← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:1228

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Locatie Utrecht, zitting houdende in de beveiligde rechtbank ‘De Bunker’ in Amsterdam Parketnummer: 16/707362-17 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 29 maart 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1987] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] te [woonplaats] , op dit moment gedetineerd in het Huis van Bewaring P.I. Nieuwegein. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op: 23 januari 2019, 10 april 2019, 5 juni 2019, 28 augustus 2019, 11 september 2019, 15 november 2019 (regie-/pro formazittingen);  30 30 januari 2020, 23 april 2020, 6 mei 2020, 7 juli 2020, 25 september 2020 (pro formazittingen) en 5, 6, 9, 10, 11, 12 en 13 november 2020 (inhoudelijke behandeling);  30 29 januari 2021 (pro formazitting);  30 29 maart 2021 (sluiting van het onderzoek). De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de standpunten en de vordering van de officieren van justitie, mrs. B.E.M. van de Ven en J. Zeilstra (hierna gezamenlijk te noemen: de officier van justitie), en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Aanleiding Dit vonnis betreft de strafzaak van de verdachte [verdachte] . Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam 09Napoles. Onderzoek 09Napoles werd in december 2016 opgestart naar aanleiding van een reeks liquidaties, waaronder die van [slachtoffer 1] in september

  1. In de telefoon van [slachtoffer 1] werden versleutelde berichten aangetroffen over internationale drugshandel die vermoedelijk afkomstig waren van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Verder bleek uit Engelse onderzoeken naar een aantal in 2015 en 2016 onderschepte drugstransporten dat verdachte en een aantal medeverdachten vermoedelijk betrokken waren bij deze transporten. De Engelse politie heeft via rechtshulpverzoeken contact opgenomen met de Nederlandse autoriteiten, wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat een groot aantal Engelse dossierstukken aan het dossier 09Napoles zijn toegevoegd. Verdachte en zijn medeverdachten, genaamd [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn na een langdurig opsporingsonderzoek aangehouden in oktober
  2. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting van 28 augustus 2019 nader omschreven. Op de zitting van 5 november 2020 is die nader omschreven tenlastelegging gewijzigd. Deze tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
  3. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland, samen met anderen, meerdere keren grote hoeveelheden harddrugs buiten het grondgebied van Nederland naar Groot-Brittannië heeft gebracht en/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd;
  4. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland en/of Groot-Brittannië als leider, samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en/of anderen, heeft deelgenomen aan: a. een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en/of b. een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van de volgende misdrijven: - (voorbereiding van) moord en/of doodslag; - het voorhanden hebben van wapens en munitie; - het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig uit de drugshandel; - diefstal; - opzetheling;
  5. op 8 oktober 2018 in Bilthoven , samen met anderen, wapens, handgranaten en munitie voorhanden heeft gehad;
  6. op 8 oktober 2018 in Oss, samen met anderen, wapens en munitie voorhanden heeft gehad;
  7. op 8 oktober 2018 in Bilthoven , samen met anderen, een auto voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze auto van misdrijf afkomstig was. 3VOORVRAGEN Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, moeten de volgende voorvragen worden beantwoord: Is de dagvaarding geldig? Is de rechtbank bevoegd om deze zaak te beoordelen? Is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte? Zijn er redenen om de vervolging uit te stellen? De raadsman heeft in dit kader betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 nietig moet worden verklaard. Daarnaast heeft de raadsman de rechtbank verzocht de officier van justitie – bij gebrek aan rechtsmacht – niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte ten aanzien van een gedeelte van het dossier, te weten het zaaksdossier met de naam ‘Manchester’. Geldigheid van de dagvaarding In artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald aan welke eisen een belangrijk deel van de dagvaarding, namelijk de tenlastelegging, moet voldoen. Eén van die eisen is dat in de tenlastelegging voldoende feitelijk en duidelijk is omschreven wat verdachte wordt verweten, zodat hij weet waartegen hij zich moet verdedigen. De raadsman heeft betoogd dat de tenlastelegging van feit 1 onvoldoende feitelijk en duidelijk is. Het is verdachte bijvoorbeeld niet duidelijk bij welke drugstransporten hij volgens de officier van justitie precies betrokken is geweest. Dat betekent dat de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv. De raadsman heeft de rechtbank daarom verzocht de dagvaarding ten aanzien van feit 1 nietig te verklaren. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de tenlastelegging kan worden afgeleid dat feit 1 met name ziet op de betrokkenheid van verdachte bij meerdere transporten van grote hoeveelheden harddrugs van Nederland naar Groot-Brittannië. De rechtbank is van oordeel dat dit voldoende feitelijk en duidelijk is. Dat in de tenlastelegging niet is gespecificeerd bij welke drugstransporten verdachte precies betrokken zou zijn geweest, doet daar niet aan af. Het dossier biedt in dat kader genoeg verheldering. Daar komt bij dat op grond van wat door en namens verdachte ter terechtzitting is aangevoerd kan worden geconcludeerd dat het de verdediging feitelijk gezien duidelijk was welke verwijten verdachte worden gemaakt en waartegen hij zich dus moest verdedigen. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman. Nu de dagvaarding ook overigens voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv is de dagvaarding geldig. Ontvankelijkheid van de officier van justitie De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van een deel van het procesdossier, te weten het zaaksdossier ‘Manchester’, omdat de officier van justitie ten aanzien van dat dossier geen rechtsmacht heeft. Het dossier ‘Manchester’ bevat geen strafbare zaken voor de Nederlandse wet, nu geen transport heeft plaatsgevonden van of naar Nederlands grondgebied, maar van de Dominicaanse Republiek naar Groot-Brittannië, aldus de raadsman. De rechtbank oordeelt als volgt. Onderzocht dient te worden of rechtsmacht bestaat op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ingevolge dit artikel is de Nederlandse strafwet van toepassing op iedereen die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Volgens vaste jurisprudentie en op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling is naast vervolging van een strafbaar feit in Nederland ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden vervolging mogelijk, mits deze gedragingen deel uitmaken van een strafbaar feit dat zowel in Nederland als in het buitenland is gepleegd. De rechtsmacht geldt in dat geval voor het gehele feitencomplex. In de tenlastelegging zijn onder 1 en 2 feiten opgenomen die zijn gepleegd in Nederland of in Nederland én Groot-Brittannië. De Nederlandse strafwet is daarom op het geheel van het onder 1 en 2 aan verdachte ten laste gelegde van toepassing. De officier van justitie is dus ontvankelijk in de vervolging. Het transport dat zou hebben plaatsgevonden vanuit de Dominicaanse Republiek naar Groot-Brittannië is niet in de tenlastelegging opgenomen. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de stukken in het zaaksdossier ‘Manchester’ niet mogen worden gebruikt als ondersteunend bewijs van de wél onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, geldt dat deze vraag moet worden beantwoord in het kader van de waardering van het bewijs. Antwoorden op de voorvragen De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een formele belemmering die maakt dat de rechtbank deze strafzaak niet inhoudelijk kan beoordelen. De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor alle ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft daarbij wel betoogd dat verdachte van een deel van het onder feit 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen (of voorbereiden) van moorden en misdrijven als diefstal, heling en witwassen. De rechtbank zal de standpunten van de officier van justitie – ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis en voor zover van belang voor de beoordeling – bespreken in paragraaf 4.
  8. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten. Ook zijn standpunten worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.
  9. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 4 ten laste gelegde. De rechtbank zal deze vrijspraak in paragraaf 4.3.4 nader motiveren. 4.3.2 Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 5 De rechtbank merkt vooraf het volgende op. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in een bij dit vonnis gevoegde bijlage (bijlage II) en dienen op deze plaats als ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt voor het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. 4.3.3 Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 5 4.3.3.1 Overwegingen ten aanzien van de voor het bewijs gebruikte PGP-mailberichten De rechtbank heeft voor het bewijs van de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten gebruik gemaakt van mailberichten die zijn verstuurd met zogeheten Pretty Good Privacy (PGP)-telefoons, telefoons waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd. Voordat de rechtbank (in de paragrafen 4.3.3.2 t/m 4.3.3.5) nader ingaat op de aan verdachte ten laste gelegde feiten, gaat de rechtbank in deze paragraaf – ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis – in op de PGP-mailadressen die aan verdachte en medeverdachten worden toegeschreven en op de verweren die de raadsman daarover, en over PGP-berichten in het algemeen, heeft gevoerd. Tot slot wijdt de rechtbank in deze paragraaf een overweging aan het versluierde taalgebruik dat in de PGP-berichten wordt gehanteerd. De PGP-mailadressen van verdachte en medeverdachten Het procesdossier bevat veel PGP-mailberichten die volgens de officier van justitie door verdachte en zijn medeverdachten zijn verstuurd. Volgens de raadsman kan echter niet worden bewezen dat verdachte de gebruiker is geweest van de aan hem toegeschreven mailadressen. De rechtbank ziet dit anders en heeft daaraan in bijlage II (de bewijsbijlage) een overweging gewijd, die als hier ingelast moeten worden beschouwd (paragraaf 1.4 van bijlage II). Dat geldt ook voor de in die bijlage opgenomen overwegingen ten aanzien van de mailadressen die aan de medeverdachten worden toegeschreven (paragrafen 1.1 t/m 1.3 van bijlage II). In die overwegingen concludeert de rechtbank, kortgezegd, dat: - verdachte gebruik heeft gemaakt van de PGP-mailadressen: [PGP-mailadres] @pgpsafe.net, @activeshield.net, [PGP-mailadres] @encromail.ch, [PGP-mailadres] @pgpsafe.net en @encromail.ch; - [medeverdachte 1] gebruik heeft gemaakt van de PGP-mailadressen: [PGP-mailadres] @pgpsafe.net, [PGP-mailadres] @activeshield.net en [bijnaam] @pgpsafe.net; - [medeverdachte 2] gebruik heeft gemaakt van PGP-mailadres: [PGP-mailadres] @ennetcom.biz; - [medeverdachte 3] gebruik heeft gemaakt van PGP-mailadres: [PGP-mailadres] @pgpsafe.net. Vormverzuimen met betrekking tot PGP-berichten, afkomstig van de servers van Ennetcom De PGP-mailberichten die zijn opgenomen in het procesdossier zijn afkomstig van in beslag genomen PGP-telefoons en van de servers van PGPsafe en Ennetcom. Het Nederlandse bedrijf Ennetcom leverde diensten op het gebied van versleutelde communicatie. Met telefoontoestellen voorzien van specifieke software konden via mailadressen versleutelde berichten worden verzonden. De gebruikers van de telefoons en mailadressen konden zo (schijnbaar) anoniem communiceren. De encryptiesleutels waren opgeslagen op de servers van Ennetcom in Canada. In april 2016 – na een rechtshulpverzoek van Nederland aan de Canadese autoriteiten – zijn de gegevens op de Ennetcom-servers veiliggesteld. Het rechtshulpverzoek zag op vier lopende strafrechtelijke onderzoeken, waarvan het onderzoek 09Napoles geen deel uitmaakte; dit onderzoek is pas in december 2016 opgestart. In september 2016 besliste het Superior Court of Justice in Canada dat de bij Ennetcom in beslag genomen data aan Nederland mochten worden verstrekt, maar alleen in de vier voormelde onderzoeken mochten worden gebruikt. De Canadese rechter bepaalde daarbij dat in andere onderzoeken enkel gebruik kan worden gemaakt van Ennetcom-data indien een Nederlandse rechter daarvoor toestemming heeft gegeven, om ‘fishing expeditions’ van de Nederlandse autoriteiten te voorkomen en om derden te beschermen. De raadsman heeft onder verwijzing naar de verweren die door raadslieden in 2018 in de Tandem III zaak zijn gevoerd, betoogd dat de berichten uit de Ennetcom-servers niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat ten aanzien van de verkrijging van deze berichten sprake is van onherstelbare en verstrekkende vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat volgens hem in het voorbereidend onderzoek in de zaak van verdachte is gehandeld: in strijd met de bedoeling van de Canadese rechter; in strijd met artikel 126ng, tweede lid, Sv, nu een ongeclausuleerde machtiging door de rechter-commissaris zou zijn afgegeven; - in strijd met het recht op privacy als bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De raadsman heeft verder gesteld dat het Nederlands onderzoeksteam de Ennetcom-gegevens nooit met de Britse autoriteiten had mogen delen, gelet op de voorwaarden die de Canadese rechter hieromtrent heeft gesteld. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake kan zijn van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv indien strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek niet zijn nageleefd. De rechtbank is van oordeel dat daarvan ten aanzien van de verkrijging van de Ennetcom-data geen sprake is en overweegt daartoe het volgende. De Canadese rechter heeft op 19 september 2016 bepaald dat in onderzoeken als het onderhavige onderzoek 09Napoles enkel na een machtiging van de Nederlandse rechter toegang kan worden verkregen tot de berichten op de servers van Ennetcom. De Canadese rechter heeft geen nadere voorwaarden of beperkingen gesteld aan het doorzoeken en het gebruiken van informatie uit die servers. Uit de beschikkingen van de rechter-commissaris van 17 april 2018 en 11 februari 2019 in het onderzoek 09Napoles blijkt dat de rechter-commissaris machtigingen heeft afgegeven voor het verrichten van onderzoek aan en in de gegevens op de servers van Ennetcom. Dit waren – anders dan door de raadsman betoogd – geen ongeclausuleerde machtigingen. De rechter-commissaris heeft in zijn beschikkingen immers bepaald dat het onderzoek – ter voorkoming van zogeheten ‘fishing expeditions’ waardoor de belangen van derden in het gedrang zouden kunnen komen – moest worden gericht op gegevens die betrekking hebben op verdachte en zijn medeverdachten en op de feiten waarvan zij werden verdacht. Dit maakt dat in het voorbereidend onderzoek in de zaak van verdachte naar het oordeel van de rechtbank níet is gehandeld in strijd met a. de bedoeling van de Canadese rechter en b. artikel 126ng, tweede lid, Sv. De rechtbank is van oordeel dat evenmin is gehandeld in strijd met artikel 8 EVRM, nu het onderzoek noodzakelijk was en de machtigingen van de rechter-commissaris voldoende waarborgen boden om een onnodige inbreuk op de privacy van verdachte en andere Ennetcom-gebruikers te voorkomen. Gelet op al het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv. Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat het Nederlandse onderzoeksteam de gegevens nooit met het Verenigd Koninkrijk had mogen delen overweegt de rechtbank allereerst dat uit het onderzoek niet is gebleken dat het Nederlandse onderzoeksteam de hem gegeven bevoegdheid om onderzoek te doen in de Ennetcomdata heeft overgedragen of overgelaten aan een onderzoeksteam uit het Verenigd Koninkrijk. Voor zover de verdediging meent dat specifieke uit het Nederlandse onderzoek voortkomende informatie in het kader van justitiële samenwerking niet mocht worden gedeeld met de Britse collegae, vindt dat standpunt geen steun in de wet of het recht. De betrouwbaarheid van PGP-berichten, afkomstig van de servers van Ennetcom De raadsman heeft ook betoogd dat de in het dossier opgenomen berichten die afkomstig zijn van de servers van Ennetcom in zijn algemeenheid niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat de berichten niet betrouwbaar kunnen worden geacht. De raadsman heeft hiertoe enkel verwezen naar algemene betrouwbaarheidsverweren die zijn gevoerd in de strafzaak met de onderzoeksnaam Bosnië, waarin uiteindelijk vonnis is gewezen door de rechtbank Gelderland op 26 juni
  10. De algemene betrouwbaarheidsverweren zijn in dit vonnis verworpen en de rechtbank Gelderland heeft daar een uitgebreide overweging aan gewijd. Verdachte in de onderhavige zaak heeft geen verklaring willen afleggen over aan hem toegeschreven mailadressen en -berichten en de raadsman heeft de algemene betrouwbaarheidsverweren op geen enkele manier concreet gemaakt of anderszins met feiten of omstandigheden onderbouwd. De rechtbank verwerpt deze verweren dan ook onder verwijzing naar het algemene deel van de overweging van de rechtbank Gelderland in voormeld vonnis onder het kopje ‘De betrouwbaarheid en authenticiteit van de Ennetcom-data’.De rechtbank neemt deze overweging over en maakt die tot de hare. De raadsman heeft in het kader van de betrouwbaarheid van PGP-berichten verder nog gesteld dat het in het algemeen zo is dat PGP-mailadressen meerdere keren (na elkaar) konden worden uitgegeven, zodat identificatie en berichten niet bij elkaar hoeven te horen. De rechtbank merkt dienaangaande allereerst op dat verdachte nooit heeft toegegeven op enig moment wel gebruiker te zijn geweest van één van de aan hem toegeschreven adressen. Dat in het geval van verdachte sprake is geweest van onterechte toeschrijving met betrekking tot de mailadressen die (in slechts beperkte periodes) aan verdachte zijn toegeschreven, is niet aannemelijk geworden en is ook anderszins niet gebleken uit het procesdossier. Integendeel, de rechtbank is er – met name op grond van de inhoud van de berichten, bezien in samenhang met de identificerende en andere bewijsmiddelen – van overtuigd dat het verdachte is geweest die de in de bewijsmiddelen opgenomen berichten heeft verstuurd en/of ontvangen. Het versluierde taalgebruik in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten Uit de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten leidt de rechtbank af dat verdachte, medeverdachten en anderen vaak door middel van versluierde taal communiceerden. Voor de deelnemers aan de gesprekken is duidelijk waarover wordt gesproken, maar op basis van de letterlijke tekst van de gesprekken is dat voor een buitenstaander niet per se het geval. Om de betekenis en strekking van de in de bewijsmiddelen weergegeven woorden en gesprekken te duiden, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De rechtbank heeft daarbij onder meer rekening gehouden met de continuïteit waarmee bepaalde woorden of uitdrukkingen voorkomen, de context waarin deze worden gebruikt, gebeurtenissen waarvan is vastgesteld dat deze hebben plaatsgevonden en met de in het onderzoek aangetroffen en/of in beslag genomen goederen. Ten behoeve van de leesbaarheid van de in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten en de hierna volgende overwegingen, stelt de rechtbank ten aanzien van een aantal veelgebruikte woorden het volgende vast. Verdovende middelen In de bewijsbijlage zijn PGP-berichten opgenomen van verdachte, [medeverdachte 1] en anderen die zijn verzonden in de periode van 24 augustus 2015 tot en met 31 mei
  11. Uit die PGP-berichten blijkt dat in deze periode veelvuldig werd gesproken over het transporteren van goederen naar Groot-Brittannië. De goederen die naar Groot-Brittannië moesten worden getransporteerd werden doorgaans aangeduid met woorden als ‘vieze’, ‘dure’, ‘wit’ en ‘bruin’ en een enkele maal met ‘rolex’, ‘charlie’, ‘goede vrouwen’, ‘aa’ en ‘eagle’. Dat met deze woorden harddrugs werden bedoeld, kan naar het oordeel van de rechtbank onder meer worden afgeleid uit de context waarin de woorden werden gebruikt. Zo werd in gesprekken over het transporteren van (de met voormelde woorden aangeduide) goederen veelvuldig gesproken over aantallen en inkoop- en verkoopprijzen. Daarnaast werd gesproken over junks die ‘vieze’ en/of ‘dure’ hebben getest, over het uitkoken van de handel, over ‘vieze’ die alleen kan worden gespoten, over het opsnuiven van ‘die kkzooi’ en over de kwaliteit, glans en geur van ‘vieze’ en/of ‘dure’. Dat met de hiervoor genoemde woorden specifiek heroïne en cocaïne werden bedoeld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende. Het zijn feiten van algemene bekendheid dat cocaïne wit van kleur is en heroïne bruin, en dat cocaïne doorgaans wordt gesnoven en heroïne geïnjecteerd (‘gespoten’). In straattaal wordt voor cocaïne doorgaans het woord ‘wit’ gebruikt en voor heroïne het woord ‘bruin’. Het staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook vast dat verdachte, [medeverdachte 1] en hun gesprekspartners de woorden ‘wit’ en ‘bruin’ gebruikten als zij spraken over cocaïne en heroïne. Dat met ‘dure’, ‘charlie’ en ‘rolex’ ook cocaïne werd bedoeld en met ‘vieze’ heroïne, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit – onder meer – de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] van augustus en september
  12. Uit die gesprekken en de aantallen die daarin worden genoemd kan namelijk worden afgeleid dat de woorden ‘dure’, ‘charlie’ en ‘rolex’ als synoniemen van het woord wit werden gebruikt en dat het woord ‘vieze’ een ander woord was voor ‘bruin’. Daar komt nog bij dat niet alleen op grond van de (context en inhoud van) de PGP-berichten zelf, maar ook op grond van andere bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat verdachte, [medeverdachte 1] en hun gesprekspartners spraken over de drugssoorten cocaïne en heroïne. Zo blijkt uit hierna nog te bespreken bewijsmiddelen dat verdachte en een aantal medeverdachten betrokken waren bij het transporteren van drugs naar Groot-Brittannië. De rechtbank gaat verderop in het vonnis nader in op die betrokkenheid. In dit kader is echter van belang dat bij de onderschepping van die transporten enkel heroïne en cocaïne zijn aangetroffen. Gelet op al het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten met de woorden ‘vieze’, ‘dure’, ‘wit’, ‘bruin’, ‘rolex’, ‘charlie’ en ook ‘goede vrouwen’, ‘aa’ en ‘eagle’, cocaïne en/of heroïne werden bedoeld. Geld Het woord ‘pap’ komt in veel PGP-gesprekken voor. ‘Pap’ (afkorting van ‘paper’) is straattaal voor geld. Dat verdachte en anderen met het woord ‘pap’ ook daadwerkelijk geld bedoelden, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid uit de inhoud en context van de PGP-berichten, bezien in het licht van de overige, hierna nog te bespreken bewijsmiddelen in dit dossier. [medeverdachte 1] sprak bijvoorbeeld met regelmaat over het wisselen van ‘pap’ bij een wisselaar. In één van die gesprekken vroeg hij of hij de ‘pap’ – zodra het was gestort – moest afgeven bij de wisselaar van zijn gesprekspartner. In een ander gesprek schreef hij dat ze elke paar ‘mil’ wisselen. Medeverdachte [medeverdachte 3] mailde [medeverdachte 1] dat hij het waarschijnlijk wel zou redden met het geld dat hij nog over had. [medeverdachte 1] schreef daarop dat het wel goed zou komen, omdat [medeverdachte 3] de volgende dag waarschijnlijk weer ‘pap’ kon aanpakken. Vuurwapens Het woord ‘yzer’ komt in enkele voor het bewijs gebruikte PGP-berichten voor. In straattaal wordt voor de woorden vuurwapen en/of pistool doorgaans het woord ‘yzer’ gebruikt. Dat met het woord yzer in de voor het bewijs opgenomen PGP-berichten ook daadwerkelijk een vuurwapen wordt bedoeld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit de omstandigheid dat onder de (mede)verdachten die het woord ‘yzer’ in hun PGP-berichten gebruikten, een aanzienlijk aantal wapens en munitie is aangetroffen. Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij het bespreken van PGP-berichten in de hierna volgende overwegingen de woorden cocaïne, heroïne, geld en (vuur)wapen gebruiken in plaats van de hiervoor besproken verdekte termen. 4.3.3.2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor feit 1 Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018, in Nederland samen met anderen, opzettelijk grote hoeveelheden cocaïne en heroïne van Nederland naar Groot-Brittannië heeft gebracht en/of heeft verstrekt, verkocht, afgeleverd en vervoerd. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de volgende vaststellingen, overwegingen en conclusies. De feiten De feiten met betrekking tot onderzoek Creek (Gravesend) Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.1, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Onderschepping Onderzoek Creek is een drugsonderzoek van de politie te Gravesend, een plaats in het graafschap Kent in Engeland (Groot-Brittannië). Op 5 maart 2015 werd door de politie in Gravesend gezien dat [A] een koffer overhandigde aan een persoon genaamd [B] . In deze koffer zaten – zo bleek later – tien blokken met verdovende middelen. In de auto van [A] werden drie exact dezelfde koffers aangetroffen waarin ook een aantal pakjes met verdovende middelen zat. Uit in Groot-Brittannië verricht laboratoriumonderzoek bleek dat het in totaal ging om ongeveer dertig kilo heroïne en twaalf kilo cocaïne. Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat het daadwerkelijk ging om heroïne en cocaïne, omdat het Britse laboratoriumonderzoek zelf niet aan het dossier 09Napoles is toegevoegd. De rechtbank gaat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel echter uit van de juistheid van de informatie die in het kader van het rechtshulpverzoek is verstrekt door de Britse autoriteiten. De raadsman heeft niet uitgelegd waarom aan die informatie moet worden getwijfeld en de rechtbank ziet daartoe geen aanleiding. [A] bleek te verblijven in hotel [hotel] in [woonplaats] . Hij verbleef daar samen met [C] . [A] en [C] zijn in Groot-Brittannië uiteindelijk veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de handel in verdovende middelen. [C] en [A] bleken al zo’n half jaar regelmatig in hotel [hotel] te hebben overnacht. Uit reisgegevens blijkt dat [C] en [A] in de periode van 29 april 2014 tot en met 4 maart 2015 nagenoeg iedere maand één- tot tweemaal voor één of enkele dagen naar Groot-Brittannië zijn gereisd, zowel samen als alleen. Op 29 april, 8 mei en 19 mei 2014 vloog [C] niet samen met [A] , maar met verdachte van Amsterdam naar Londen. Uit bonnen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen kan worden afgeleid dat hij kort daarvoor, namelijk op 12 en 13 maart 2014, heeft overnacht in het hiervoor al genoemde hotel [hotel] in Gravesend. Bedrijven en loodsen In de hotelkamer van [A] en [C] werd een transportbrief aangetroffen van het bedrijf [bedrijf 1] Ltd. met daarop het adres van een loods in [woonplaats] (ook in het graafschap Kent). Dit bedrijf stond op naam van een persoon genaamd [D] . Hij huurde ook de loods in [woonplaats] . In die loods zijn op 6 maart 2015 – onder meer – ontvangstbewijzen voor zwarte koffers, een vorkheftruck, krimpfolie en een groot aantal dozen van www. [bedrijf 2] .nl aangetroffen. In en naast die dozen lagen jumpstarters/acculaders. Een aantal in de loods aangetroffen jumpstarters/acculaders was hol van binnen. De accu’s waren uit deze jumpstarters/acculaders verwijderd en vervangen door een met lood beklede verpakking. In deze accu’s paste ongeveer een kilo van de verdovende middelen, precies de grootte van een pak. Tijdens de doorzoeking van de loods in [woonplaats] kwam een chauffeur met een Nederlandse vrachtwagen aan bij de loods, die daar pallets met auto-onderdelen kwam ophalen. Hij had een vrachtbrief bij zich waaruit bleek dat de pallets moesten worden vervoerd naar een bedrijf met een loods aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de loods in [woonplaats] ). Deze loods bleek te zijn gehuurd door [D] , de persoon die ook de loods in [woonplaats] huurde. In de loods in [woonplaats] werden (ook) een vorkheftruck, dozen met krimpfolie en ( [bedrijf 2] dozen met) acculaders aangetroffen. Een aantal acculaders was uitgehold en met lood bekleed, op exact dezelfde manier als de jumpstarters/acculaders in de loods in [woonplaats] . De eigenaar en verhuurder van de loods in [woonplaats] zag wekelijks personen die bij de loods bezig waren pallets met dozen met acculaders te laden en lossen en herkende verdachte als een van de personen die hier wel eens bij was. Transportbrief in woning van verdachte Eind juni 2014 is de woning van verdachte in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek doorzocht. In de woning werd een transportbrief aangetroffen die overeenkwam met de transportbrief die de chauffeur bij zich had toen hij op 6 maart 2015 aankwam bij de loods in [woonplaats] . De transportbrief in de woning van verdachte had namelijk betrekking op 31 pallets met auto-onderdelen die op 6 juni 2014 namens het hiervoor al genoemde bedrijf [bedrijf 1] Ltd. vanaf de loods in [woonplaats] moesten worden getransporteerd naar de loods in [woonplaats] . Naast de transportbrief werden in de woning van verdachte ook een (Engelse) aankoop- en transportbon van een vorkheftruck van 4 maart 2014 aangetroffen. Deze vorkheftruck moest worden afgeleverd bij de loods van [bedrijf 1] Ltd. in [woonplaats] . Transporten De dagen 6 juni 2014 en 5 maart 2015 blijken niet de enigen te zijn waarop transporten van auto-onderdelen plaatsvonden tussen de loods in [woonplaats] en de loods van het bedrijf [bedrijf 1] Ltd. in [woonplaats] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het eerste transport tussen beide loodsen plaatsvond op 12 maart 2014, de dag waarop verdachte overnachtte in hotel [hotel] . Het ging om een lading auto-onderdelen van [bedrijf 2] , die in opdracht van een Nederlands bedrijf op naam van [D] naar het Engelse bedrijf op naam van diezelfde [D] ( [bedrijf 1] Ltd.) werd getransporteerd. Na dat eerste transport vonden tot en met 5 maart 2015 minimaal 17 transporten plaats (nagenoeg één tot tweemaal per maand) van telkens zo’n 28 tot 34 pallets met auto-onderdelen (vaak omschreven als [bedrijf 2] , Nip(p)arts, of car parts). Binnen 2 tot 5 dagen na aankomst van zo’n transport in [woonplaats] ging weer eenzelfde transport retour naar de loods in [woonplaats] . Volgens de eigenaar en verhuurder van de loods in [woonplaats] leek het erop dat iedere keer niet soortgelijke, maar exact dezelfde pallets met acculaders werden gebracht en gehaald: ‘(…) dan kwam bijvoorbeeld een week later weer een doos met een zelfde scheur erin terug’, aldus de eigenaar. Verklaring verdachte Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in 2014 een paar keer met [C] naar Engeland is gevlogen omdat hij in die periode een relatie had met een nichtje van [C] in Engeland. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig, gelet op – onder meer – de hiervoor omschreven verklaring van de verhuurder van de loods in [woonplaats] en de documenten die in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Daar komt bij dat verdachte deze verklaring op geen enkele manier heeft onderbouwd en ook uit het dossier niets blijkt van een relatie van verdachte met een nichtje van [C] . De feiten met betrekking tot onderzoek Wheat (Manchester) Onderzoek Wheat is een drugsonderzoek van de politie te Manchester, Groot-Brittannië. Op 12 november 2015 werd een drugstransport, afkomstig van de Dominicaanse Republiek, in Groot-Brittannië onderschept. Volgens de raadsman moet de rechtbank het dossier Wheat buiten beschouwing laten, omdat het niet is gericht op feiten die hebben plaatsgevonden in Nederland. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt het volgende. Het transporteren van verdovende middelen vanuit de Dominicaanse Republiek naar Groot-Brittannië is niet aan verdachte ten laste gelegd. Geen rechtsregel staat echter in de weg aan het gebruik van de resultaten van het onderzoek Wheat als ondersteunend bewijs voor de drugstransporten die wél aan verdachte ten laste zijn gelegd, te weten de transporten die plaatsvonden vanuit Nederland naar Groot-Brittannië. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.2, het volgende vast. Onderschepping Op 12 november 2015 werd in Groot-Brittannië een drugstransport onderschept dat afkomstig was van de Dominicaanse Republiek. De onderschepping werd nog even geheim gehouden en het transport werd onder controle van de politie op 23 november 2015 afgeleverd bij een loods in Groot-Brittannië. De container die werd getransporteerd bleek gevuld met dozen waarin jumpstarters/ acculaders van het merk [bedrijf 2] zaten. Vijftig jumpstarters/acculaders waren uitgehold (de accu’s waren verwijderd) en de holle ruimtes waren bekleed met lood, op dezelfde wijze als de jumpstarters/acculaders in het hiervoor besproken onderzoek met de naam Creek. In de holle ruimtes van deze vijftig jumpstarters/acculaders zaten vacuüm verpakte blokken cocaïne. In totaal bleek in de jumpstarters/acculaders 47 kilo cocaïne te zijn verstopt. De dozen waarin de jumpstarters/acculaders met cocaïne zaten, waren gemarkeerd met een zwarte stip. De rechtbank gaat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ook in dit onderzoek uit van de juistheid van de informatie van de Britse autoriteiten over de in de acculaders aangetroffen verdovende middelen. Contacten van verdachte en [medeverdachte 1] De Engelse [E] werd op 23 november 2015 vanuit de hiervoor genoemde loods door de politie gevolgd naar de boerderij waar [F] op dat moment verbleef. [F] , [E] en [G] zijn na de aflevering van het transport op 23 november 2015 aangehouden en uiteindelijk veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de import en handel in verdovende middelen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte vanaf augustus 2015 tot en met november 2015 iedere maand in Manchester is geweest. In november, slechts drie dagen voor de aankomst van het hierboven genoemde transport, had hij een ontmoeting met [F] en [E] in [woonplaats] . Een maand eerder, op 13 oktober 2015, bevond verdachte zich ook al in [woonplaats] , zo blijkt uit een PGP-bericht van verdachte aan medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit de onderlinge samenhang tussen voorgaande feiten enerzijds en de inhoud, data en afzenders van de in de bewijsmiddelen opgenomen PGP-berichten anderzijds, blijkt dat verdachte en [medeverdachte 1] in oktober en november 2015 met elkaar én met [F] en [G] spraken over het drugstransport dat op 12 november 2015 is onderschept. Zo sprak [medeverdachte 1] op 13 oktober 2015 – de dag waarop verdachte in [woonplaats] was – met [G] over ‘Domi’, het Verenigd Koninkrijk en de prijzen van harddrugs. Met een ander contact sprak [medeverdachte 1] over ‘Domi’ en over het vacumeren en wegleggen van iets (‘ze’) in ‘media’, omdat het voor ‘manch’ was. Op 10 november 2015 werden verdachte en [medeverdachte 1] er door [F] van op de hoogte gebracht dat de douane ‘de container’ door middel van röntgenapparatuur zou controleren. Die controle zou volgens [medeverdachte 1] geen problemen opleveren, omdat de lading scanbestendig was. Verdachte en [medeverdachte 1] spraken met elkaar over de controle en verdachte verwachtte dat de douane ook een steekproef zou doen, omdat het zo lang duurde. Op 12 november 2015 schreef een contact aan [medeverdachte 1] dat er niks aan de hand was als de douane tijdens een steekproef ‘een lege’ zou pakken. [F] stelde voor om, als alles goed was gegaan, ‘ [E] ’ te sturen [de rechtbank begrijpt: [E] naar de loods te sturen]: ‘dan weten we of [E] de gevangenis in gaat, hahaha’, aldus [F] . Op 23 november 2015, de dag waarop [E] en [F] zijn aangehouden, zei [medeverdachte 1] nog tegen [F] dat [E] wat nepwerk moest gaan uitvoeren in de loods. Later die dag werd [medeverdachte 1] er door [F] van op de hoogte gebracht dat [E] vanuit de loods naar de boerderij was gereden en dat de politie hem was gevolgd. De politie zat overal. [F] vroeg of [medeverdachte 1] de telefoons van [E] en [G] direct wilde schoonvegen. Toen [medeverdachte 1] niet reageerde gaf [F] opdracht aan verdachte om de telefoons schoon te vegen. Verklaring verdachte Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in 2015 regelmatig in Manchester was om voetbalwedstrijden en -stadia te bekijken. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, gelet op zijn contacten met de Engelse veroordeelden en de overige bewijsmiddelen in het dossier. Daar komt bij dat verdachte ter zitting wisselend verklaarde en zijn verklaring op geen enkele manier heeft onderbouwd. De feiten met betrekking tot onderzoek Cigua ( Rainham ) Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.3, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Onderschepping Het onderzoek met de naam Cigua is een onderzoek van de politie te [woonplaats] (Groot-Brittannië). Op 12 oktober 2016 werd door de grenspolitie in Groot-Brittannië een transport gecontroleerd dat uit Nederland was gekomen. Het ging om een oplegger met 28 pallets met accu’s. Op die accu’s zaten etiketten van ‘ [naam] ’. Een aantal accu’s bleek aan de binnenkant met lood bekleed. In de accu’s zaten pakketten met verdovende middelen die vacuüm waren verpakt en gemarkeerd (strepen of stickers in verschillende kleuren). In totaal werd er 55 kilo heroïne en 60 kilo cocaïne aangetroffen. Bedrijven, loodsen en transporten en de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 4] De onderschepte lading was naar Groot-Brittannië getransporteerd vanaf een loods in [woonplaats] , Nederland. Afzender van de lading was het bedrijf [bedrijf 3] B.V. Dit bedrijf stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 4] , die het bedrijf eind december 2015 voor slechts 1 euro had overgenomen. Uit belastingaangiften bleek dat voor de jaren 2015 tot en met 2017 geen inkomsten waren opgegeven. [medeverdachte 4] huurde (namens [bedrijf 3] B.V.) ook de loods in [woonplaats] en had – na de onderschepping van het transport op 12 oktober 2016 – contact met de douane. Na die onderschepping is voor de loods geen huur meer betaald en kreeg de eigenaar van de loods [medeverdachte 4] niet meer te pakken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in opdracht van [bedrijf 3] B.V. in de periode van 20 april 2016 tot en met 12 oktober 2016 dertienmaal accu’s en auto-onderdelen vanaf de loods in [woonplaats] naar de loodsen van drie bedrijven in Groot-Brittannië zijn getransporteerd. Na aankomst van een lading bij één van die loodsen werd doorgaans binnen 2 tot 5 dagen eenzelfde lading weer getransporteerd naar de loods in [woonplaats] . Eén van de hiervoor genoemde Britse bedrijven was [bedrijf 4] Ltd., opgericht in januari
  13. Directeur van het bedrijf was de hiervoor al genoemde [medeverdachte 4] . Uit informatie van de Britse belastingdienst blijkt dat ook dit bedrijf nooit belasting heeft afgedragen. [medeverdachte 4] huurde namens [bedrijf 4] Ltd. ook een loods in [woonplaats] . In deze loods werden onder meer een vorkheftruck, zwarte en doorzichtige folie, verpakkingsdozen van accustarters, pakbonnen van transporten, een rol bubbelfolie en bonnen van (sport)tassen aangetroffen. De geadresseerde van het op 12 oktober 2016 onderschepte transport was echter niet het bedrijf [bedrijf 4] Ltd., maar het bedrijf [bedrijf 5] Ltd., met een loods in [woonplaats] , Groot-Brittannië. De verhuurder van de loods verklaarde dat om de paar weken bij de loods een vrachtwagen aankwam met accu’s op pallets die waren verpakt in cellofaan. Deze accu’s werden diezelfde dag weer op een andere vrachtwagen geladen en weggereden. Het bedrijf [bedrijf 5] Ltd. stond op naam van een man uit Litouwen, genaamd [H] , en de loods in [woonplaats] werd door diezelfde man gehuurd. Het derde Engelse bedrijf dat accu’s en auto-onderdelen van [bedrijf 3] B.V. ontving was [bedrijf 6] Ltd. Dit bedrijf stond op naam van een andere man uit Litouwen, genaamd [I] , die namens het bedrijf ook een loods huurde. Deze Litouwer verklaarde dat hij was betaald voor het op naam zetten van het bedrijf en het huren van de loods. Betrokkenheid van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] Dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betrokken waren bij de transporten van [bedrijf 3] B.V., blijkt naar het oordeel van de rechtbank – onder meer – uit het onderlinge verband tussen de hiervoor besproken bewijsmiddelen en de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Het eerste transport dat in opdracht van [bedrijf 3] B.V. is uitgevoerd vertrok op 20 april 2016 vanuit [woonplaats] en kwam op 25 april 2016 aan bij de loods in [woonplaats] . Uit de voor het bewijs gebezigde PGP-berichten blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] in berichten voorafgaand aan dat eerste transport met anderen sprak over het regelen van alle papieren, het betalen van katvangers, het wijzigen/op naam zetten van ‘iets’ bij de Kamer van Koophandel en het betalen van huur voor ‘het pand’. Uit de inhoud van andere berichten van en aan [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat (namens [medeverdachte 1] ) in die periode contact werd opgenomen met klanten om te vragen of zij – tegen betaling – pakketten met cocaïne en/of heroïne (‘dure en/of vieze’) mee wilden laten transporteren naar Groot-Brittannië. Een deel van de lading