit een bericht van verdachte van 21 mei 2016 waarin hij [medeverdachte 3] opdroeg om rustiger te werk te gaan met de accu’s, omdat er een paar kapot waren. [medeverdachte 3] had over zijn werkzaamheden ook contact met [medeverdachte 1] . Uit het bericht van [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] van 26 mei 2016 kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [medeverdachte 3] [medeverdachte 1] vroeg of hij zijn werk met betrekking tot een pakket verdovende middelen wel goed heeft gedaan. Volgens [medeverdachte 1] had [medeverdachte 3] alles goed gedaan. Onderzoek naar de verpakking van de verdovende middelen De op 12 oktober 2016 in Groot-Brittannië onderschepte heroïne en cocaïne waren vacuüm verpakt. Een aantal verpakkingen is in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Op 8 oktober 2018 werden de woningen en loodsen van alle verdachten in onderzoek 09Napoles doorzocht. In de loods van medeverdachte [medeverdachte 2] werden een vacuümmachine en een groot aantal plastic zakken aangetroffen. Op één van die zakken zat een rond stickertje, gelijksoortig aan de stickertjes die op de plastic zakken zaten waarin de in oktober 2016 onderschepte verdovende middelen waren verpakt (gevacumeerd). Er is een vergelijkend onderzoek gedaan naar de in oktober 2016 in beslag genomen plastic zakken (vacuümzakken) en de in 2018 aangetroffen vacuümmachine. De resultaten van dit vergelijkend onderzoek zijn extreem veel (meer dan een miljoen keer) waarschijnlijker wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met de in de loods van [medeverdachte 2] in beslag genomen vacuümmachine, dan wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met een willekeurige andere vacuümmachine. De rechtbank heeft deze onderzoeksresultaten beoordeeld in het licht van de overige bewijsmiddelen in dit dossier, waaronder de contacten tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de andere in de loods en woning van [medeverdachte 2] aangetroffen goederen (waarop de rechtbank verderop in het vonnis nader zal ingaan). Op grond van de samenhang tussen die bewijsmiddelen en de onderzoekresultaten komt de rechtbank tot de conclusie dat een aantal van de in Groot-Brittannië onderschepte pakketten met heroïne en/of cocaïne vacuüm waren verpakt met de vacuümmachines uit de loods van [medeverdachte 2] . De feiten met betrekking tot onderzoek [woonplaats] Onderzoek [woonplaats] is een onderzoek van de Nederlandse politie dat is gestart omdat op grond van PGP-berichten van verdachte en van [medeverdachte 1] het vermoeden was ontstaan dat in 2016 drugstransporten hadden plaatsgevonden tussen [woonplaats] en Groot-Brittannië. Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.4, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Bedrijf en loods in [woonplaats] In PGP-berichten van 5 april 2016 van verdachte en [medeverdachte 1] aan de eerder in dit vonnis al genoemde NN4k werd gesproken over een transport naar ‘de overkant’, over ‘uk tijd’, over pallets en over ‘dure’ die pas in het systeem pasten nadat er wat vacuümzakken waren afgehaald. [medeverdachte 1] schreef dat ‘het’ moest naar het adres: [adres] in [woonplaats] . Uit onderzoek bleek dat het pand op dit adres vanaf 1 augustus 2015 tot en met juli 2017 werd gehuurd door het bedrijf [bedrijf 7] B.V, dat vanaf 24 maart 2016 [bedrijf 8] B.V. heette. Een persoon genaamd [F] was vanaf 22 maart 2016 bestuurder van dit bedrijf. Deze [F] kwam ook al voor in het onderzoek Creek, namelijk als huurder van de loodsen in [woonplaats] en [woonplaats] en als bestuurder van het bedrijf [bedrijf 2] Ltd. Uit afschriften van de bankrekening van het bedrijf [bedrijf 7] B.V. bleek dat tussen 2015 en 2017 ruim € 93.000,- (contant) op de rekening was gestort, maar dat geen andere inkomsten waren binnengekomen. Verder bleek dat het bedrijf in 2015 een bedrag van bijna € 60.000,- had overgemaakt naar een Pools bedrijf dat accu’s verkocht. Ook heeft het bedrijf in – onder meer – april 2016 een groot aantal stickers besteld. Deze stickers bleken exact overeen te komen met de stickers op de accu’s die op 12 oktober 2016 in het hiervoor besproken onderzoek Cigua zijn onderschept. De stickers waren door het bedrijf [bedrijf 7] besteld met het mailadres van [bedrijf 3] B.V., dat blijkens het onderzoek Cigua op naam stond van medeverdachte [medeverdachte 4] en afzender was van de op 12 oktober 2016 onderschepte lading. Transporten naar [woonplaats] Uit de bankafschriften van [bedrijf 7] B.V. bleek ook dat het bedrijf geld had overgemaakt aan de transportbedrijven [transportbedrijf 1] en [transportbedrijf 2] . Uit gegevens van die transportbedrijven bleek dat in de periode van 4 september 2015 tot en met 30 oktober 2015 in totaal vijf transporten waren uitgevoerd in opdracht van [bedrijf 7] B.V. Het ging om transporten van accu’s die moesten worden vervoerd vanuit het pand van [bedrijf 7] B.V. in [woonplaats] naar het bedrijf [bedrijf 9] in [woonplaats] [de rechtbank begrijpt: een stad in het graafschap Greater Manchester, Engeland]. Het bedrijf [bedrijf 9] was op 16 oktober 2015 ingeschreven in het bedrijvenregister in Groot-Brittannië. De directeur van het bedrijf bleek [G] , veroordeelde in het hiervoor besproken onderzoek Wheat en een contact van verdachte. Transport naar [wijk] Op 11 april 2016 schreef [medeverdachte 1] in een PGP-bericht aan een onbekende dat ‘het transport’ onderweg was. Verder mailde hij deze onbekende het adres van het pand van [bedrijf 7] B.V. in [woonplaats] en het adres van een loods in [wijk] [de rechtbank begrijpt: een wijk in Londen, Engeland]. Op [2016] schreef [medeverdachte 1] in een PGP-bericht aan NN4k dat de jongens in de loods moeten wachten en dat ‘onze’ trailer rood is en dat op de zijkant ‘ [naam] ’ staat. [medeverdachte 1] vroeg vervolgens aan NN4k of de lading al was aangekomen en of ze de Litouwer – een goede werker – wel konden vertrouwen. Naar aanleiding van voormelde berichten is nader onderzoek verricht. Uit dat onderzoek bleek dat een vervoersbedrijf met de naam [transportbedrijf 3] een transport had uitgevoerd in opdracht van het bedrijf [bedrijf 8] . Het ging om het transporteren van een lading ‘truck filters’ vanuit de loods in [woonplaats] naar de hiervoor genoemde loods in [wijk] . Het transport was op 11 april 2016 vertrokken vanuit [woonplaats] en op 13 april 2016 aangekomen bij de loods in [wijk] . De geadresseerde van het transport was het bedrijf [bedrijf 10] . Dit bedrijf kwam in onderzoek Cigua ook voor als de geadresseerde van een transport dat in opdracht van [bedrijf 3] B.V. was uitgevoerd. Dit transport moest worden vervoerd naar een loods in [wijk] . Het bedrijf [bedrijf 10] stond op naam van de Litouwer [K] . [K] verklaarde dat hij was betaald voor het op naam zetten van het bedrijf. Hij verklaarde daarnaast dat hij ook nog een pand had gehuurd in [wijk] . Contacten van verdachte en [medeverdachte 1] Uit de onderlinge samenhang tussen de hiervoor besproken bewijsmiddelen en de inhoud en data van de in paragraaf 2.4 van de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten van verdachte