← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:1249

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Locatie Utrecht, zitting houdende in de beveiligde rechtbank ‘De Bunker’ in Amsterdam Parketnummer: 16/705490-18 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 29 maart 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1974] in [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] in [woonplaats ] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op: 23 januari 2019, 10 april 2019, 5 juni 2019, 28 augustus 2019, 11 september 2019, 15 november 2019, 30 januari 2020 en 23 april 2020 (regie-/pro formazittingen);  9, 10 9, 10 en 12 november 2020 (inhoudelijke behandeling);  9, 10 29 maart 2021 (sluiting van het onderzoek). De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft kennisgenomen van de standpunten en de vordering van de officieren van justitie, mrs. B.E.M. van de Ven en J. Zeilstra (hierna gezamenlijk te noemen: de officier van justitie), en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Aanleiding Dit vonnis betreft de strafzaak van verdachte [verdachte] . Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam 09Napoles . Onderzoek 09Napoles werd in december 2016 opgestart naar aanleiding van een reeks liquidaties, waaronder die van [slachtoffer 1] in september 2015. In de telefoon van [slachtoffer 1] werden versleutelde berichten aangetroffen over internationale drugshandel die vermoedelijk afkomstig waren van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , medeverdachten van verdachte [verdachte] . Uit onderzoeken van de Britse politie bleek dat deze medeverdachten vermoedelijk betrokken waren bij een aantal in 2015 en 2016 in Groot-Brittannië onderschepte drugstransporten. Verdachte zou daartoe met hen hebben samengewerkt. De Britse politie heeft via rechtshulpverzoeken contact opgenomen met de Nederlandse autoriteiten, wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat een groot aantal Britse dossierstukken aan het dossier 09Napoles zijn toegevoegd. Verdachte en zijn medeverdachten genaamd [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn na een langdurig opsporingsonderzoek aangehouden in oktober 2018. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting van 28 augustus 2019 nader omschreven. Op de zitting van 9 november 2020 is die nader omschreven tenlastelegging gewijzigd. Deze tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 1. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland en/of Groot-Brittannië, samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en/of anderen, heeft deelgenomen aan: a. een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en/of b. een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van de volgende misdrijven: - moord en/of de voorbereiding daarvan; - het voorhanden hebben van wapens en munitie; - het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig uit de drugshandel; - diefstal; - opzetheling; 2. op 8 oktober 2018 in [woonplaats ] , samen met anderen, wapens en munitie voorhanden heeft gehad; subsidiair op 8 oktober 2018 in [woonplaats ] medeplichtig is geweest aan het onder 2 primair ten laste gelegde; 3. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland, samen met anderen, meerdere keren grote hoeveelheden harddrugs buiten het grondgebied van Nederland – naar Groot-Brittannië – heeft gebracht en/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd; subsidiair in de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland medeplichtig is geweest aan het onder 3 primair ten laste gelegde. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn die maken dat de rechtbank deze strafzaak niet inhoudelijk kan beoordelen. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van levensdelicten, opzetheling, diefstal of witwassen, kan volgens de officier van justitie niet worden bewezen. Verdachte moet van dat gedeelte van het onder feit 1 ten laste gelegde dan ook worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte, zoals onder feit 2 ten laste gelegd, samen met een ander wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Ook kan volgens de officier van justitie worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen – gedurende een gedeelte van de onder feit 3 ten laste gelegde periode – heeft schuldig gemaakt aan het transporteren van harddrugs van Nederland naar Groot-Brittannië. Verdachte was volgens de officier van justitie betrokken bij de transportlijn die is genoemd in het zaaksdossier Rainham (onderzoek Cigua). De rechtbank zal de standpunten van de officier van justitie – ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis en voor zover van belang voor de beoordeling – bespreken in paragraaf 4.3. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe een aantal verweren gevoerd. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3. 4.3. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Bewijsmiddelen ten aanzien van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten De rechtbank merkt vooraf het volgende op. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in een bij dit vonnis gevoegde bijlage (bijlage II) en dienen op deze plaats als ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt voor het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. 4.3.2 Bewijsoverwegingen 4.3.2.1 De voor het bewijs gebruikte PGP-mailberichten De rechtbank heeft voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten gebruik gemaakt van e-mailberichten die zijn verstuurd met zogeheten Pretty Good Privacy-telefoons, telefoons waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd. Voordat de rechtbank nader ingaat op de aan verdachte ten laste gelegde feiten, gaat de rechtbank – ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis – in op de PGP-mailadressen die aan verdachte en medeverdachten worden toegeschreven en het versluierde taalgebruik dat door de gebruikers van die PGP-mailadressen wordt gehanteerd. De PGP e-mailadressen van verdachte en medeverdachten Het procesdossier bevat veel PGP-mailberichten die volgens de officier van justitie door en aan verdachte en zijn medeverdachten zijn verstuurd. De rechtbank heeft in bijlage II (de bewijsbijlage) een aantal overwegingen gewijd aan de mailadressen die aan verdachte en zijn medeverdachten worden toegeschreven. Die overwegingen moeten als hier ingelast worden beschouwd (hoofdstuk 1 van bijlage II). In die overwegingen concludeert de rechtbank, kortgezegd, dat: - verdachte gebruik heeft gemaakt van PGP-mailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz; - [medeverdachte 1] gebruik heeft gemaakt van de PGP-mailadressen [bijnaam medeverdachte 1] @pgpsafe.net, [e-mailadres 9] @activeshield.net en [e-mailadres 10] @pgpsafe.net; - [medeverdachte 2] gebruik heeft gemaakt van de PGP-mailadressen [e-mailadres 11] @pgpsafe.net, [e-mailadres 12] @activeshield.net, [e-mailadres 13] @encromail.ch, [e-mailadres 14] @pgpsafe.net en [e-mailadres 7] @encromail.ch; - [medeverdachte 3] gebruik heeft gemaakt van PGP-mailadres [e-mailadres 15] @pgpsafe.net. Het versluierde taalgebruik in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten Uit de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten leidt de rechtbank af dat vaak door middel van versluierde taal werd gecommuniceerd. Voor de deelnemers aan de gesprekken is duidelijk waarover wordt gesproken, maar op basis van de letterlijke tekst van de gesprekken is dat voor een buitenstaander niet per se het geval. Om de betekenis en strekking van de in de bewijsmiddelen weergegeven woorden en gesprekken te duiden, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De rechtbank heeft daarbij onder meer rekening gehouden met de continuïteit waarmee bepaalde woorden of uitdrukkingen voorkomen, de context waarin deze worden gebruikt, gebeurtenissen waarvan is vastgesteld dat deze hebben plaatsgevonden en met de in het onderzoek aangetroffen en/of in beslag genomen goederen. Ten behoeve van de leesbaarheid van de in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten en de hierna volgende overwegingen, stelt de rechtbank ten aanzien van een aantal veelgebruikte woorden het volgende vast. Verdovende middelen In de bewijsbijlage zijn PGP-berichten opgenomen van verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en anderen die zijn verzonden in de periode van 24 augustus 2015 tot en met 31 mei 2016. Uit die PGP-berichten blijkt dat in deze periode veelvuldig werd gesproken over het transporteren van goederen naar Groot-Brittannië. De goederen die naar Groot-Brittannië moesten worden getransporteerd werden doorgaans aangeduid met woorden als ‘vieze’, ‘dure’, ‘wit’ en ‘bruin’ en een enkele maal met ‘rolex’, ‘charlie’, ‘goede vrouwen’, ‘aa’ en ‘eagle’. Dat met deze woorden harddrugs werden bedoeld, kan naar het oordeel van de rechtbank onder meer worden afgeleid uit de context waarin de woorden werden gebruikt. Zo werd in gesprekken over het transporteren van (de met voormelde woorden aangeduide) goederen veelvuldig gesproken over aantallen en inkoop- en verkoopprijzen. Daarnaast werd gesproken over junks die ‘vieze’ en/of ‘dure’ hebben getest, over het uitkoken van de handel, over ‘vieze’ die alleen kan worden gespoten, over het opsnuiven van ‘die kkzooi’ en over de kwaliteit, glans en geur van ‘vieze’ en/of ‘dure’. Dat met de hiervoor genoemde woorden specifiek heroïne en cocaïne werden bedoeld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende. Het zijn feiten van algemene bekendheid dat cocaïne wit van kleur is en heroïne bruin, en dat cocaïne doorgaans wordt gesnoven en heroïne geïnjecteerd (‘gespoten’). In straattaal wordt voor cocaïne doorgaans het woord ‘wit’ gebruikt en voor heroïne het woord ‘bruin’. Het staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook vast dat in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten de woorden ‘wit’ en ‘bruin’ werden gebruikt als werd gesproken over cocaïne en heroïne. Dat met ‘dure’, ‘charlie’ en ‘rolex’ ook cocaïne werd bedoeld en met ‘vieze’ heroïne, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit – onder meer – de voor het bewijs gebezigde gesprekken tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] van augustus en september 2015. Uit die gesprekken en de aantallen die daarin worden genoemd kan namelijk worden afgeleid dat de woorden ‘dure’, ‘charlie’ en ‘rolex’ als synoniemen van het woord wit werden gebruikt en dat het woord ‘vieze’ een ander woord was voor ‘bruin’. Daar komt nog bij dat niet alleen op grond van de (context en inhoud van) de PGP-berichten zelf, maar ook op grond van andere bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat werd gesproken over de drugssoorten cocaïne en heroïne. Zo blijkt uit hierna nog te bespreken bewijsmiddelen dat verdachte en een aantal medeverdachten betrokken waren bij het transporteren van drugs naar Groot-Brittannië. De rechtbank gaat verderop in het vonnis nader in op die betrokkenheid. In dit kader is echter van belang dat bij de onderschepping van een transport enkel grote hoeveelheden heroïne en cocaïne zijn aangetroffen. Gelet op al het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten met de woorden ‘vieze’, ‘dure’, ‘wit’, ‘bruin’, ‘rolex’, ‘charlie’ en ook ‘goede vrouwen’, ‘aa’ en ‘eagle’, cocaïne en/of heroïne werden bedoeld. Geld Het woord ‘pap’ komt in veel PGP-gesprekken voor. ‘Pap’ (afkorting van ‘paper’) is straattaal voor geld. Dat verdachte en anderen met het woord ‘pap’ ook daadwerkelijk geld bedoelden, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid uit de inhoud en context van de PGP-berichten, bezien in het licht van de overige, hierna nog te bespreken bewijsmiddelen in dit dossier. Medeverdachte [medeverdachte 1] sprak bijvoorbeeld met regelmaat over het wisselen van ‘pap’ bij een wisselaar. In één van die gesprekken vroeg hij of hij de ‘pap’ – zodra het was gestort – moest afgeven bij de wisselaar van zijn gesprekspartner. In een ander gesprek schreef hij dat ze elke paar ‘mil’ wisselen. Verder schreef [medeverdachte 3] in een PGP bericht aan [medeverdachte 1] dat hij het waarschijnlijk wel zou redden met het geld dat hij nog over had. [medeverdachte 1] schreef daarop dat het wel goed zou komen, omdat verdachte de volgende dag waarschijnlijk weer ‘pap’ kon aanpakken. Vuurwapens Het woord ‘yzer’ komt in enkele voor het bewijs gebruikte PGP-berichten voor. In straattaal wordt voor de woorden vuurwapen en/of pistool doorgaans het woord ‘yzer’ gebruikt. Dat met het woord yzer in de voor het bewijs opgenomen PGP-berichten ook daadwerkelijk een vuurwapen wordt bedoeld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit de omstandigheid dat onder de medeverdachten die het woord ‘yzer’ in hun PGP-berichten gebruikten, een aanzienlijk aantal wapens en munitie is aangetroffen. Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij het bespreken van PGP-berichten in de hierna volgende overwegingen de woorden cocaïne, heroïne, geld en (vuur)wapen gebruiken in plaats van de hiervoor besproken verdekte termen. 