was gevuld met ‘eigen’ pakketten van [medeverdachte 1] , maar er was doorgaans ook nog ruimte voor pakketten van anderen. Die pakketten konden een dag voor vertrek, op 19 april 2016, gevacumeerd en gemarkeerd worden aangeleverd. Op 18 april 2016 vroeg NN4k aan [medeverdachte 1] of hij en verdachte (‘ [bijnaam] ’ genoemd) de planning voor de volgende dag konden gaan maken. [medeverdachte 1] vond dat goed. NN4k vroeg vervolgens aan [medeverdachte 1] hoe de heroïne moest worden gevacumeerd. [medeverdachte 1] antwoordde daarop dat NN4k dat aan verdachte (‘ [bijnaam] ’) moest vragen. Kort na dat gesprek nam verdachte contact op met NN4k om hem mee te delen hoe de heroïne moest worden verpakt. Verdachte vertelde ook dat hij de drugs de volgende ochtend zou aanpakken. Voorafgaand aan de transporten van [bedrijf 3] B.V. in mei 2016 werden door [medeverdachte 1] en verdachte soortgelijke berichten gestuurd. [medeverdachte 1] sprak met zijn klanten over de hoeveelheden die nog mee konden op de transporten, over de prijzen daarvan en over de (in- en verkoop)prijzen van cocaïne en heroïne. Ook vertelde hij dat hij met een topsysteem werkte, omdat de te transporteren lading scanbestendig (‘scan proef’) zou zijn. Vragen over het vacumeren van de drugs en het aanpakken daarvan liet hij beantwoorden door verdachte. Verdachte maakte vervolgens afspraken met klanten over het aanpakken of afgeven van de drugs of het geld. Dat [medeverdachte 1] en verdachte in de in paragraaf 2.3 (van de bewijsbijlage) opgenomen PGP-berichten daadwerkelijk spraken over de transporten van [bedrijf 3] B.V., wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de inhoud van hun contacten met [medeverdachte 3] , die weer direct kan worden gelinkt aan [bedrijf 3] B.V., [bedrijf 4] Ltd. en de loods in [woonplaats] . Zo werd in die loods – enige tijd na de onderschepping van het transport in oktober 2016 – een flesje in beslag genomen waarop DNA is aangetroffen dat een match heeft opgeleverd met het DNA-profiel van [medeverdachte 3] . Verder bleek dat [medeverdachte 3] op 29 juni 2019 in verband met een ander feit was aangehouden in Groot-Brittannië. Hij was onderweg van Birmingham, een plaats in de buurt van [woonplaats] , naar Londen. In zijn auto lagen allerlei documenten en goederen die betrekking hadden op de transporten van [bedrijf 3] B.V., het bedrijf [bedrijf 4] Ltd. en de loods in [woonplaats] . De PGP-telefoon van [medeverdachte 3] werd ook in zijn auto aangetroffen. [medeverdachte 3] bleek met zijn PGP-mailadres vanaf april 2016 veel contact te hebben gehad met [medeverdachte 1] en een enkele maal met verdachte. De rechtbank leidt uit die contacten af dat [medeverdachte 3] al vanaf april 2016 in Groot-Brittannië – in opdracht van [medeverdachte 1] – allerlei werkzaamheden verrichtte met betrekking tot de transporten van [bedrijf 3] B.V. Uit reisgegevens blijkt ook dat [medeverdachte 3] zeer vaak in Groot-Brittannië was op en rondom de data van transporten vanuit [woonplaats] naar [woonplaats] en vice versa. Op 21 april 2016, vlak voor de aankomst van het eerste transport in [woonplaats] , kreeg [medeverdachte 3] de opdracht van [medeverdachte 1] om zich tegenover het bedrijf [transportbedrijf 1] voor te doen als [naam] van [bedrijf 4] Ltd. [transportbedrijf 1] is het vervoersbedrijf dat het eerste transport voor [bedrijf 3] B.V. heeft uitgevoerd. Uit een door [transportbedrijf 1] aan de politie overhandigde mail blijkt dat zij over het lossen van de lading op 25 april 2016 in [woonplaats] contact konden opnemen met een persoon genaamd [naam] van [bedrijf 4] Ltd. Uit andere PGP-berichten blijkt dat de werkzaamheden van [medeverdachte 3] onder meer bestonden uit het in ontvangst nemen van de vorkheftruck, het regelen van een Engelse auto waarin een ‘stash’ (opbergruimte) kon worden gemaakt, het laden en lossen van transporten en het vervolgens aanpakken van geld en afgeven van de (door [medeverdachte 1] en diens klanten) verkochte drugs. Dat [medeverdachte 3] hielp bij het laden en lossen van de transporten blijkt onder meer uit een bericht van [medeverdachte 1] van 21 mei 2016 waarin hij [medeverdachte 3] opdroeg om rustiger te werk te gaan met de accu’s, omdat er een paar kapot waren. [medeverdachte 3] had over zijn werkzaamheden ook contact met verdachte. Uit het bericht van [medeverdachte 3] aan verdachte van 26 mei 2016 kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [medeverdachte 3] verdachte vroeg of hij zijn werk met betrekking tot een pakket verdovende middelen wel goed heeft gedaan. Volgens verdachte had [medeverdachte 3] alles goed gedaan. Onderzoek naar de verpakking van de verdovende middelen De op 12 oktober 2016 in Groot-Brittannië onderschepte heroïne en cocaïne waren vacuüm verpakt. Een aantal verpakkingen is in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Op 8 oktober 2018 werden de woningen en loodsen van alle verdachten in onderzoek 09Napoles doorzocht. In de loods van medeverdachte [medeverdachte 2] werden een vacuümmachine en een groot aantal plastic zakken aangetroffen. Op één van die zakken zat een rond stickertje, gelijksoortig aan de stickertjes die op de plastic zakken zaten waarin de in oktober 2016 onderschepte verdovende middelen waren verpakt (gevacumeerd). Er is een vergelijkend onderzoek gedaan naar de in 2016 in beslag genomen vacuümzakken en de in 2018 aangetroffen vacuümmachine. De resultaten van dit vergelijkend onderzoek zijn extreem veel (meer dan een miljoen keer) waarschijnlijker wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met de in de loods van [medeverdachte 2] in beslag genomen vacuümmachine, dan wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met een willekeurige andere vacuümmachine. De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de resultaten van voormeld onderzoek betwist, evenals de deskundigheid van de onderzoeker. De resultaten van het onderzoek mogen volgens de raadsman dan ook niet voor het bewijs worden gebruikt. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. De deskundige is door de rechter-commissaris benoemd en de rechtbank ziet in wat door de raadsman is aangevoerd geen reden om aan zijn deskundigheid te twijfelen. De rechtbank is verder van oordeel dat de resultaten van het onderzoek en de bewijskracht daarvan in het rapport uitgebreid zijn onderbouwd en uitgelegd. De rechtbank ziet in wat de raadsman daarover heeft aangevoerd evenmin aanleiding om aan de onderzoeksresultaten te twijfelen. Dat een sporenonderzoek op zakken in het buitenland niet zou worden uitgevoerd en/of voor het bewijs zou worden gebruikt, dan wel dat de vakbijlage ontbreekt, is daartoe onvoldoende. Daar komt nog bij dat de rechtbank de onderzoeksresultaten heeft beoordeeld in het licht van de overige (ook hierna nog te bespreken) bewijsmiddelen in dit dossier, waaronder de contacten tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de andere in de loods en woning van [medeverdachte 2] aangetroffen goederen (waarop de rechtbank verderop in het vonnis nader zal ingaan). Op grond van de samenhang tussen die bewijsmiddelen en de onderzoekresultaten komt de rechtbank tot de conclusie dat een aantal van de in Groot-Brittannië onderschepte pakketten met heroïne en/of cocaïne vacuüm waren verpakt met één van de vacuümmachines uit de loods van medeverdachte [medeverdachte 2] . De feiten met betrekking tot onderzoek Veenendaal Onderzoek Veenendaal is een onderzoek van de Nederlandse politie dat is gestart omdat op grond van PGP-berichten van verdachte het vermoeden was ontstaan dat in 2016 drugstransporten hadden plaatsgevonden tussen [woonplaats] en Groot-Brittannië. Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.4, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Bedrijf en loods in [woonplaats] In PGP-berichten van 5 april 2016 van [medeverdachte 1] en verdachte aan de eerder in dit vonnis al genoemde NN4k werd gesproken over een transport naar ‘de overkant’, over ‘uk tijd’, over pallets en over ‘dure’ die pas in het systeem pasten nadat er wat vacuümzakken waren afgehaald. Verdachte schreef dat ‘het’ moest naar het adres: [adres] in [woonplaats] . Uit onderzoek bleek dat het pand op dit adres vanaf 1 augustus 2015 tot en met juli 2017 werd gehuurd door het bedrijf [bedrijf 7] B.V, dat vanaf 24 maart 2016 [bedrijf 8] B.V. heette. Een persoon genaamd [D] was vanaf 22 maart 2016 bestuurder van dit bedrijf. Deze [D] kwam ook al voor in het onderzoek Creek, namelijk als huurder van de loodsen in [woonplaats] en [woonplaats] en als bestuurder van het bedrijf [bedrijf 1] Ltd. Uit afschriften van de bankrekening van het bedrijf [bedrijf 7] B.V. bleek dat tussen 2015 en 2017 ruim € 93.000,- (contant) op de rekening was gestort, maar dat geen andere inkomsten waren binnengekomen. Verder bleek dat het bedrijf in 2015 een bedrag van bijna € 60.000,- had overgemaakt naar een Pools bedrijf dat accu’s verkocht. Ook heeft het bedrijf in – onder meer – april 2016 een groot aantal stickers besteld. Deze stickers bleken exact overeen te komen met de stickers op de accu’s die op 12 oktober 2016 in het hiervoor besproken onderzoek Cigua zijn onderschept. De stickers waren door het bedrijf [bedrijf 7] besteld met het mailadres van [bedrijf 3] B.V., dat blijkens het onderzoek Cigua op naam stond van medeverdachte [medeverdachte 4] en afzender was van de op 12 oktober 2016 onderschepte lading. Transporten naar [woonplaats] Uit de bankafschriften van [bedrijf 7] B.V. bleek ook dat het bedrijf geld had overgemaakt aan de transportbedrijven [transportbedrijf 2] en [transportbedrijf 3] . Uit gegevens van die transportbedrijven bleek dat in de periode van 4 september 2015 tot en met 30 oktober 2015 in totaal vijf transporten waren uitgevoerd in opdracht van [bedrijf 7] B.V. Het ging om transporten van accu’s die moesten worden vervoerd vanuit het pand van [bedrijf 7] B.V. in [woonplaats] naar het bedrijf [bedrijf 9] in [woonplaats] [de rechtbank begrijpt: een stad in het graafschap Greater Manchester, Engeland]. Het bedrijf [bedrijf 9] was op 16 oktober 2015 ingeschreven in het bedrijvenregister in Groot-Brittannië. De directeur van het bedrijf bleek [E] , veroordeelde in het hiervoor besproken onderzoek Wheat en een contact van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Transport naar [wijk] Op 11 april 2016 schreef verdachte in een PGP-bericht aan een onbekende dat ‘het transport’ onderweg was. Verder mailde hij deze onbekende het adres van het pand van [bedrijf 7] B.V. in [woonplaats] en het adres van een loods in [wijk] [de rechtbank begrijpt: een wijk in Londen, Groot-Brittannië]. Op [2016] schreef verdachte in een PGP-bericht aan NN4k dat de jongens in de loods moeten wachten en dat ‘onze’ trailer rood is en dat op de zijkant ‘ [vervoersbedrijf 1] ’ staat. Verdachte vroeg vervolgens aan NN4k of de lading al was aangekomen en of ze de Litouwer – een goede werker – wel konden vertrouwen. Naar aanleiding van voormelde berichten is nader onderzoek verricht. Uit dat onderzoek bleek dat een vervoersbedrijf met de naam [vervoersbedrijf 1] een transport had uitgevoerd in opdracht van het bedrijf [bedrijf 8] . Het ging om het transporteren van een lading ‘truck filters’ vanuit de loods in [woonplaats] naar de hiervoor genoemde loods in [wijk] . Het transport was op 11 april 2016 vertrokken vanuit [woonplaats] en op 13 april 2016 aangekomen bij de loods in [wijk] . De geadresseerde van het transport was het bedrijf [bedrijf 6] Ltd. Dit bedrijf kwam in onderzoek Cigua ook voor als de geadresseerde van een transport dat in opdracht van [bedrijf 3] B.V. was uitgevoerd. Dit transport moest worden vervoerd naar een loods in [wijk] . Het bedrijf [bedrijf 6] stond op naam van de Litouwer [I] . [I] verklaarde dat hij was betaald voor het op naam zetten van het bedrijf. Hij verklaarde daarnaast dat hij ook nog een pand had gehuurd in [wijk] . Contacten van verdachte en [medeverdachte 1] Uit de onderlinge samenhang tussen de hiervoor besproken bewijsmiddelen en de inhoud en data van de in paragraaf 2.4 van de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten van [medeverdachte 1] en verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat zij met elkaar en met anderen spraken over het transport van 11 april 2016 dat is uitgevoerd door het bedrijf [vervoersbedrijf 1] . [medeverdachte 1] en verdachte spraken met elkaar en met anderen over de adressen van de loodsen in [woonplaats] en [wijk] , over het inbouwen van de lading, over het insealen van de lading met zwarte en witte folie, over klanten, over prijzen, over het wisselen van geld en over het laten terugkomen van de vrachtwagen met geld (pap). De rechtbank concludeert op grond van de berichten dat [medeverdachte 1] het transport regelde en de mensen aanstuurde en betaalde die ten aanzien van dat transport werkzaamheden verrichtten in Nederland en Groot-Brittannië. Verder benaderde [medeverdachte 1] klanten om hen mee te delen dat er weer een transport van hem zou vertrekken en hen te vragen of ze ‘spullen’ wilden meegeven. [medeverdachte 1] verwees veel contacten naar verdachte voor informatie over alle praktische zaken rondom het laden en lossen van het transport. Verdachte had met name contact met anderen over het aanpakken van ‘spullen’, de vertrek- en aankomstdata van het transport, het laden en lossen en de manier waarop de ‘spullen’ geseald moesten worden. Uit zijn berichten kan worden afgeleid dat hij – onder meer – hielp met het inbouwen van de lading en het aanpakken van ‘spullen’ voor in de lading. Verder onderhield verdachte contact met ‘het transport’ over het tijdstip waarop het zou aankomen en gaf hij anderen – in opdracht van [medeverdachte 1] – uitleg over de verschillende werkzaamheden. Verdachte werd voor zijn werkzaamheden betaald door [medeverdachte 1] . Gesprekken van verdachte en [medeverdachte 1] met [slachtoffer 1] is op 19 september 2015 geliquideerd. Uit onderzoek naar zijn PGP-telefoon bleek dat hij in de weken voor zijn dood veelvuldig contact