en [medeverdachte 1] kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat zij met elkaar en met anderen spraken over het transport van 11 april 2016 dat is uitgevoerd door het bedrijf [transportbedrijf 3] . Verdachte en [medeverdachte 1] spraken met elkaar en met anderen over de adressen van de loodsen in [woonplaats] en [wijk] , over het inbouwen van de lading, over het insealen van de lading met zwarte en witte folie, over klanten, over prijzen, over het wisselen van geld en over het laten terugkomen van de vrachtwagen met geld (pap). De rechtbank concludeert op grond van de berichten dat verdachte het transport regelde en de mensen aanstuurde en betaalde die ten aanzien van dat transport werkzaamheden verrichtten in Nederland en Groot-Brittannië. Verder benaderde verdachte klanten om hen mee te delen dat er weer een transport van hem zou vertrekken en hen te vragen of ze ‘spullen’ wilden meegeven. Verdachte verwees veel contacten naar [medeverdachte 1] voor informatie over alle praktische zaken rondom het laden en lossen van het transport. [medeverdachte 1] had met name contact met anderen over het aanpakken van ‘spullen’, de vertrek- en aankomstdata van het transport, het laden en lossen en de manier waarop de ‘spullen’ geseald moesten worden. Uit zijn berichten kan worden afgeleid dat hij – onder meer – hielp met het inbouwen van de lading en het aanpakken van ‘spullen’ voor in de lading. Verder onderhield [medeverdachte 1] contact met ‘het transport’ over het tijdstip waarop het zou aankomen en gaf hij anderen – in opdracht van verdachte – uitleg over de verschillende werkzaamheden. [medeverdachte 1] werd voor zijn werkzaamheden betaald door verdachte. Gesprekken van verdachte en [medeverdachte 1] met [slachtoffer 2] is op 19 september 2015 geliquideerd. Uit onderzoek naar zijn PGP-telefoon bleek dat hij in de weken voor zijn dood veelvuldig contact had met verdachte en met [medeverdachte 1] . De rechtbank leidt uit de onderlinge samenhang tussen de inhoud en data van die berichten (opgenomen in paragraaf 2.5 van de bewijsbijlage) en de hiervoor besproken bewijsmiddelen af dat verdachte en [slachtoffer 2] bijna dagelijks in versluierde taal met elkaar spraken over drugstransporten, waaronder de transporten die in september 2015 in opdracht van [bedrijf 7] B.V. waren uitgevoerd. Verdachte en [slachtoffer 2] spraken onder meer over het transporteren van heroïne en cocaïne naar Groot-Brittannië, over de kwaliteit van de te transporteren drugs, het vacuüm verpakken en markeren van de pakketten, het wisselen van geld en de prijs van de transporten. De rechtbank concludeert op grond van die gesprekken dat verdachte en [slachtoffer 2] met elkaar samenwerkten, maar dat verdachte opdrachtgever was van de transporten en nagenoeg alles ten aanzien van die transporten bepaalde. Verdachte transporteerde zijn eigen handel en regelde klanten die – tegen betaling – ook een aantal pakketten wilden laten transporteren. [slachtoffer 2] was één van die klanten. Verdachte liet de drugs testen en bepaalde of de kwaliteit goed genoeg was voor de verkoop. Hij schreef aan [slachtoffer 2] dat hij al vijf jaar met het transport werkte, dat de heroïne en cocaïne werden vervoerd in een ‘machine’ en dat het systeem scanbestendig was. [medeverdachte 1] maakte – in opdracht van en in overleg met verdachte – via PGP-berichten afspraken met [slachtoffer 2] over het aanpakken van de te transporteren heroïne en cocaïne. De pakketten die mee moesten op het transport werden door [medeverdachte 1] opgehaald bij [slachtoffer 2] of bij contacten van [slachtoffer 2] . [medeverdachte 1] hield ook in de gaten of de pakketten op de juiste wijze waren gemarkeerd. [slachtoffer 2] nam contact op met [medeverdachte 1] als hij verdachte niet kon bereiken. Verdachte noemde [medeverdachte 1] zijn vaste chauffeur. Conclusies van de rechtbank ten aanzien van feit 3 Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat in de ladingen die in de periode van 12 maart 2014 tot en met 12 oktober 2016 vanuit de loodsen in [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] naar de loodsen in Groot-Brittannië zijn getransporteerd, maar die niet zijn onderschept, ook cocaïne en heroïne waren verstopt. Daarnaast heeft de raadsman – kortgezegd – per transportlijn (ofwel: per zaaksdossier) betoogd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij de via die lijn uitgevoerde drugstransporten. De rechtbank is het niet eens met de raadsman en overweegt daartoe het volgende. Ging het telkens om transporten van heroïne en/of cocaïne? Uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden blijkt dat in de onderhavige zaak grote hoeveelheden cocaïne en heroïne zijn aangetroffen in ladingen die vanuit de loodsen in [woonplaats] en [woonplaats] naar de loodsen in [woonplaats] en [woonplaats] werden getransporteerd. In de vanuit de Dominicaanse Republiek naar Groot-Brittannië getransporteerde lading is eveneens een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De ladingen die vanuit de loodsen in [woonplaats] en [woonplaats] naar de loodsen in [woonplaats] , [wijk] (zaaksdossier [woonplaats] ), [woonplaats] en [wijk] (zaaksdossier [woonplaats] ) werden getransporteerd, zijn niet onderschept. Het hof Amsterdam heeft in één van de zogeheten ‘Pan’ arresten als uitgangspunt genomen dat de opzettelijke in- of uitvoer van verdovende middelen in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als tijdens het opsporingsonderzoek ook feitelijk een hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Voor gevallen waarin géén verdovende middelen zijn aangetroffen heeft het hof het volgende toetsingskader (voor het gebruik van schakelbewijs) geformuleerd: ‘(…) het hof (
  6. is)van oordeel dat ook in die gevallen in beginsel een bewezenverklaring mogelijk is, mits op grond van het samenstel van feiten en omstandigheden geen andere conclusie mogelijk is dan dat sprake is geweest van handelingen met betrekking tot cocaïne. Deze conclusie kan worden getrokken indien blijkt van een patroon van handelingen en gebeurtenissen dat in aanzienlijke mate overeenkomt met het patroon, beschreven in een zaaksdossier waarin wél een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen en dat tot een bewezenverklaring van een de verdachte ten laste gelegd feit heeft geleid. Daarbij is onder meer de combinatie van de betrokken personen, het gebezigde taalgebruik in de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken en de modus operandi van betekenis’. De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat het, gelet op (a.) de inhoud en het gebezigde taalgebruik in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten, (b.) de combinatie van de bij de verschillende transportlijnen betrokken personen en bedrijven én (c.) de modus operandi die ten aanzien van alle transportlijnen werd gehanteerd, niet anders kan dan dat óók in de niet onderschepte ladingen cocaïne en heroïne waren verstopt. De PGP-berichten (a.) De rechtbank wijst allereerst op de reeds besproken en in de bewijsbijlage (hoofdstuk 2) opgenomen PGP-berichten, waarin de bij de verschillende transportlijnen betrokken personen in overeenkomstige versluierde taal spraken over het transporteren van cocaïne en heroïne naar Groot-Brittannië. De bij de verschillende transportlijnen betrokken personen en bedrijven (b.) De rechtbank kent daarnaast betekenis toe aan de combinatie van personen en bedrijven die aan alle of aan een aantal van de in deze paragraaf besproken transportlijnen kunnen worden gerelateerd. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de betrokkenheid van: Verdachte bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat), [woonplaats] (Cigua) en [woonplaats] ; Medeverdachte [medeverdachte 1] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat), [woonplaats] (Cigua) en [woonplaats] ; [G] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat) en [woonplaats] ; [E] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en Manchester (Wheat); [F] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en [woonplaats] ; [K] bij de zaaksdossiers [woonplaats] (Cigua) en [woonplaats] ; [bedrijf 2] Ltd. bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en Manchester (Wheat); [bedrijf 10] Ltd. bij de zaaksdossiers [woonplaats] (Cigua) en [woonplaats] ; [bedrijf 3] B.V. bij de zaaksdossiers [woonplaats] (Cigua) en [woonplaats] . De modus operandi (c.) De rechtbank neemt tot slot in aanmerking dat ten aanzien van alle in deze paragraaf besproken transportlijnen een overeenkomstige modus operandi (manier van werken) werd gehanteerd. Zo waren het altijd auto-onderdelen die via de verschillende transportlijnen naar Groot-Brittannië werden vervoerd. In bijna alle gevallen ging het om een transport van accu’s of acculaders/jumpstarters. De pakketten cocaïne en heroïne die in 2015 en 2016 zijn onderschept, waren verstopt in uitgeholde accu’s en/of acculaders/jumpstarters die van binnen waren bekleed met lood. De pakketten waren vacuüm verpakt en gemarkeerd met stickers. De meeste transporten vonden plaats tussen loodsen in Nederland en Groot-Brittannië. In alle loodsen die zijn doorzocht werden vorkheftrucks, (al dan niet uitgeholde en met lood beklede) accu’s of jumpstarters/acculaders, verpakkingsdozen van accu’s of van jumpstarters/ acculaders, verpakkingsfolie en bonnen van koffers of tassen aangetroffen. Uit de voor het bewijs gebezigde transportbrieven blijkt dat een paar dagen na aankomst van een lading met auto-onderdelen bij een loods in Groot-Brittannië, een overeenkomstige lading met auto-onderdelen vanuit diezelfde loods weer terug naar Nederland werd getransporteerd. De eigenaar van de loods in [woonplaats] verklaarde daarover dat hij had gezien dat een bepaalde doos met een scheur erin naar Groot-Brittannië werd getransporteerd en dat diezelfde doos met scheur een week later weer in de loods in [woonplaats] stond. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat (letterlijk) dezelfde accu’s of jumpstarters/acculaders – nadat de pakketten met verdovende middelen er in Groot-Brittannië waren uitgehaald – weer terug naar Nederland werden getransporteerd, zodat ze konden worden hergebruikt voor het volgende transport. De rechtbank heeft in het dossier in geen enkel geval een andere, logische en legale verklaring kunnen vinden voor het heen en weer transporteren van auto-onderdelen. Uit niets is bijvoorbeeld gebleken dat de accu’s of acculaders/jumpstarters in Groot-Brittannië werden verkocht. Uit de bewijsmiddelen is wél gebleken dat de verzendende en ontvangende bedrijven in veel gevallen kort voor de start van een reeks transporten waren opgericht of op naam waren gezet en geen inkomsten genereerden, maar wel met contant (gestort) geld voor transporten of daaraan gerelateerde zaken betaalden. Ook werden transporten uitgevoerd tussen bedrijven die op naam stonden van één en dezelfde persoon. Verdachte sprak voor de start van een nieuwe transportlijn in PGP-berichten bovendien over het betalen van katvangers en het op naam zetten van bedrijven bij de Kamer van Koophandel. Conclusie De rechtbank is op grond van het samenstel van de in deze paragraaf besproken feiten en omstandigheden van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat in nagenoeg alle ladingen (mogelijke proeftransporten daargelaten) die vanuit de loodsen in [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] naar de loodsen in Groot-Brittannië werden getransporteerd, cocaïne en heroïne waren verstopt. De rechtbank kan niet vaststellen om welke hoeveelheden harddrugs het precies ging. Gelet op de hoeveelheid onderschepte drugs, het aantal transporten dat is uitgevoerd, de hiervoor genoemde modus operandi, de aantallen die in de PGP-berichten werden genoemd (‘transporten van 100 en 40’) en de periode waarin de transporten hebben plaatsgevonden, stelt de rechtbank vast dat het in totaal om minstens 2500 kilo moet zijn gegaan. De rol van verdachte Voor een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde transporteren van harddrugs naar Groot-Brittannië moet wettig en overtuigend worden bewezen dat de betrokkenheid van verdachte daarbij zodanig was dat hem daarvan in het kader van medeplegen een verwijt kan worden gemaakt. Van medeplegen is sprake indien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt. Niet vereist is dat verdachte zelfstandig alle ten laste gelegde bestanddelen heeft vervuld. Wel is vereist dat de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van voldoende gewicht was. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de onderlinge samenhang tussen de in deze paragraaf uitgebreid omschreven bewijsmiddelen dat verdachte opdrachtgever en ‘eigenaar’ was van de in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 oktober 2016 uitgevoerde drugstransporten van Nederland naar Groot-Brittannië. Verdachte vervulde een leidinggevende en coördinerende rol ten aanzien van die transporten. Hij onderhield contact met klanten en bepaalde welke klanten gebruik mochten maken van het transport en hoeveel zij daarvoor moesten betalen. Verder regelde verdachte dat zowel in Nederland als in Groot-Brittannië alles gereed was voor de uitvoering van de transporten. Verdachte stuurde [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en anderen daartoe aan en bepaalde hoeveel zij voor hun werkzaamheden betaald kregen. Dat verdachte nauw en bewust met anderen samenwerkte en dat zijn bijdrage aan het ten laste gelegde van voldoende gewicht was om van medeplegen te kunnen spreken blijkt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer uit de vele PGP-gesprekken die verdachte met medeverdachten en anderen over de transporten heeft gevoerd. Hoewel de naam van verdachte in zaaksdossier Gravesend (onderzoek Creek) niet veel voorkomt, kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank ook als medepleger van de in dat zaaksdossier omschreven drugstransporten worden aangemerkt. De rechtbank wijst daartoe op de overeenkomstige modus operandi in alle transporten, de contacten van verdachte met personen die bij zowel de in zaaksdossier Gravesend omschreven transporten als de in de andere zaaksdossiers omschreven transporten betrokken waren (denk bijvoorbeeld aan [G] en medeverdachte [medeverdachte 1] ), en de PGP-berichten van verdachte waarin hij schreef dat hij zich al jaren met dit soort transporten bezighield. Conclusie Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigen bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 oktober 2016, samen met anderen, grote hoeveelheden cocaïne en heroïne vanuit Nederland naar Groot-Brittannië heeft gebracht en heeft vervoerd. Partiële vrijspraak De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periodes van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 en 14 oktober 2016 tot en met 8 oktober 2018 ook heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 3 ten laste gelegde. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van die gedeeltes van de ten laste gelegde periode. 4.3.3.3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor de feiten 5 tot en met 9 Aan verdachte is onder de feiten 5, 6 en 7 ten laste gelegd dat hij, samen met een ander of anderen, wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Onder de feiten 8 en 9 is ten laste gelegd dat verdachte opzettelijk, samen met een ander of anderen, een BMW en een Volkswagen Transporter heeft geheeld. Juridische kaders Het voorhanden hebben van wapens en munitie Uit rechtspraak blijkt dat voor een veroordeling van het voorhanden hebben van wapens en munitie is vereist dat verdachte die wapens en munitie ‘min of meer’ bewust aanwezig had. Verdachte moet zich bewust zijn geweest van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de wapens en munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen of de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder moet bewezen kunnen worden dat de verdachte feitelijke macht over de wapens en munitie kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Dat betekent niet dat vereist is dat de wapens en munitie in de directe nabijheid van verdachte lagen. Opzetheling Voor een bewezenverklaring van opzetheling is vereist dat verdachte de auto voorhanden had, terwijl hij wist dat de auto van misdrijf afkomstig was. Die wetenschap moet verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed hebben gehad. Onder het voorhanden hebben van een goed valt ook het kunnen beschikken over een goed dat elders is opgeslagen. Beoordeling van de onder 5 tot en met 9 ten laste gelegde feiten Feit 7: wapens en munitie in de garagebox aan de [adres] in [woonplaats] Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] gebruikmaakten van een Renault Kangoo. De Renault is op 8 oktober 2018 in beslag genomen. In de auto werd een jumpstarter aangetroffen die overeenkwam met de jumpstarters die in 2015 in het hiervoor besproken onderzoek Wheat in beslag werden genomen. De Renault Kangoo stond op naam van [L] . Op 22 november 2018 vond een doorzoeking plaats in de garagebox aan de [adres] in [woonplaats] . De huur van de garagebox stond namelijk al zo’n 3 à 4 jaar op naam van [L] . In de garagebox stond een auto en in de kofferbak van die auto werd een machinegeweer aangetroffen van het merk Colt Canada, model C7, geschikt om zowel semi- als volautomatisch te vuren, inclusief patroonmagazijnen, vizier en een handvat met uitschuifbaar voetstuk. In de kofferbak werd ook een doos aangetroffen met daarin een plastic zak met (onder meer) 90 scherpe patronen, behorende bij het hiervoor genoemde machinegeweer. Op de binnenkant van die plastic zak werd een vingerafdruk van verdachte gevonden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met e-mailadres [naam] @pgpsafe.net het volgende bericht heeft gestuurd: ‘Heb wat super diks gekocht voor me collectie een colt c7 machine geweer met laser erop wie jij alleen ziet een nachtkijker dat mensen oplicht en een handgreep waar je die pootjes uitklapt om neer te zette echt een kanon maat hahaha’. De rechtbank is op grond van de onderlinge samenhang tussen de hiervoor omschreven bewijsmiddelen ten aanzien van feit 7, bezien in onderlinge samenhang met de overige (ook hierna nog te bespreken) bewijsmiddelen, van oordeel dat verdachte zich op 8 oktober 2018 bewust was van - en kon beschikken over - het in de garagebox aan de [adres] aangetroffen machinegeweer en de daarbij behorende munitie. Dat de vingerafdruk van verdachte op een verplaatsbaar voorwerp is aangetroffen, zoals door de raadsman benadrukt, doet daar niet aan af, nu de rechtbank de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 7 niet op zichzelf, maar in onderlinge samenhang beoordeelt. De rechtbank neemt bij die beoordeling ook in aanmerking dat verdachte, zoals hiervoor onder feit 3 al is overwogen, gebruikmaakte van katvangers voor het op naam zetten van loodsen en bedrijven, alsmede dat het een feit van algemene bekendheid is dat de onder feit 3 reeds bewezen verklaarde internationale handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met geweld en liquidaties, uitgevoerd met wapens zoals aangetroffen in de garagebox aan de [adres] in [woonplaats] . Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dat verdachte dit feit samen met een ander heeft gepleegd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen. De feiten 5, 8 en 9: wapens, handgranaten, munitie en gestolen auto’s in de garagebox aan de [adres] in [woonplaats] en de loods in [woonplaats] De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 oktober 2018, samen met medeverdachte [medeverdachte 1] , wapens, munitie en handgranaten voorhanden heeft gehad in een andere garagebox in [woonplaats] . De rechtbank wijst daartoe allereerst op het volgende. Op 8 oktober 2018 is de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] doorzocht. In de woning werd een vuilniszak aangetroffen die was verzwaard met bakstenen. In die vuilniszak zaten gestolen kentekenplaten en lege munitiedoosjes van het merk Magtech. In een ladekast op de slaapkamer van [medeverdachte 1] werd een huurcontract aangetroffen van een garagebox aan de [adres] in [woonplaats] , schuin tegenover de hiervoor besproken garagebox van nummer [nummer] . Het huurcontract stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 5] , een contact van zowel [medeverdachte 1] als verdachte. Ook lagen in de woning twee nota’s van de betaling van de huur van deze garagebox voor de periode januari 2017 tot en met januari 2019. De garagebox is diezelfde dag nog doorzocht. In de garagebox werden tien vuurwapens, tien handgranaten, munitie en munitiedoosjes van het merk Magtech aangetroffen, overeenkomstig de munitiedoosjes die in de verzwaarde vuilniszak van [medeverdachte 1] werden aangetroffen. Een deel van de wapens, munitie en handgranaten was vacuüm verpakt, net als de verdovende middelen die door verdachte, [medeverdachte 1] en anderen in de onder feit 3 bewezen verklaarde periode werden getransporteerd. Op 8 oktober 2018 is ook een loods doorzocht aan de [adres] in [woonplaats] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte deze loods op dat moment al zo’n 5 jaar huurde. In de loods werden vacuümmachines en vacuümzakken aangetroffen. Er is een vergelijkend onderzoek gedaan naar deze vacuümmachines en de vacuümzakken