4.3.2.2 De feiten en omstandigheden Ten behoeve van de leesbaarheid van deze paragraaf merkt de rechtbank alvast het volgende op. Het procesdossier 09Napoles bevat onder meer de zaaksdossiers Gravesend (onderzoek Creek), Manchester (onderzoek Wheat), Rainham (onderzoek Cigua) en Veenendaal . Dit betreffen onderzoeken van de Nederlandse en Engelse politie naar aanleiding van in Groot-Brittannië onderschepte drugstransporten. Uit de hierna volgende overwegingen zal blijken dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte betrokken was bij de in het zaaksdossier Rainham omschreven transporten, maar niet bij de transporten die zijn omschreven in de zaaksdossiers Gravesend , Manchester en Veenendaal . Ten behoeve van het bewijs van een aantal in de onder de feiten 1 tot en met 3 opgenomen bestanddelen maakt de rechtbank echter wél gebruik van (schakel)bewijsmiddelen die voortvloeien uit de zaaksdossiers Gravesend , Manchester en Veenendaal . De rechtbank gaat in deze paragraaf daarom eerst in op de feiten en omstandigheden die voortvloeien uit alle hiervoor genoemde zaaksdossiers. De rechtbank zal vervolgens ingaan op de feiten en omstandigheden ten aanzien van de in het onderzoek 09Napoles aangetroffen wapens en munitie. De rechtbank bespreekt in paragraaf 4.3.2.3 welke conclusies zij op grond van die feiten en omstandigheden trekt over – onder meer – de rol van verdachte ten aanzien van de feiten 2 en 3. 4.3.2.2.1 De drugstransporten De feiten met betrekking tot onderzoek Creek, zaaksdossier Gravesend Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.1, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Onderschepping Onderzoek Creek is een drugsonderzoek van de politie te Gravesend , een plaats in het graafschap Kent in Engeland (Groot-Brittannië). Op 5 maart 2015 werd door de politie in Gravesend gezien dat [naam 1] een koffer overhandigde aan een persoon genaamd [naam 2] . In deze koffer zaten – zo bleek later – tien blokken met verdovende middelen. In de auto van [naam 1] werden drie exact dezelfde koffers aangetroffen waarin ook een aantal pakjes met verdovende middelen zat. Uit in Groot-Brittannië verricht laboratoriumonderzoek bleek dat het in totaal ging om ongeveer dertig kilo heroïne en twaalf kilo cocaïne. [naam 1] bleek te verblijven in hotel [hotel] in [woonplaats ] . Hij verbleef daar samen met [naam 16] . [naam 1] en [naam 16] zijn in Groot-Brittannië uiteindelijk veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de handel in verdovende middelen. [naam 16] en [naam 1] bleken al zo’n half jaar regelmatig in hotel [hotel] te hebben overnacht. Uit reisgegevens blijkt dat [naam 16] en [naam 1] in de periode van 29 april 2014 tot en met 4 maart 2015 nagenoeg iedere maand één- tot tweemaal voor één of enkele dagen naar Groot-Brittannië zijn gereisd, zowel samen als alleen. Op 29 april, 8 mei en 19 mei 2014 vloog [naam 16] niet samen met [naam 1] , maar met medeverdachte [medeverdachte 2] van Amsterdam naar Londen. Uit bonnen die in de woning van [medeverdachte 2] zijn aangetroffen kan worden afgeleid dat hij kort daarvoor, namelijk op 12 en 13 maart 2014, heeft overnacht in het hiervoor al genoemde hotel [hotel] in [woonplaats ] . Bedrijven en loodsen In de hotelkamer van [naam 1] en [naam 16] werd een transportbrief aangetroffen van het bedrijf [bedrijf 1] Ltd. met daarop het adres van een loods in [woonplaats ] (ook in het graafschap Kent ). Dit bedrijf stond op naam van een persoon genaamd [naam 3] . Hij huurde ook de loods in [woonplaats ] . In die loods zijn op 6 maart 2015 – onder meer – ontvangstbewijzen voor zwarte koffers, een vorkheftruck, krimpfolie en een groot aantal dozen van www. [bedrijf 2] .nl aangetroffen. In en naast die dozen lagen [website] /acculaders. Een aantal in de loods aangetroffen [website] /acculaders was hol van binnen. De accu’s waren uit deze [website] /acculaders verwijderd en vervangen door een met lood beklede verpakking. In deze accu’s paste ongeveer een kilo van de verdovende middelen, precies de grootte van een pak. Tijdens de doorzoeking van de loods in [woonplaats ] kwam een chauffeur met een Nederlandse vrachtwagen aan bij de loods, die daar pallets met auto-onderdelen kwam ophalen. Hij had een vrachtbrief bij zich waaruit bleek dat de pallets moesten worden vervoerd naar een bedrijf met een loods aan de [adres 3] in [woonplaats ] (hierna: de loods in [woonplaats ] ). Deze loods bleek te zijn gehuurd door [naam 3] , de persoon die ook de loods in [woonplaats ] huurde. In de loods in [woonplaats ] werden (ook) een vorkheftruck, dozen met krimpfolie en ( [bedrijf 2] dozen met) acculaders aangetroffen. Een aantal acculaders was uitgehold en met lood bekleed, op exact dezelfde manier als de [website] /acculaders in de loods in [woonplaats ] . De eigenaar en verhuurder van de loods in [woonplaats ] zag wekelijks personen die bij de loods bezig waren pallets met dozen met acculaders te laden en lossen en herkende [medeverdachte 2] als een van de personen die hier wel eens bij was. Transportbrief in woning [medeverdachte 2] Eind juni 2014 is de woning van [medeverdachte 2] in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek doorzocht. In de woning werd een