had met verdachte en met [medeverdachte 1] . De rechtbank leidt uit de onderlinge samenhang tussen (de inhoud en data van) die berichten en de hiervoor besproken bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] bijna dagelijks in versluierde taal met elkaar spraken over drugstransporten, waaronder de transporten die in september 2015 vermoedelijk in opdracht van [bedrijf 7] B.V. waren uitgevoerd. [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] spraken onder meer over het transporteren van heroïne en cocaïne naar Groot-Brittannië, over de kwaliteit van de te transporteren drugs, het vacuüm verpakken en markeren van de pakketten, het wisselen van geld en de prijs van de transporten. De rechtbank concludeert op grond van die gesprekken dat [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] met elkaar samenwerkten, maar dat [medeverdachte 1] opdrachtgever was van de transporten en nagenoeg alles ten aanzien van die transporten bepaalde. [medeverdachte 1] transporteerde zijn eigen handel en regelde klanten die – tegen betaling – ook een aantal pakketten wilden laten transporteren. [slachtoffer 1] was één van die klanten. [medeverdachte 1] liet de drugs testen en bepaalde of de kwaliteit goed genoeg was voor de verkoop. [medeverdachte 1] schreef [slachtoffer 1] dat hij al vijf jaar met het transport werkte, dat de heroïne en cocaïne werden vervoerd in een ‘machine’ en dat het systeem scanbestendig was. Verdachte maakte – in opdracht van en in overleg met [medeverdachte 1] – via PGP-berichten afspraken met [slachtoffer 1] over het aanpakken van de te transporteren heroïne en cocaïne. De pakketten die mee moesten op het transport werden door verdachte opgehaald bij [slachtoffer 1] of bij contacten van [slachtoffer 1] . Verdachte hield ook in de gaten of de pakketten op de juiste wijze waren gemarkeerd. [slachtoffer 1] nam contact op met verdachte als hij [medeverdachte 1] niet kon bereiken. [medeverdachte 1] noemde verdachte zijn vaste chauffeur. Conclusies van de rechtbank ten aanzien van feit 1 Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat in de ladingen die in de periode van 12 maart 2014 tot en met 12 oktober 2016 vanuit de loodsen in [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] naar de loodsen in Groot-Brittannië zijn getransporteerd, maar die niet zijn onderschept, ook cocaïne en heroïne waren verstopt. Daarnaast heeft de raadsman – kortgezegd – per transportlijn (ofwel: per zaaksdossier) betoogd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij de via die lijn uitgevoerde drugstransporten. De rechtbank is het niet eens met de raadsman en overweegt daartoe het volgende. Ging het telkens om transporten van heroïne en/of cocaïne? Uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden blijkt dat in de onderhavige zaak grote hoeveelheden cocaïne en heroïne zijn aangetroffen in ladingen die vanuit de loodsen in [woonplaats] en [woonplaats] naar de loodsen in [woonplaats] en [woonplaats] werden getransporteerd. In de vanuit de Dominicaanse Republiek naar Groot-Brittannië getransporteerde lading is eveneens een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De ladingen die vanuit de loodsen in [woonplaats] en [woonplaats] naar de loodsen in [woonplaats] , [wijk] (zaaksdossier Rainham ), [woonplaats] en [wijk] (zaaksdossier Veenendaal) werden getransporteerd, zijn niet onderschept. Het hof Amsterdam heeft in één van de zogeheten ‘Pan’ arresten als uitgangspunt genomen dat de opzettelijke in- of uitvoer van verdovende middelen in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als tijdens het opsporingsonderzoek ook feitelijk een hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Voor gevallen waarin géén verdovende middelen zijn aangetroffen heeft het hof het volgende toetsingskader (voor het gebruik van schakelbewijs) geformuleerd: ‘(…) het hof (is) van oordeel dat ook in die gevallen in beginsel een bewezenverklaring mogelijk is, mits op grond van het samenstel van feiten en omstandigheden geen andere conclusie mogelijk is dan dat sprake is geweest van handelingen met betrekking tot cocaïne. Deze conclusie kan worden getrokken indien blijkt van een patroon van handelingen en gebeurtenissen dat in aanzienlijke mate overeenkomt met het patroon, beschreven in een zaaksdossier waarin wél een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen en dat tot een bewezenverklaring van een de verdachte ten laste gelegd feit heeft geleid. Daarbij is onder meer de combinatie van de betrokken personen, het gebezigde taalgebruik in de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken en de modus operandi van betekenis’. De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat het, gelet op (a.) de inhoud en het gebezigde taalgebruik in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten, (b.) de combinatie van de bij de verschillende transportlijnen betrokken personen en bedrijven én (c.) de modus operandi die ten aanzien van alle transportlijnen werd gehanteerd, niet anders kan dan dat óók in de niet onderschepte ladingen cocaïne en heroïne waren verstopt. De PGP-berichten (a.) De rechtbank wijst allereerst op de reeds besproken en in de bewijsbijlage (hoofdstuk 2) opgenomen PGP-berichten, waarin de bij de verschillende transportlijnen betrokken personen in overeenkomstige versluierde taal spraken over het transporteren van cocaïne en heroïne naar Groot-Brittannië. De bij de verschillende transportlijnen betrokken personen en bedrijven (b.) De rechtbank kent daarnaast betekenis toe aan de combinatie van personen en bedrijven die aan alle of aan een aantal van de in deze paragraaf besproken transportlijnen kunnen worden gerelateerd. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de betrokkenheid van: verdachte bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat), Rainham (Cigua) en Veenendaal; medeverdachte [medeverdachte 1] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat), Rainham (Cigua) en Veenendaal; [E] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat) en Veenendaal; [C] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en Manchester (Wheat); [D] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en Veenendaal; [I] bij de zaaksdossiers Rainham (Cigua) en Veenendaal; het bedrijf [bedrijf 1] Ltd. bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en Manchester (Wheat); het bedrijf [bedrijf 6] Ltd. bij de zaaksdossiers Rainham (Cigua) en Veenendaal; - het bedrijf [bedrijf 3] B.V. bij de zaaksdossiers Rainham (Cigua) en Veenendaal. De modus operandi (c.) De rechtbank neemt tot slot in aamerking dat ten aanzien van alle in deze paragraaf besproken transportlijnen een overeenkomstige modus operandi (manier van werken) werd gehanteerd. Zo waren het altijd auto-onderdelen die via de verschillende transportlijnen naar Groot-Brittannië werden vervoerd. In bijna alle gevallen ging het om een transport van accu’s of acculaders/jumpstarters. De pakketten cocaïne en heroïne die in 2015 en 2016 zijn onderschept, waren verstopt in uitgeholde accu’s en/of acculaders/jumpstarters die van binnen waren bekleed met lood. De pakketten waren vacuüm verpakt en gemarkeerd met stickers. De meeste transporten vonden plaats tussen loodsen in Nederland en Groot-Brittannië. In alle loodsen die zijn doorzocht werden vorkheftrucks, (al dan niet uitgeholde en met lood beklede) accu’s of jumpstarters/acculaders, verpakkingsdozen van accu’s of van jumpstarters/ acculaders, verpakkingsfolie en bonnen van koffers of tassen aangetroffen. Uit de voor het bewijs gebezigde transportbrieven blijkt dat een paar dagen na aankomst van een lading met auto-onderdelen bij een loods in Groot-Brittannië, een overeenkomstige lading met auto-onderdelen vanuit diezelfde loods weer terug naar Nederland werd getransporteerd. De eigenaar van de loods in [woonplaats] verklaarde daarover dat hij had gezien dat een bepaalde doos met een scheur erin naar Groot-Brittannië werd getransporteerd en dat diezelfde doos met scheur een week later weer in de loods in [woonplaats] stond. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat (letterlijk) dezelfde accu’s of jumpstarters/acculaders – nadat de pakketten met verdovende middelen er in Groot-Brittannië waren uitgehaald – weer terug naar Nederland werden getransporteerd, zodat ze konden worden hergebruikt voor het volgende transport. De rechtbank heeft in het dossier in geen enkel geval een andere, logische en legale verklaring kunnen vinden voor het heen en weer transporteren van auto-onderdelen. Uit niets is bijvoorbeeld gebleken dat de accu’s of acculaders/jumpstaters in Groot-Brittannië werden verkocht. Uit de bewijsmiddelen is wél gebleken dat de verzendende en ontvangende bedrijven in veel gevallen kort voor de start van een reeks transporten waren opgericht of op naam waren gezet en geen inkomsten genereerden, maar wel met contant (gestort) geld voor transporten of daaraan gerelateerde zaken betaalden. Ook werden transporten uitgevoerd tussen bedrijven die op naam stonden van één en dezelfde persoon. [medeverdachte 1] sprak voor de start van een nieuwe transportlijn in PGP-berichten bovendien over het betalen van katvangers en het op naam zetten van bedrijven bij de Kamer van Koophandel. Conclusie De rechtbank is op grond van het samenstel van de in deze paragraaf besproken feiten en omstandigheden van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat in nagenoeg alle ladingen (mogelijke proeftransporten daargelaten) die vanuit de loodsen in [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] naar de loodsen in Groot-Brittannië werden getransporteerd, cocaïne en heroïne waren verstopt. De rechtbank kan niet vaststellen om welke hoeveelheden harddrugs het precies ging. Gelet op de hoeveelheid onderschepte drugs, het aantal transporten dat is uitgevoerd, de hiervoor genoemde modus operandi, de aantallen die in de PGP-berichten werden genoemd (‘transporten van 100 en 40’) en de periode waarin de transporten hebben plaatsgevonden, stelt de rechtbank vast dat het in totaal om minstens 2500 kilo moet zijn gegaan. De rol van verdachte Voor een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde transporteren van harddrugs naar Groot-Brittannië moet wettig en overtuigend worden bewezen dat de betrokkenheid van verdachte daarbij zodanig was dat hem daarvan in het kader van medeplegen een verwijt kan worden gemaakt. Van medeplegen is sprake indien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt. Niet vereist is dat verdachte zelfstandig alle ten laste gelegde bestanddelen heeft vervuld. Wel is vereist dat de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van voldoende gewicht was. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de onderlinge samenhang tussen de PGP-berichten van verdachte en anderen, de reisgegevens van verdachte, zijn aanwezigheid in Groot-Brittannië en [woonplaats] en de in zijn woning aangetroffen goederen, dat hij een significante bijdrage heeft geleverd aan de uitvoering van de drugstransporten vanuit Nederland naar Groot-Brittannië en dat hij daartoe nauw en bewust heeft samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte 1] en anderen. [medeverdachte 1] was opdrachtgever en ‘eigenaar’ van de transporten en de werkzaamheden van verdachte bestonden uit het plannen en coördineren van bestaande en nieuw op te starten transporten. Klanten en betrokkenen die vragen hadden over praktische zaken rondom de transporten werden door [medeverdachte 1] met regelmaat verwezen naar verdachte. Als zij [medeverdachte 1] niet konden bereiken, namen zij contact op met verdachte. Verdachte hield zich – in overleg met [medeverdachte 1] – ook bezig met meer praktische werkzaamheden zoals het aanpakken, vervoeren, verpakken en inladen van pakketten met cocaïne en heroïne. In Groot-Brittannië werden soortgelijke werkzaamheden verricht door – onder meer – medeverdachte [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] en verdachte werden voor hun werkzaamheden betaald door [medeverdachte 1] . Conclusie Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigen bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 oktober 2016, samen met anderen, grote hoeveelheden cocaïne en heroïne buiten het grondgebied van Nederland (naar Groot-Brittannië) heeft gebracht en heeft vervoerd. De rechtbank merkt ten aanzien van de bewezen verklaarde periode op dat verdachte in de periode van 23 juni 2014 tot 25 september 2014 in het kader van een andere strafzaak in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Dat betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte praktische werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de in die periode uitgevoerde transporten vanuit Nederland naar de loods in [woonplaats] (onderzoek Creek). Uit de bewijsmiddelen – en dan met name de reizen van verdachte met [C] en de in zijn woning aangetroffen goederen – kan echter worden afgeleid dat verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het opstarten van de transportlijn tussen de loods in [woonplaats] en de loods in [woonplaats] . Daar komt bij dat verdachte buiten de periode van zijn voorlopige hechtenis heeft geholpen met het laden en lossen van enkele transporten, zo blijkt uit de verklaring van de eigenaar van de loods in [woonplaats] . Dit alles maakt dat hem in het kader van medeplegen wel degelijk een verwijt kan worden gemaakt van de transporten die zijn uitgevoerd in de periode van zijn detentie. Partiële vrijspraak De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periodes van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 en van 14 oktober 2016 tot en met 8 oktober 2018 ook heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van die gedeeltes van de ten laste gelegde periode. 4.3.3.3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor feit 3 Aan verdachte is onder feit 3 ten laste gelegd dat hij wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Juridisch kader Uit rechtspraak volgt dat voor een veroordeling van het voorhanden hebben van wapens en munitie is vereist dat verdachte die wapens en munitie ‘min of meer’ bewust aanwezig had. Verdachte moet zich bewust zijn geweest van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de wapens en munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen of de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder moet bewezen kunnen worden dat de verdachte feitelijke macht over de wapens en munitie kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Dat betekent niet dat vereist is dat de wapens en munitie in de directe nabijheid van verdachte lagen. Beoordeling van het ten laste gelegde Op 8 oktober 2018 is in de woning van verdachte – in een ladekast op zijn slaapkamer – een huurcontract aangetroffen van een garagebox aan de [adres] in [woonplaats] . Het huurcontract stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 5] . Ook lagen in de woning twee nota’s van de betaling van de huur van deze garagebox voor de periode januari 2017 tot en met januari