waarmee (een deel van) de wapens, munitie en handgranaten in de garagebox aan de [adres] waren verpakt. Op grond van de resultaten van dit onderzoek en de overige in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat (een deel van) de in de garagebox aan de [adres] aangetroffen wapens, munitie en handgranaten vacuüm waren verpakt met één van de vacuümmachines die zijn aangetroffen in de loods van verdachte in [woonplaats] , een loods die ook door medeverdachte [medeverdachte 1] werd bezocht. De rechtbank wijst verder op het al eerder genoemde PGP-bericht van verdachte aan een onbekende waarin hij vertelde dat hij een machinegeweer aan zijn collectie had toegevoegd. Verder spraken verdachte en [medeverdachte 1] ook met elkaar over vuurwapens (‘yzers’). Zo schreef verdachte op 13 oktober 2015 het volgende bericht aan [medeverdachte 1] : ‘Hahahaha jij ben maf eve een tp sturen voor ijzers dat gaat m niet worden’. Een kleine maand later, op 10 november 2015, liet [medeverdachte 1] verdachte weten: ‘Die yzer van de jet heb ik in loods liggen’. De rechtbank kent in dit kader ook betekenis toe aan het volgende. Tijdens de doorzoeking van de garagebox aan de [adres] werden niet alleen wapens, munitie en handgranaten, maar ook een auto van het merk BMW aangetroffen. De auto bleek in mei 2017 te zijn gestolen en was zwart gelamineerd, terwijl de originele kleur vermoedelijk grijs was. Verder was de auto voorzien van gestolen kentekenplaten. Deze bleken in 2001 te zijn gestolen. Bij de loods van verdachte in [woonplaats] is op 8 oktober 2018 een Volkswagen Transporter aangetroffen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte gebruikmaakte van deze Volkswagen. Uit onderzoek bleek dat de Volkswagen in maart 2016 was gestolen. De kentekenplaten op de Volkswagen bleken vals en van dezelfde diefstal afkomstig als de kentekenplaten op de BMW die in de garagebox aan de [adres] is aangetroffen. Op grond van de hiervoor besproken feiten en omstandigheden, mede bezien in het licht van de overige (ook hierna ten aanzien van feit 4 nog te bespreken) bewijsmiddelen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de garagebox aan de [adres] en dat hij daarover kon beschikken. Dat verdachte die wapens, munitie en handgranaten samen met [medeverdachte 1] voorhanden had, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder meer worden afgeleid uit de hiervoor genoemde PGP-berichten, de in de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen goederen en de omstandigheid dat verdachte en [medeverdachte 1] zich samen hebben schuldig gemaakt aan het transporteren van harddrugs naar Groot-Brittannië. Zoals eerder reeds overwogen, gaat de internationale handel in harddrugs doorgaans gepaard met het plegen van misdrijven als bedoeld in de Wet wapens en munitie. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen. Dat verdachte en [medeverdachte 1] de gestolen BMW die in de garagebox aan de [adres] in [woonplaats] samen voorhanden hadden, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit wat zojuist over de in die garagebox aangetroffen wapens en munitie is overwogen. Zoals hiervoor al gezegd, was de BMW zwart gelamineerd, terwijl de originele kleur vermoedelijk grijs was. Verder was de auto voorzien van gestolen – en daarmee valse – kentekenplaten. Daar komt bij dat bij de loods van verdachte in [woonplaats] een gestolen Volkswagen Transporter werd aangetroffen met gestolen kentekenplaten die van dezelfde diefstal afkomstig waren als de kentekenplaten op de BMW in de garagebox aan de [adres] . Gelet op het voorgaande, bezien in het licht van de andere in de garagebox aangetroffen goederen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte en [medeverdachte 1] ten tijde van het voorhanden krijgen van de BMW wisten dat deze van misdrijf afkomstig was. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 8 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is tot slot van oordeel dat ook kan worden bewezen dat verdachte de bij de loods in [woonplaats] aangetroffen Volkswagen Transporter opzettelijk heeft geheeld. Volgens de verhuurder van de loods maakte verdachte gebruik van deze auto en op camerabeelden die van de loods zijn gemaakt is ook te zien dat verdachte op 1 oktober 2018 in de Volkswagen Transporter bij de loods kwam aanrijden. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte deze auto in – tenminste – de periode van 1 tot en met 8 oktober 2018 voorhanden had. In de Volkswagen lagen dozen die gelijksoortig waren aan de dozen waarin de jumpstarters met verdovende middelen in onderzoek Wheat waren verpakt. Op de Volkswagen zaten, zoals reeds overwogen, kentekenplaten die afkomstig waren van dezelfde diefstal als de kentekenplaten op de BMW in de [adres] in [woonplaats] . Gelet op de in en op de Volkswagen aangetroffen goederen, in onderlinge samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen en de omstandigheid dat verdachte niets heeft kunnen of willen verklaren over de herkomst van de auto, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Volkswagen wist dat deze van misdrijf afkomstig was. De rechtbank acht feit 9 dan ook wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 9 ten laste gelegde medeplegen, nu het procesdossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bevat. Feit 6: wapens en munitie in de loods van medeverdachte [medeverdachte 2] in [woonplaats] De rechtbank acht ook feit 6 wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende. Zoals eerder in dit vonnis al overwogen, werden in de loods van medeverdachte [medeverdachte 2] in [woonplaats] , net als in de loods van verdachte in [woonplaats] , vacuümmachines en vacuümzakken aangetroffen. De in 2016 in Groot-Brittannië onderschepte drugs, die in opdracht van verdachte naar Groot-Brittannië waren getransporteerd, waren vacuüm verpakt met één van de vacuümmachines uit de loods van [medeverdachte 2] in [woonplaats] . In die loods werden niet alleen vacuümmachines en vacuümzakken, maar ook wapens en munitie aangetroffen. De wapens en munitie lagen in een doos die voorheen diende als verpakking van een windscherm van het merk KTM, een merk waarvan [medeverdachte 2] onderdelen bestelde voor zijn motorzaak. Deze doos stond niet in de grote benedenruimte van de loods, waar alle motoren en andere goederen stonden opgeslagen, maar op een verdiepingsvloer boven deze ruimte, die via een trap te bereiken was en met plastic was afgescheiden. Een deel van de in de loods aangetroffen wapens en munitie was vacuüm verpakt, net als de wapens in de [adres] in [woonplaats] . In de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] in [woonplaats] lag een contant geldbedrag van € 100.000,-. Dit geldbedrag was ook vacuüm verpakt. Er is een vergelijkend onderzoek gedaan naar vacuümzakken waarmee (een deel van) de wapens, munitie en het geldbedrag waren verpakt en de in de loods van verdachte (in [woonplaats] ) aangetroffen vacuümmachines. De resultaten van dit vergelijkend onderzoek zijn extreem veel (meer dan een miljoen keer) waarschijnlijker wanneer een deel van voormelde vacuümzakken is