  14. De garagebox is diezelfde dag nog doorzocht. In de garagebox werden tien vuurwapens, tien handgranaten en veel munitie aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niets wist van de garagebox en de wapens en munitie die daarin zijn aangetroffen. Hij had de papieren die in zijn woning zijn aangetroffen, enkel in bewaring gekregen van iemand wiens naam hij niet wil noemen. De rechtbank acht die verklaring niet geloofwaardig, nu deze niet is onderbouwd en niet kan worden geverifieerd, terwijl verdachte ook op andere manieren kan worden gelinkt aan de garagebox. Zo werd in de woning van verdachte een vuilniszak aangetroffen die was verzwaard met bakstenen. In die vuilniszak zaten lege munitiedozen van het merk Magtech. In de garagebox aan de [adres] in [woonplaats] zijn exact dezelfde munitiedoosjes aangetroffen. Over de aanwezigheid van de munitiedoosjes in zijn woning heeft verdachte een soortgelijke, onverifieerbare verklaring afgelegd waarvoor het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat. Daar komt nog bij dat verdachte via PGP-berichten contact had met medeverdachte [medeverdachte 1] over wapens (‘ijzers’ genoemd). Verder waren de handgranaten en een deel van de wapens en munitie vacuüm verpakt, net als de in de vorige paragraaf besproken verdovende middelen. De vacuümzakken zijn in beslag genomen voor een vergelijkend forensisch onderzoek. De sporen op de vacuümzakken zijn vergeleken met de vacuümmachine die in de loods van medeverdachte [medeverdachte 1] is aangetroffen. De resultaten van dit vergelijkend onderzoek zijn extreem veel (meer dan een miljoen keer) waarschijnlijker wanneer de in beslag genomen vacuümzakken zijn dichtgemaakt met de in de loods van [medeverdachte 1] in [woonplaats] in beslag genomen vacuümmachine, dan wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met een willekeurige andere vacuümmachine. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] die loods in [woonplaats] huurde, maar dat verdachte er ook regelmatig gebruik van maakte en dat hij de beschikking had over een sleutel van de loods. De rechtbank is er op grond van de onderlinge samenhang tussen de onderzoeksresultaten en de andere hiervoor omschreven bewijsmiddelen van overtuigd dat de handgranaten en een deel van de wapens en munitie in de garagebox in [woonplaats] vacuüm waren verpakt met de vacuümmachine die in de loods in [woonplaats] is aangetroffen. Conclusie De rechtbank is op grond van het samenstel van de hiervoor besproken feiten en omstandigheden, mede bezien in het licht van het onder feit 1 bewezen verklaarde, van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de garagebox en dat hij daarover kon beschikken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de wapens, munitie en handgranaten die in de garagebox aan de [adres] in [woonplaats] zijn aangetroffen, voorhanden heeft gehad. Dat verdachte dit feit samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gepleegd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit de samenhang tussen de hiervoor al genoemde bewijsmiddelen én het feit dat op de in de garagebox aangetroffen auto (BMW) gestolen kentekenplaten zaten die afkomstig waren van dezelfde diefstal als de gestolen kentekenplaten op de Volkswagen Transporter die door [medeverdachte 1] werd gebruikt. 4.3.3.4 Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor feit 5 Aan verdachte is onder feit 5 ten laste gelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan opzetheling van een auto (BMW). Juridisch kader Voor een bewezenverklaring van opzetheling is vereist dat verdachte de auto voorhanden had, terwijl hij wist dat de auto van misdrijf afkomstig was. Die wetenschap moet verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed hebben gehad. Onder het voorhanden hebben van een goed valt ook het kunnen beschikken over een goed dat elders is opgeslagen. Beoordeling van het ten laste gelegde Tijdens de doorzoeking van de garagebox aan de [adres] in [woonplaats] op 8 oktober 2018 is een gestolen auto van het merk BMW aangetroffen. De auto bleek in mei 2017 te zijn gestolen. Dat verdachte kon beschikken over deze auto blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit wat in de vorige paragraaf al over de garagebox is overwogen. De BMW was zwart gelamineerd, terwijl de originele kleur vermoedelijk grijs was. Verder was de auto voorzien van gestolen – en daarmee valse – kentekenplaten. In de (met bakstenen verzwaarde) vuilniszak met munitiedoosjes die in de woning van verdachte was aangetroffen, zaten ook gestolen kentekenplaten. Daar komt nog bij dat uit camerabeelden blijkt dat verdachte met regelmaat bij de loods van [medeverdachte 1] in [woonplaats] kwam. Bij die loods is een gestolen Volkswagen Transporter aangetroffen met kentekenplaten die uit dezelfde gestolen partij kwamen als de kentekenplaten op de BMW. Gelet op het voorgaande, bezien in het licht van de andere in de garagebox aangetroffen goederen alsmede de werkzaamheden die verdachte in het kader van de onder 1 ten laste gelegde drugstransporten uitvoerde, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de BMW wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Conclusie De rechtbank acht feit 5 wettig en overtuigend bewezen. 4.3.3.5 Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor feit 2 Onder feit 2 is ten laste gelegd dat verdachte heeft leiding gegeven of deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Daarnaast is ten laste gelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als het voorhanden hebben van wapens en munitie, (het voorbereiden van) moord en doodslag, het witwassen van geld uit de drugshandel, diefstal en opzetheling. De raadsman heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd en hij heeft daartoe – met name – bewijsverweren gevoerd. Een deel van die verweren is al aan de orde gekomen in de voorgaande paragrafen. De andere bewijsverweren worden naar het oordeel van de rechtbank weerlegd door de bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Juridisch kader Deelname aan een criminele organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr en in artikel 11b van de Opiumwet. Een organisatie in de zin van voormelde artikelen is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet vereist is dat verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle deelnemers aan de organisatie. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd. Dat betekent dat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Om van deelneming te kunnen spreken is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoorde en dat hij een aandeel had in – of ondersteuning gaf aan – gedragingen die strekten tot óf rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verdachte moet dus opzettelijk hebben deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Dat betekent dat hij in zijn algemeenheid moet hebben geweten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogde. Niet vereist is dat het opzet van verdachte zelf was gericht op het plegen van misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven. Voor een bewezenverklaring is evenmin vereist dat verdachte heeft geweten van alle soorten misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht. Beoordeling van het ten laste gelegde Organisatie Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, worden vastgesteld dat verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en één of meer (onbekende) anderen deel uitmaakten van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. Uit de duur en inhoud van de contacten van verdachte en [medeverdachte 1] met elkaar en met anderen over de organisatie en werkzaamheden met betrekking tot – met name – de internationale drugshandel, leidt de rechtbank af dat sprake was van een duurzaam samenwerkingsverband. Dat dit samenwerkingsverband naast duurzaamheid ook een zekere structuur kende, blijkt onder meer uit de georganiseerde manier waarop transportlijnen werden opgezet en uit de onderlinge rolverdeling. Zo werden voor de start van een transportlijn bedrijven op naam van medeverdachten en/of (in sommige gevallen) katvangers gezet en werden loodsen gehuurd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] het binnen het samenwerkingsverband voor het zeggen had. [medeverdachte 1] gaf anderen, waaronder verdachte en [medeverdachte 3] , opdrachten en bepaalde hoeveel zij voor hun werkzaamheden betaald kregen. Verdachte had een coördinerende en uitvoerende rol met betrekking tot de drugstransporten en [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] hadden uitvoerende en facilitaire rollen binnen de organisatie. Het oogmerk van de organisatie De rechtbank acht – anders dan door de officier van justitie en de raadsman betoogd – wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie was gericht op zowel het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet als op het plegen van andere misdrijven, waaronder het voorhanden hebben van wapens en munitie, moord, opzetheling en het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld. De rechtbank overweegt het volgende. Het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en de wet Wapens en Munitie Uit de bewijsmiddelen en voorgaande overwegingen blijkt dat het onder 1 bewezen verklaarde feit is gepleegd in georganiseerd verband. Dat het oogmerk van de organisatie was gericht op het plegen van delicten als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden afgeleid uit wat reeds in paragraaf 4.3.3.2 is overwogen. Uit het in die paragraaf overwogene blijkt ook dat de drugstransporten van de organisatie plaatsvonden in de periode van 1 januari 2014 (zaaksdossier Gravesend) tot en met 12 oktober 2016 (zaaksdossier Rainham ). Hoewel het procesdossier onvoldoende bewijs bevat voor concrete drugstransporten ná 12 oktober 2016, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder meer worden geconcludeerd dat het oogmerk van de organisatie ook ná die datum nog was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Zo is op 8 oktober 2018 in de Renault Kangoo waarvan verdachte en [medeverdachte 1] gebruikmaakten een soortgelijke jumpstarter aangetroffen als de jumpstarters waarin de verdovende middelen in 2015 in Groot-Brittannië waren verstopt (zaaksdossier Manchester/Wheat). Diezelfde dag werden in de (gestolen) Volkswagen Transporter van [medeverdachte 1] kartonnen dozen aangetroffen die vergelijkbaar waren met de dozen die in 2015 in Groot-Brittannië zijn onderschept. De rechtbank wijst daarnaast op het volgende. Uit verschillende in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten uit 2015 en 2016 blijkt dat [medeverdachte 1] met verdachte, [medeverdachte 2] en anderen niet alleen sprak over het transporteren van drugs, maar ook over wapens. Een soortgelijk wapen als waar [medeverdachte 1] over sprak, een machinegeweer, is in november 2018 aangetroffen in een garagebox aan de [adres] in [woonplaats] . [medeverdachte 1] had dit wapen naar het oordeel van de rechtbank voorhanden. Zoals eerder in dit vonnis al geconcludeerd had [medeverdachte 1] samen met verdachte ook een aanzienlijk aantal vuurwapens, handgranaten en munitie voorhanden in een garagebox aan de [adres] in [woonplaats] . In de loods van medeverdachte [medeverdachte 2] in [woonplaats] zijn ook wapens en munitie aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wapenvoorraad van de organisatie in direct verband worden gebracht met de georganiseerde handel in drugs(transporten). Het is een feit van algemene bekendheid dat de grootschalige, internationale handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met geweld en levensdelicten, uitgevoerd met wapens zoals aangetroffen in de genoemde garageboxen en loods. Daar komt nog bij dat uit de verschillende bewijsmiddelen (waaronder het vergelijkend sporenonderzoek) blijkt dat een groot deel van de in de verschillende opslagplaatsen aangetroffen wapens, handgranaten en munitie vacuüm was verpakt met vacuümmachines uit de loods van [medeverdachte 1] in [woonplaats] . Zoals onder feit 1 is overwogen, werden ook de te transporteren drugs op een dergelijke manier verpakt. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat het oogmerk van de organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 oktober 2018 was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het oogmerk van de organisatie in diezelfde periode – in het kader van de internationale handel in drugs (transporten) – óók was gericht op het voorhanden hebben van wapens en munitie. Het voorbereiden en/of plegen van moord en/of doodslag Uit PGP-berichten van [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat hij met verdachte en anderen sprak over het doden van concurrenten en/of mensen die hun (betalings)verplichtingen niet nakwamen. Zo stuurde hij in de periode van oktober 2015 tot en met mei 2016, de periode waarin de organisatie zich bezighield met de grootschalige, internationale handel in drugs – onder meer de volgende berichten aan anderen: ‘Ja ze hebbe hem allemaal late zitte en nog probere te neuke die kk zwager zoiezo die kk pet ook wie daarvandaan komt maar let op wat ik ga doen ik moet eve me kop erbij houde en me zaakjes op droge zette dan gaat er oorlog plaats vinde bij ons ik leg ze allemaal plat in een maand tijd ga alles in kaart brenge en dan achter elkaar boem boem afgelopen met ze! (…)’ ‘(…) heb idee dat [naam] gewoon vanaf begin liever niet wilt opnaam hebben! Maar luister dan heeft die mij aan lijntje gehouide en heeft die een probleem! (…) Maar ik garandeer je bro als die me laat stikke ik hem opknap! En je weet ik dreig niet bro ik doe het!’ ‘Ja dat weet ik al een tijdje en papa was town direct erheen gegaan en had hem de kans gegeven of in een kogel regen te sterve of betale toen had ik met 2dagen me geld vriend.’ Verder voerde [medeverdachte 1] op 17 april 2016, de dag waarop [slachtoffer 2] in IJsselstein is geliquideerd, kort na die liquidatie de volgende gesprekken: Onbekende: ‘Alles goed tijger? Hoorde knalpartij in ijsselstein. Geen bekenden toch?’ [medeverdachte 1] : ‘Weet al wie het is ouw haha niet van ons.’ [J] : Wat is er ysselstein gebeurt sir? [medeverdachte 1] : Ja ik weet niet heli cirkelt hele tijd maar nog niks over gehoort 1tje gewond AT is er ook! Wij zijn het niet hahahah en u ook niet anders vraagt u niet hahah. Dat in voorgaande berichten daadwerkelijk en serieus werd gesproken over het vermoorden (liquideren) van mensen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de organisatie waaraan [medeverdachte 1] leidinggaf gebruik maakte van garageboxen waarin (a.) gestolen (snelle) auto’s met gestolen kentekenplaten stonden die bij het plegen van strafbare feiten niet meteen te traceren waren, en (b.) een aanzienlijke voorraad vuurwapens, munitie en handgranaten is aangetroffen. Daarnaast kan uit PGP-berichten van [medeverdachte 1] worden afgeleid dat de organisatie gebruikmaakte van trackers waarmee auto’s van anderen konden worden gevolgd. De combinatie van de PGP-berichten van [medeverdachte 1] , zijn rol in de organisatie en de in de garageboxen aangetroffen voorraad wapens, munitie, handgranaten en auto (BMW), brengt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de organisatie het oogmerk had om vanuit garageboxen liquidaties te (kunnen) plegen. De rechtbank merkt in dit verband nogmaals op dat een feit van algemene bekendheid is dat de internationale, grootschalige handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met geweld en liquidaties, uitgevoerd met wapens zoals aangetroffen in dit onderzoek. Het ten laste gelegde oogmerk op het voorbereiden van liquidaties komt de rechtbank onlogisch voor. Voorbereiding (artikel 46 Sr) komt na artikel 45 Sr (poging) en is in het leven geroepen om niet gerealiseerde misdrijven, die om andere redenen dan een vrijwillige terugtred, nog niet tot een begin van uitvoering zijn gekomen, toch strafbaar te kunnen stellen. Het is moeilijk voorstelbaar dat het oogmerk van een criminele organisatie is gericht op onvoltooide misdrijven. Opzetheling In de garagebox aan de [adres] in [woonplaats] is – zoals hiervoor al kort aangestipt – ook een gestolen auto (BMW) aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte deze auto – in het kader van zijn werkzaamheden voor de organisatie – heeft geheeld. Op die auto zaten gestolen kentekenplaten en op een kluis in de garagebox lagen nog meer gestolen kentekenplaten. Bij de loods in [woonplaats] is een gestolen auto (Volkswagen Transporter) aangetroffen waarvan [medeverdachte 1] gebruikmaakte en die naar het oordeel van de rechtbank door [medeverdachte 1] is geheeld. Op die auto zaten kentekenplaten die jaren geleden zijn gestolen. De kentekenplaten op de gestolen auto in de garagebox in [woonplaats] bleken van dezelfde diefstal afkomstig. Verder zijn in de woning van verdachte ook gestolen kentekenplaten aangetroffen. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande, in onderling verband bezien met de misdrijven die door de organisatie werden beoogd en zijn gepleegd, dat het oogmerk van de organisatie ook was gericht op het (opzettelijk) helen van auto’s en kentekenplaten. Het witwassen van het met de handel in drugs verdiende geld Uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat de criminele organisatie geld (‘pap’) verdiende met de internationale handel in drugs(transporten). Zo werd in PGP-berichten veelvuldig gesproken over de prijzen van de in opdracht van [medeverdachte 1] georganiseerde transporten en de prijzen van de te transporteren (en in Groot-Brittannië te verkopen) harddrugs zelf. Dat met de handel aanzienlijke geldbedragen werden verdiend, kan onder meer worden afgeleid uit een gesprek van [medeverdachte 1] met een vast contact van hem en verdachte in april
  15. [medeverdachte 1] besprak met diegene wat ze overhielden na aftrek van de kosten van het drugstransport, waarop [medeverdachte 1] schreef: ‘Ik doe het nog voor de kids, voor mezelf ben ik al lang klaar’. Typerend zijn ook de in de bewijsbijlage opgenomen gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] in 2015 waarin onder meer het volgende werd gezegd: ‘ [medeverdachte 1] : (…) als klant ok vind is het goed haha ik hoef het gelukkig niet op te snuive die kk zooi. [slachtoffer 1] : Klopt klant is koning nee weg met die rotzooi is om centen te maken niet om junk te worden (…) en [slachtoffer 1] : Ik heb 3000 euro gezegd voor tp (…) is 16000 met zn 2 en lekker verdient toch? [medeverdachte 1] : (…) Kijk bro we verdiene (…) aan transport.’ Om in de onderhavige zaak tot een bewezenverklaring van voormeld oogmerk te komen, is ingevolge artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr niet alleen vereist dat het wit te wassen geld afkomstig was uit enig (of eigen) misdrijf, maar ook dat de criminele organisatie beoogde dat geld te verwerven, gebruiken, voorhanden te hebben of om te zetten. Met het omzetten van het geld wordt het wisselen van geld met een andere geldswaarde of met handelsartikelen bedoeld. Van gebruikmaken in de zin van artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr is sprake als het geld wordt aangewend ten behoeve van de witwasser zelf of van derden. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de criminele organisatie het met de handel in harddrugs verdiende geld heeft omgezet en gebruikt. Zo werden op de bankrekeningen van de bedrijven [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 7] B.V. – bedrijven die door de criminele organisatie werden gebruikt voor het uitvoeren van een aantal van de onder 1 bewezen verklaarde drugstransporten – aanzienlijke contante geldbedragen gestort. Daarnaast ontving medeverdachte [medeverdachte 3] tijdens zijn verblijf in Groot-Brittannië met regelmaat contante geldbedragen ten behoeve van zijn werkzaamheden voor de organisatie. Nu de rechtbank in het dossier geen enkele logische en legale verklaring heeft kunnen vinden voor de herkomst van deze contante geldbedragen en hierover in het geheel geen verklaringen zijn afgelegd door verdachte en zijn medeverdachten, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat deze bedragen afkomstig zijn van de handel in drugs(transporten). De criminele organisatie heeft deze contante geldbedragen witgewassen door ze op de rekeningen van voormelde bedrijven te storten en vervolgens – ten behoeve van de organisatie zelf – te gebruiken voor het (giraal) betalen van (a.) de huur van de loodsen in Nederland en Groot-Brittannië, (b.) rekeningen van transportbedrijven en (c.) rekeningen van een [webwinkel] en een bedrijf in Polen dat handelt in accu’s en batterijen. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft de door hem ontvangen contante geldbedragen witgewassen door er bijvoorbeeld zijn verblijf in het Engelse hostel van te betalen. [medeverdachte 3] verbleef in dat hostel in het kader van zijn werkzaamheden voor de criminele organisatie. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie óók was gericht op het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld (als bedoeld in artikel 420bis Sr). Over het in de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen geldbedrag overweegt de rechtbank het volgende. Zoals hierna nog zal blijken, is de rechtbank van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte 2] heeft deelgenomen aan de criminele organisatie die was gericht op – onder meer – het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat onder hem een contant geldbedrag van € 100.000,- in beslag is genomen. Dit geldbedrag is aangetroffen in een tas, die weer in een Albert Heijn tas zat. Deze Albert Heijn tas zat weer in een koffer, die op de zolder van de woning van [medeverdachte 2] lag. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat het verstopte geld inkomsten uit zijn [bijnaam] betrof. De rechtbank acht die verklaring niet geloofwaardig, nu deze op geen enkele manier met stukken is onderbouwd en dus niet kan worden geverifieerd. Daarbij komt dat het geldbedrag vacuüm was verpakt met de vacuümmachine die is aangetroffen in de al meerdere keren genoemde loods van [medeverdachte 1] in [woonplaats] , terwijl [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij voor het vacumeren de vacuümmachine uit zijn eigen loods in Oss heeft gebruikt. De vacuümmachine uit de loods in [woonplaats] is echter gebruikt voor het verpakken van een aantal naar Groot-Brittannië getransporteerde pakketten heroïne en cocaïne. Gelet op het voorgaande en de betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij zowel de criminele organisatie als het onder feit 2 ten laste gelegde, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat het in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen geldbedrag ook afkomstig is van de handel in drugs(transporten). Het enkele verstoppen van dit geldbedrag door [medeverdachte 2] op zijn zolder levert nog geen witwassen op in de zin van artikel 420bis Sr, maar voor een bewezenverklaring van het oogmerk van de criminele organisatie is voldoende dat het witwassen van dat geldbedrag door de organisatie werd beoogd. Dat dit laatste het geval is, acht de rechtbank bewezen omdat de organisatie de transporten (deels) financierde met contant geld dat – zoals mag worden aangenomen – afkomstig was uit de opbrengsten van eerdere transporten. Tussenconclusie over het oogmerk van de organisatie Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 oktober 2018 was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet én op het plegen van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie, opzetheling en witwassen. De rol van verdachte Uit het voorgaande en de bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van de feiten 1, 3 en 5 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte gedurende de hiervoor genoemde periode, samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en één of meer anderen opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte met alle hiervoor genoemde personen contact heeft gehad doet daar niet aan af, nu voor een bewezenverklaring niet is vereist dat verdachte met alle deelnemers aan de organisatie heeft samengewerkt. Zowel verdachte als zijn medeverdachten hebben een aandeel gehad in gedragingen die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Uit wat daarover in de vorige paragrafen is overwogen, blijkt zonder meer dat verdachte er – meer dan in algemene zin – van op de hoogte was dat het plegen van misdrijven het oogmerk van de organisatie was. Conclusie Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 oktober 2018 met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en één of meer anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en het plegen van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie, het plegen van opzetheling en het witwassen van geld dat afkomstig was uit de handel in drugs(transporten). Partiële vrijspraak De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte leiding heeft gegeven aan de organisatie, nu uit de bewijsmiddelen is gebleken dat [medeverdachte 1] de leiding had over de organisatie en verdachte hem bijstond in een meer coördinerende en uitvoerende rol. De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk had het voorbereiden van moorden en het plegen van diefstallen. Het procesdossier bevat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Om diezelfde reden kan niet worden bewezen dat de organisatie was gericht op het transporteren van softdrugs. Dat verdachte met medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] heeft deelgenomen aan de organisatie kan naar het oordeel van de rechtbank niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van deze onderdelen van het ten laste gelegde. Dat geldt ook voor de onder feit 2 ten laste gelegde periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014, nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte in die periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. 4.3.4 Vrijspraak ten aanzien van feit 4 Aan verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd dat hij de wapens en munitie die in de loods van medeverdachte [medeverdachte 2] zijn aangetroffen, samen met anderen, voorhanden heeft gehad. Hoewel verdachte daarvan in het kader van de criminele organisatie een verwijt kan worden gemaakt, bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het bewijs van medeplegen. Voor het bewijs van medeplegen is – zoals eerder al overwogen – vereist dat de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van voldoende gewicht was. Dat laatste kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 4 ten laste gelegde. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
  16. in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 oktober 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland – te weten naar Groot-Brittannië – heeft gebracht en heeft vervoerd, telkens grote hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij die wet behorende lijst 1;