dichtgemaakt met de vacuümmachines die zijn aangetroffen in de loods in [woonplaats] , dan wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met een willekeurige andere vacuümmachine. De rechtbank heeft deze onderzoeksresultaten beoordeeld in het licht van de overige bewijsmiddelen in dit dossier en komt op grond daarvan tot de conclusie dat een deel van de wapens in de loods van [medeverdachte 2] , alsmede het in zijn woning aangetroffen geldbedrag, vacuüm waren verpakt met de vacuümmachines uit de loods van verdachte in [woonplaats] . De rechtbank wijst er verder op dat verdachte met [medeverdachte 2] via versleutelde PGP-berichten heeft gesproken over een vuurwapen. Medeverdachte [medeverdachte 2] vroeg verdachte wat ‘het pistooltje wat hier laatst lag’ hem waard was. Verdachte vroeg [medeverdachte 2] daarop naar het kaliber van het pistool en liet hem kort daarna weten dat het pistool te duur was. De rechtbank komt op grond van het samenstel van de hiervoor besproken feiten en omstandigheden, wederom bezien in het licht van het onder feit 3 bewezen verklaarde, tot de conclusie dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zich bewust waren van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de loods in [woonplaats] en dat zij daarover konden beschikken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de wapens en munitie in de loods in [woonplaats] , samen met medeverdachte [medeverdachte 2] , op 8 oktober 2018 voorhanden heeft gehad. 4.3.3.4 Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor feit 4 Onder feit 4 is ten laste gelegd dat verdachte als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Daarnaast is ten laste gelegd dat verdachte als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als het voorhanden hebben van wapens en munitie, (het voorbereiden van) moord en doodslag, het witwassen van geld uit de drugshandel, diefstal en opzetheling. De raadsman heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft gepleegd en hij heeft daartoe – met name – bewijsverweren gevoerd. Een deel van die verweren is al aan de orde gekomen in de voorgaande paragrafen. De andere bewijsverweren worden naar het oordeel van de rechtbank weerlegd door de bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Juridisch kader Deelname aan een criminele organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en in artikel 11b van de Opiumwet. Een organisatie in de zin van voormelde artikelen is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet vereist is dat verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle deelnemers aan de organisatie. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd. Dat betekent dat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Om van deelneming te kunnen spreken is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoorde en dat hij een aandeel had in – of ondersteuning gaf aan – gedragingen die strekten tot óf rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verdachte moet dus opzettelijk hebben deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Dat betekent dat hij in zijn algemeenheid moet hebben geweten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogde. Beoordeling van het ten laste gelegde Organisatie Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, worden vastgesteld dat verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] deel uitmaakten van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. Uit de duur en inhoud van de contacten van verdachte en [medeverdachte 1] met elkaar en met anderen over de organisatie en werkzaamheden met betrekking tot de drugstransporten naar Groot-Brittannië, leidt de rechtbank af dat sprake was van een duurzaam samenwerkingsverband. Dat dit samenwerkingsverband naast duurzaamheid ook een zekere structuur kende, blijkt onder meer uit de georganiseerde manier waarop transportlijnen werden opgezet en uit de onderlinge rolverdeling. Zo werden voor de start van een transportlijn bedrijven op naam van (in sommige gevallen) katvangers gezet en werden loodsen gehuurd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte het binnen het samenwerkingsverband voor het zeggen had. Hij gaf anderen, waaronder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , opdrachten en bepaalde hoeveel zij voor hun werkzaamheden betaald kregen. [medeverdachte 1] had een coördinerende en uitvoerende rol met betrekking tot de drugstransporten en [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] hadden uitvoerende en facilitaire rollen binnen de organisatie. Het oogmerk van de organisatie De rechtbank acht – anders dan door de officier van justitie en de raadsman betoogd – wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie was gericht op zowel het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet als op het plegen van andere misdrijven, waaronder het voorhanden hebben van wapens en munitie, moord, opzetheling en het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld. De rechtbank overweegt het volgende. Het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en de wet Wapens en Munitie Uit de bewijsmiddelen en voorgaande overwegingen blijkt dat het onder 3 bewezen verklaarde feit is gepleegd in georganiseerd verband. Dat het oogmerk van de organisatie was gericht op het plegen van delicten als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden afgeleid uit wat reeds in paragraaf 4.3.3.2 is overwogen. Uit het in die paragraaf overwogene blijkt ook dat de drugstransporten van de organisatie plaatsvonden in de periode van 1 januari 2014 (zaaksdossier Gravesend) tot en met 12 oktober 2016 (zaaksdossier Rainham ). Hoewel het procesdossier onvoldoende bewijs bevat voor concrete drugstransporten ná 12 oktober 2016, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder meer worden geconcludeerd dat het oogmerk van de organisatie ook ná die datum nog was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Zo is op 8 oktober 2018 in de Renault Kangoo waarvan verdachte en [medeverdachte 1] gebruikmaakten een soortgelijke jumpstarter aangetroffen als de jumpstarters waarin de verdovende middelen in 2015 in Groot-Brittannië waren verstopt (zaaksdossier Manchester/Wheat). Diezelfde dag werden in de (gestolen) Volkswagen Transporter van verdachte kartonnen dozen aangetroffen die vergelijkbaar waren met de dozen die in 2015 in Groot-Brittannië zijn onderschept. De rechtbank wijst daarnaast op het volgende. Uit verschillende in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten uit 2015 en 2016 blijkt dat verdachte met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en anderen niet alleen sprak over het transporteren van drugs, maar ook over wapens. Uit het onder de feiten 5, 6 en 7 bewezen verklaarde en uit wat daarover in de vorige paragraaf is overwogen, blijkt dat verdachte, al dan niet samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , een aanzienlijk aantal wapens, munitie en handgranaten voorhanden had in verschillende garageboxen en een loods. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wapenvoorraad in direct verband worden gebracht met de georganiseerde handel in drugs(transporten). De rechtbank wijst er nogmaals op dat het een feit van algemene bekendheid is dat de grootschalige, internationale handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met geweld en levensdelicten, uitgevoerd met wapens zoals aangetroffen in de garageboxen in [woonplaats] en de loods in [woonplaats] . Daar komt nog bij dat uit de verschillende bewijsmiddelen (waaronder het vergelijkend sporenonderzoek) blijkt dat een groot deel van de wapens, handgranaten en munitie vacuüm was verpakt met vacuümmachines uit de loods van verdachte in [woonplaats] . Zoals onder feit 3 is overwogen, werden ook de te transporteren drugs op een dergelijke manier verpakt. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat het oogmerk van de organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot 8 oktober 2018 was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het oogmerk van de organisatie in diezelfde periode – in het kader van de internationale handel in drugs – óók was gericht op het voorhanden hebben van wapens en munitie. Het voorbereiden en/of plegen van moord en/of doodslag Uit PGP-berichten van verdachte leidt de rechtbank af dat hij met [medeverdachte 1] en anderen sprak over het doden van concurrenten en/of mensen die hun (betalings)verplichtingen niet nakwamen. Zo stuurde hij in de periode van oktober 2015 tot en met mei 2016, de periode waarin de organisatie zich bezighield met de grootschalige, internationale handel in drugs, onder meer de volgende berichten aan anderen: ‘Ja ze hebbe hem allemaal late zitte en nog probere te neuke die kk zwager zoiezo die kk pet ook wie daarvandaan komt maar let op wat ik ga doen ik moet eve me kop erbij houde en me zaakjes op droge zette dan gaat er oorlog plaats vinde bij ons ik leg ze allemaal plat in een maand tijd ga alles in kaart brenge en dan achter elkaar boem boem afgelopen met ze! (…)’ ‘(…) heb idee dat [naam] gewoon vanaf begin liever niet wilt opnaam hebben! Maar luister dan heeft die mij aan lijntje gehouide en heeft die een probleem! (…) Maar ik garandeer je bro als die me laat stikke ik hem opknap! En je weet ik dreig niet bro ik doe het!’ ‘Ja dat weet ik al een tijdje en papa was town direct erheen gegaan en had hem de kans gegeven of in een kogel regen te sterve of betale toen had ik met 2dagen me geld vriend.’ Verder voerde verdachte op 17 april 2016, de dag waarop [slachtoffer 3] in IJsselstein is geliquideerd, kort na die liquidatie de volgende gesprekken: Onbekende: ‘Alles goed tijger? Hoorde knalpartij in ijsselstein. Geen bekenden toch?’ [verdachte] : ‘Weet al wie het is ouw haha niet van ons.’ [M] : Wat is er ysselstein gebeurt sir? [verdachte] : Ja ik weet niet heli cirkelt hele tijd maar nog niks over gehoort 1tje gewond AT is er ook! Wij zijn het niet hahahah en u ook niet anders vraagt u niet hahah. Dat in voorgaande berichten daadwerkelijk en serieus werd gesproken over het vermoorden (liquideren) van mensen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de organisatie waarin verdachte het voor het zeggen had, gebruikmaakte van garageboxen waarin (a.) gestolen (snelle) auto’s met gestolen kentekenplaten stonden die bij het plegen van strafbare feiten niet meteen te traceren waren, en (b.) een aanzienlijke voorraad vuurwapens, munitie en handgranaten is aangetroffen. Daarnaast kan uit PGP-berichten van verdachte worden afgeleid dat de organisatie gebruikmaakte van trackers waarmee auto’s van anderen konden worden gevolgd. De combinatie van de PGP-berichten van verdachte, zijn rol in de organisatie en de in de garageboxen aangetroffen voorraad wapens, munitie, handgranaten en snelle auto (BMW), brengt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de organisatie het oogmerk had om vanuit garageboxen liquidaties te (kunnen) plegen. De rechtbank kan niet genoeg benadrukken dat een feit van algemene bekendheid is dat de internationale, grootschalige handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met geweld en liquidaties, uitgevoerd met wapens zoals aangetroffen in dit onderzoek. Het ten laste gelegde oogmerk op het voorbereiden van liquidaties komt de rechtbank onlogisch voor. Voorbereiding (artikel 46 Sr) komt na artikel 45 Sr (poging) en is in het leven geroepen om niet gerealiseerde misdrijven, die om andere redenen dan een vrijwillige terugtred, nog niet tot een begin van een uitvoering zijn gekomen, toch strafbaar te kunnen stellen. Het is moeilijk voorstelbaar dat het oogmerk van een criminele organisatie is gericht op onvoltooide misdrijven. Opzetheling Zoals ten aanzien van de feiten 8 en 9 bewezen verklaard, heeft verdachte opzettelijk, al dan niet samen met [medeverdachte 1] , een BMW en een Volkswagen Transporter geheeld. Op die auto’s zaten gestolen kentekenplaten die van dezelfde diefstal afkomstig waren en op een kluis in de garagebox aan de [adres] lagen nog meer gestolen kentekenplaten. Verder zijn in de woning van [medeverdachte 1] een paar gestolen kentekenplaten aangetroffen. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande, in onderling verband bezien met de misdrijven die door de organisatie werden beoogd en zijn gepleegd, dat het oogmerk van de organisatie ook was gericht op het (opzettelijk) helen van auto’s en kentekenplaten. Het witwassen van het met de handel in drugs verdiende geld Uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat de criminele organisatie geld (‘pap’) verdiende met de internationale handel in drugs. Zo werd in PGP-berichten veelvuldig gesproken over de prijzen van de in opdracht van verdachte georganiseerde transporten en de prijzen van de te transporteren (en in Groot-Brittannië te verkopen) harddrugs zelf. Dat met de handel aanzienlijke geldbedragen werden verdiend, kan onder meer worden afgeleid uit een gesprek van verdachte met een vast contact van hem en van [medeverdachte 1] in april 2016. Verdachte besprak met diegene wat ze overhielden na aftrek van de kosten van het drugstransport, waarop verdachte schreef: ‘Ik doe het nog voor de kids, voor mezelf ben ik al lang klaar’. Typerend zijn ook de in de bewijsbijlage opgenomen gesprekken tussen verdachte en [slachtoffer 2] in 2015 waarin onder meer het volgende werd gezegd: ‘ [verdachte] : (…) als klant ok vind is het goed haha ik hoef het gelukkig niet op te snuive die kk zooi. [slachtoffer 2] : Klopt klant is koning nee weg met die rotzooi is om centen te maken niet om junk te worden (…) en [slachtoffer 2] : Ik heb 3000 euro gezegd voor tp (…) is 16000 met zn 2 en lekker verdient toch? [verdachte] : (…) Kijk bro we verdiene (…) aan transport.’ Om in de onderhavige zaak tot een bewezenverklaring van voormeld oogmerk te komen, is ingevolge artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr niet alleen vereist dat het wit te wassen geld afkomstig was uit eigen misdrijf, maar ook dat de criminele organisatie beoogde dat geld te verwerven, gebruiken, voorhanden te hebben of om te zetten. Met het omzetten van het geld wordt het wisselen van geld met een andere geldswaarde of met handelsartikelen bedoeld. Van gebruikmaken in de zin van artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr is sprake als het geld wordt aangewend ten behoeve van de witwasser zelf of van derden. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de criminele organisatie het met de handel in harddrugs verdiende geld heeft omgezet en gebruikt. Zo werden op de bankrekeningen van de bedrijven [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 7] B.V. – bedrijven die door de criminele organisatie werden gebruikt voor het uitvoeren van een aantal van de onder 1 bewezen verklaarde drugstransporten – aanzienlijke contante geldbedragen gestort. Daarnaast ontving medeverdachte [medeverdachte 3] tijdens zijn verblijf in Groot-Brittannië met regelmaat contante geldbedragen ten behoeve van zijn werkzaamheden voor de organisatie. Nu de rechtbank in het dossier geen enkele logische en legale verklaring heeft kunnen vinden voor de herkomst van deze contante geldbedragen en hierover in het geheel geen verklaringen zijn afgelegd door verdachte en zijn medeverdachten, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat deze bedragen afkomstig zijn van de handel in drugs. De criminele organisatie heeft deze contante geldbedragen witgewassen door ze op de rekeningen van voormelde bedrijven te storten en vervolgens – ten behoeve van de organisatie zelf – te gebruiken voor het (giraal) betalen van (a.) de huur van de loodsen in Nederland en Groot-Brittannië, (b.) rekeningen van transportbedrijven en (c.) rekeningen van een [webwinkel] en een bedrijf in Polen dat handelt in accu’s en batterijen. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft de door hem ontvangen contante geldbedragen witgewassen door er bijvoorbeeld zijn verblijf in het Britse hostel van te betalen. [medeverdachte 3] verbleef in dat hostel in het kader van zijn werkzaamheden voor de criminele organisatie. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie óók was gericht op het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld (als bedoeld in artikel 420bis Sr). Over het in de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen geldbedrag van € 100.000,- overweegt de rechtbank nog dat nu verdachte en [medeverdachte 2] beiden lid waren van een criminele organisatie die (onder andere) zag op het transport van harddrugs, kan het, mede gezien de omvang van het bedrag, niet anders zijn dan dat het in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen geldbedrag, dat was geseald met de vacuümmachine die is aangetroffen in de al meerdere keren genoemde loods van verdachte in [woonplaats] , ook afkomstig is van de handel in drugs. Het enkele verstoppen van dit geldbedrag door [medeverdachte 2] op zijn zolder levert nog geen witwassen op in de zin van artikel 420bis Sr, maar voor een bewezenverklaring van het oogmerk van de criminele organisatie is voldoende dat het witwassen van dat geldbedrag door de organisatie werd beoogd. Dat dit laatste het geval is, acht de rechtbank bewezen omdat de organisatie in het kader van de drugshandel de transporten (deels) financierde met contant geld dat – zoals mag worden aangenomen – afkomstig was uit de opbrengsten van eerdere transporten. Tussenconclusie over het oogmerk van de organisatie Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot 8 oktober 2018 was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet én op het plegen van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie, opzetheling en witwassen. De rol van verdachte Uit het voorgaande en de bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van de feiten 3 en 5 tot en met 9 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte gedurende de hiervoor genoemde periode, samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en één of meer anderen opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte met alle hiervoor genoemde personen contact heeft gehad doet daar niet aan af, nu voor een bewezenverklaring niet is vereist dat verdachte met alle deelnemers aan de organisatie heeft samengewerkt. Zowel verdachte als zijn medeverdachten hebben een aandeel gehad in gedragingen die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Uit wat daarover in de vorige paragrafen is overwogen, blijkt zonder meer dat verdachte er van op de hoogte was dat het plegen van misdrijven het oogmerk van de organisatie was. De rechtbank acht niet alleen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, maar ook dat verdachte dit als leider heeft gedaan. Uit de bewijsmiddelen – en dan met name uit de inhoud van de PGP-berichten die door en aan verdachte werden gestuurd – blijkt immers dat verdachte het binnen de organisatie voor het zeggen had. Verdachte bepaalde welke werkzaamheden de andere deelnemers moesten verrichten en op welke manier zij dit moesten doen. De andere deelnemers werden voor hun werkzaamheden door verdachte betaald. Conclusie Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 oktober 2018 als leider, samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en één of meer anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Het oogmerk van die criminele organisatie was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en op het plegen van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie, het plegen van opzetheling en het witwassen van geld dat afkomstig was uit de handel in drugs. Partiële vrijspraak De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte, al dan niet als leider, heeft deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk had het voorbereiden van moorden en het plegen van diefstallen. Het procesdossier bevat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank acht om diezelfde reden niet bewezen dat de organisatie was gericht op het transporteren van softdrugs. Dat verdachte met medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] heeft deelgenomen aan de organisatie kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin wettig en overtuigend worden bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van deze onderdelen van het onder feit 4 ten laste gelegde. Dat geldt ook voor de onder feit 4 ten laste gelegde periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014, nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte in die periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 3. in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 oktober 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland – te weten naar Groot-Brittannië – heeft gebracht en heeft vervoerd, telkens grote hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde middelen vermeld op de bij die wet behorende lijst I; 4. in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 oktober 2018 te Nieuwegein en [woonplaats] en [woonplaats] en/of elders in Nederland en/of in Groot-Brittannië, als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet; en in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 oktober 2018 te Nieuwegein en Tull en 't Waal en Oss en/of elders in Nederland en/of Groot-Brittannië, als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had h

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.