  17. in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 oktober 2018 te Nieuwegein , Tull en ‘t Waal en elders in Nederland en in Groot-Brittannië heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet; enin de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 oktober 2018 te Nieuwegein en Tull en ‘t Waal en elders in Nederland en/of Groot-Brittannië, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - het opzettelijk en met voorbedachten rade anderen van het leven te beroven en - het voorhanden hebben van wapens en van munitie van de categorieën II en III en - het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig van de handel in drugs zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht en - opzetheling;
  18. op 8 oktober 2018 te Bilthoven, tezamen en in vereniging met een ander, 10 wapens van categorie III, te weten: - een vuurwapen Heckler & Koch, 9mm en - een vuurwapen Star, 9 mm en - een vuurwapen Taurus, .32 Long) en - een vuurwapen HS, 9mm en - een vuurwapen CZ, 9mm en - een vuurwapen Taurus, .22LR en - een vuurwapen Astra, 6.35mm en - een vuurwapen Thompson, 444 Rem Mag en - een vuurwapen Colt, .222RM en - een vuurwapen Colt, .223 en wapens van categorie II, te weten 10 handgranaten en meer stuks munitie

(2590)van categorie III en één stuk munitie van categorie II, voorhanden heeft gehad;
  1. op 8 oktober 2018 te Bilthoven, tezamen en in vereniging met een ander, een auto (BMW M5, voorzien van valse kentekenplaten [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
  2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
  3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
  4. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd;
  5. medeplegen van opzetheling. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 14 jaren met aftrek van het voorarrest. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank – indien zij tot een bewezenverklaring komt – verzocht om verdachte een substantieel lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd. De raadsman heeft betoogd dat in strafverminderende zin rekening moet worden gehouden met de beperkte rol van verdachte in de organisatie, zijn persoonlijke omstandigheden en het bepaalde in artikel 63 Sr. De raadsman heeft de rechtbank ook verzocht om bij het bepalen van de straf aansluiting te zoeken bij straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. Zo heeft hij minstens vijf jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die was gericht op – onder meer – de grootschalige, internationale handel in harddrugs. Verdachte heeft, samen met anderen, een zeer grote hoeveelheid van meer dan 2500 kilo cocaïne en heroïne vanuit Nederland naar Groot-Brittannië getransporteerd. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor zowel de problemen van kwetsbare verslaafden als de overlast en gevoelens van onveiligheid die gepaard gaan met de grootschalige handel in harddrugs. Daar komt bij dat achter de grootschalige, internationale handel in harddrugs een wereld van georganiseerde criminaliteit schuilgaat die steeds meer wordt gekenmerkt door ondermijning, intimidatie en geweld. Met name dit laatste baart de rechtbank ernstige zorgen en de rechtbank neemt het verdachte dan ook bijzonder kwalijk dat hij onderdeel uitmaakte van die wereld. De organisatie waaraan verdachte deelnam was namelijk niet alleen gericht op de grootschalige, internationale handel in drugs, maar ook op het plegen van liquidaties, het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld, het helen van auto’s en het voorhanden hebben van wapens en munitie. Verdachte had een aanzienlijk aantal vuurwapens, handgranaten en munitie voorhanden, net als andere leden van de criminele organisatie. Het behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen betoog dat verdachte en de organisatie met het ongecontroleerde bezit van die wapens en munitie onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen in het leven hebben geroepen. Hoewel in deze zaak geen geweldsfeiten bewezen zijn verklaard, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de wapenvoorraad en geheelde auto’s en kentekenplaten die in de onderhavige zaak in verschillende garageboxen zijn aangetroffen, direct verband hielden met de grootschalige handel in drugs en het daarmee gepaard gaande oogmerk op het plegen van liquidaties Het witwassen van geld dat afkomstig is van de handel in drugs vormt daarnaast een ernstige bedreiging voor de legale economie. Met dat witgewassen geld wordt bovendien vaak ander strafbaar handelen gefaciliteerd. Het in georganiseerd verband plegen van de hiervoor omschreven misdrijven werkt ontwrichtend voor de samenleving. Verdachte heeft zich hier niets van aangetrokken. Hij heeft zich enkel en alleen laten leiden door eigen gewin en de rechtbank rekent verdachte dit zeer zwaar aan. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in het nadeel van verdachte rekening met de rol die hij gedurende enkele jaren binnen de organisatie heeft vervuld. Hoewel verdachte niet kan worden aangemerkt als leider van de organisatie, vervulde hij een belangrijke en centrale rol. Zo verrichtte verdachte in het kader van de drugstransporten niet alleen belangrijke uitvoerende, maar ook coördinerende en ondersteunende werkzaamheden. Hij had contact met Nederlandse en Britse mededaders en stond in nauw contact met medeverdachte [medeverdachte 1] , de leider van de organisatie. Typerend hiervoor is dat verdachte door contacten van [medeverdachte 1] werd gebeld als zij [medeverdachte 1] zelf niet konden bereiken. Persoon van verdachte Verdachte heeft zich op de meeste vragen van politie en justitie over de aan hem ten laste gelegde feiten beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank enkel ongeloofwaardige verklaringen afgelegd. De rechtbank kan dan ook niet inschatten in hoeverre verdachte zich bewust is van de ernst en het laakbare van zijn handelen. Zonder inzicht in de beweegredenen van verdachte moet worden gevreesd voor herhaling. Die vrees wordt nog extra gevoed door het strafblad van verdachte van 28 oktober
  6. Daaruit blijkt namelijk dat verdachte in 2014 in het kader van een ander opsporingsonderzoek al werd verdacht van de handel in harddrugs. Verdachte heeft in die zaak in voorlopige hechtenis gezeten van 23 juni 2014 tot en met 26 september
  7. Deze voorlopige hechtenis heeft kennelijk geen indruk op verdachte gemaakt, nu uit de bewijsmiddelen in de onderhavige zaak blijkt dat hij zijn criminele werkzaamheden bijna direct na zijn vrijlating weer heeft opgepakt. Op grond van het voorgaande, in combinatie met de lange periode waarin de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd en het financiële motief van verdachte voor het plegen van die feiten, schat de rechtbank het gevaar voor recidive hoog in. De rechtbank houdt daar in strafverzwarende zin rekening mee. Verdachte is in de hiervoor aangehaalde zaak uit 2014 uiteindelijk pas in juni 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaren. De rechtbank houdt op grond van het bepaalde in artikel 63 Sr rekening met deze veroordeling. De raadsman heeft betoogd dat in strafverminderende zin rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De raadsman heeft daartoe onder meer gewezen op de jonge leeftijd van de dochter van verdachte en de ernstige ziekte van zijn vader. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte rekening te houden met deze persoonlijke omstandigheden, gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Verdachte was (in ieder geval sinds 2014) een gewaarschuwd mens, maar heeft er welbewust voor gekozen zijn criminele activiteiten voort te zetten. Ook de diagnose van zijn vader, de geboorte van zijn dochter en zijn veroordeling in juni 2018 hebben hem hiervan niet weerhouden. Strafoplegging De rechtbank is op grond van de hiervoor besproken ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte van oordeel dat aan verdachte een langdurige, onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechtbank acht het vanuit het oogpunt van zowel speciale als generale preventie bovendien van groot belang dat in de strafoplegging tot uiting komt dat misdrijven als de onderhavige op de lange termijn niet lonen en dat op het plegen daarvan een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren. De raadsman heeft betoogd dat de rechtbank – in geval van een bewezenverklaring – een substantieel lagere straf zou moeten opleggen. De rechtbank overweegt het volgende over de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de straf aansluiting te zoeken bij straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De raadsman heeft daartoe gewezen op redelijk recente uitspraken van de rechtbank Rotterdam, de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de verdachten voor de in- of uitvoer van vergelijkbare hoeveelheden harddrugs zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen van 7 jaren. De rechtbank vindt echter dat deze zaken niet zonder meer als soortgelijke zaken kunnen worden bestempeld, nu verdachte zich gedurende een veel langere periode aan meer en ernstigere feiten heeft schuldig gemaakt dan de verdachten in de door de raadsman aangehaalde zaken. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan verdachte een aanzienlijk langere gevangenisstraf moet worden opgelegd dan een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren. Om te bevorderden dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn binnen de rechtspraak oriëntatiepunten voor de straftoemeting ontwikkeld. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf daarom ook rekening gehouden met het volgende. Voor het in georganiseerd verband uitvoeren van meer dan 20 kilo harddrugs geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van tenminste zes jaar. Verdachte heeft samen met anderen meer dan het honderdvoudige, namelijk minstens 2500 kilo harddrugs, uitgevoerd. Als oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een pistool of revolver geldt een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en het uitgangspunt dat kan worden gehanteerd voor het voorhanden hebben van een handgranaat is een gevangenisstraf van 6 maanden. Verdachte had niet één, maar tien vuurwapens en tien handgranaten in zijn bezit. Voor het deelnemen aan een criminele organisatie of het helen van auto’s zijn geen oriëntatiepunten ontwikkeld. Conclusie Gelet op al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend is. De rechtbank merkt daarbij op dat zij is gebonden aan het strafmaximum zoals neergelegd in artikel 57 Sr – in casu 16 jaren – en dat zij rekening houdt met het bepaalde in artikel 63 Sr. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van het voorarrest. 9BESLAG Op 8 oktober 2018 is een groot aantal goederen onder verdachte en in zijn woning in beslag genomen. Verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van een deel van die goederen. De rechtbank hoeft op het beslag van die goederen dan ook geen beslissing meer te nemen. Over de volgende in beslag genomen goederen dient de rechtbank bij vonnis te beslissen: Apple iPhone 7 (IBN-code 02.06.01.001); Apple iPad (IBN-code 02.06.02.003); Apple iPhone wit (IBN-code 02.06.03.003); Huawei p 20 telefoon (IBN-code 02.06.04.001); Alcatel, telecommunicatie, zwart (IBN-code 02.06.06.001); Sleutelbos (IBN-code 02.09.01.001); 2 sleutels met metalen labeltje met inscriptie 618 (IBN-code 02.09.02.001); 1 sleutel (IBN-code 2V1.02.001); Apple iPod (IBN-code 02.10.01.002); Acer laptop (IBN-code 02.01.01.002); Samsung telefoon (IBN-code 02.10.01.003); Alcatel One Touch telefoon (IBN-code 02.06.03.001). De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de eerste tien goederen aan verdachte kunnen worden geretourneerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een andere beslissing te nemen, nu niet is gebleken dat deze goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. De rechtbank zal dan ook gelasten dat deze goederen aan verdachte worden geretourneerd. De officier van justitie heeft gesteld dat de Samsung en Alcatel One Touch telefoons verbeurd moeten worden verklaard, omdat met behulp van deze telefoons strafbare feiten zijn gepleegd. De verdediging heeft zich ten aanzien van een beslissing op het beslag van deze telefoons gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de Samsung en Alcatel One Touch telefoons niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, nu uit de stukken in het dossier niet is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van deze telefoons zijn begaan. De rechtbank zal daarom gelasten dat de telefoons aan verdachte worden teruggegeven. 10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 63, 140 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 11BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder feit 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder de feiten 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 jaren; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Beslag - gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen: Apple iPhone 7 (IBN-code 02.06.01.001); Apple iPad (IBN-code 02.06.02.003); Apple iPhone wit (IBN-code 02.06.03.003); Huawei p 20 telefoon (IBN-code 02.06.04.001); Alcatel, telecommunicatie, zwart (IBN-code 02.06.06.001); Sleutelbos (IBN-code 02.09.01.001); 2 sleutels met metalen labeltje met inscriptie 618 (IBN-code 02.09.02.001); 1 sleutel (IBN-code 2V1.02.001); Apple iPod (IBN-code 02.10.01.002); Acer laptop (IBN-code 02.01.01.002); Samsung telefoon (IBN-code 02.10.01.003); Alcatel One Touch telefoon (IBN-code 02.06.03.001). Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman voorzitter, mrs. E.H.M. Druijf en E.J.W. Verhaagh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 maart
  8. De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE 1: DE TENLASTELEGGING Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
  9. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland - te w

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.