transportbrief aangetroffen die overeenkwam met de transportbrief die de chauffeur bij zich had toen hij op 6 maart 2015 aankwam bij de loods in [woonplaats ] . De transportbrief in de woning van [medeverdachte 2] had namelijk betrekking op 31 pallets met auto-onderdelen die op 6 juni 2014 namens het hiervoor al genoemde bedrijf [bedrijf 1] Ltd. vanaf de loods in [woonplaats ] moesten worden getransporteerd naar de loods in [woonplaats ] . Naast de transportbrief werden in de woning van [medeverdachte 2] een (Engelse) aankoop- en transportbon van een vorkheftruck van 4 maart 2014 aangetroffen. Deze vorkheftruck moest worden afgeleverd bij de loods van [bedrijf 1] Ltd. in [woonplaats ] . Transporten De dagen 6 juni 2014 en 5 maart 2015 blijken niet de enigen te zijn waarop transporten van auto-onderdelen plaatsvonden tussen de loods in [woonplaats ] en de loods van het bedrijf [bedrijf 1] Ltd. in [woonplaats ] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het eerste transport tussen beide loodsen plaatsvond op 12 maart 2014, de dag waarop [medeverdachte 2] overnachtte in hotel [hotel] . Het ging om een lading auto-onderdelen van [bedrijf 2] , die in opdracht van een Nederlands bedrijf op naam van [naam 3] naar het Engelse bedrijf op naam van diezelfde [naam 3] ( [bedrijf 1] Ltd.) werd getransporteerd. Na dat eerste transport vonden tot en met 5 maart 2015 minimaal 17 transporten (nagenoeg één tot tweemaal per maand) plaats van telkens zo’n 28 tot 34 pallets met auto-onderdelen (vaak omschreven als [bedrijf 2] , [bedrijf 2] , of [bedrijf 2] ). Binnen 2 tot 5 dagen na aankomst van zo’n transport in [woonplaats ] ging weer eenzelfde transport retour naar de loods in [woonplaats ] . Volgens de eigenaar en verhuurder van de loods in [woonplaats ] leek het erop dat iedere keer niet soortgelijke, maar exact dezelfde pallets met acculaders werden gebracht en gehaald: ‘(…) dan kwam bijvoorbeeld een week later weer een doos met een zelfde scheur erin terug’, aldus de eigenaar. De feiten met betrekking tot onderzoek Wheat, zaaksdossier Manchester De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.2, het volgende vast. Onderschepping Op 12 november 2015 werd in Groot-Brittannië een drugstransport onderschept dat afkomstig was van de Dominicaanse Republiek. De onderschepping werd nog even geheim gehouden en het transport werd onder controle van de politie op 23 november 2015 afgeleverd bij een loods. De container die werd getransporteerd bleek gevuld met dozen waarin [website] /acculaders van het merk [bedrijf 2] zaten. Vijftig [website] /acculaders waren uitgehold (de accu’s waren verwijderd) en de holle ruimtes waren bekleed met lood, op dezelfde wijze als de [website] /acculaders in het hiervoor besproken onderzoek met de naam Creek. In de holle ruimtes van deze vijftig [website] /acculaders zaten vacuüm verpakte blokken cocaïne. In totaal bleek in de [website] /acculaders 47 kilo cocaïne te zijn verstopt. De dozen waarin de [website] /acculaders met cocaïne zaten, waren gemarkeerd met een zwarte stip. Contacten van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] De Engelse [naam 4] werd op 23 november 2015 vanuit de hiervoor genoemde loods door de politie gevolgd naar de boerderij waar [naam 5] op dat moment verbleef. [naam 5] , [naam 4] en [naam 6] zijn na de aflevering van het transport op 23 november 2015 aangehouden en uiteindelijk veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de import en handel in verdovende middelen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 2] vanaf augustus 2015 tot en met november 2015 iedere maand in Manchester is geweest. In november, slechts drie dagen voor aankomst van het hierboven genoemde transport, had hij een ontmoeting met [naam 5] en [naam 4] in [woonplaats ] . Een maand eerder, op 13 oktober 2015, bevond [medeverdachte 2] zich ook al in [woonplaats ] , zo blijkt uit een PGP-bericht van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] . Uit de onderlinge samenhang tussen voorgaande feiten enerzijds en de inhoud, data en afzenders van de in de bewijsmiddelen opgenomen PGP-berichten anderzijds, blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in oktober en november 2015 met elkaar én met [naam 5] en [naam 6] spraken over het drugstransport dat op 12 november 2015 is onderschept. Zo sprak [medeverdachte 1] op 13 oktober 2015 – de dag waarop [medeverdachte 2] in [woonplaats ] was – met [naam 6] over ‘Domi’, het Verenigd Koninkrijk en de prijzen van harddrugs. Met een ander contact sprak [medeverdachte 1] over ‘Domi’ en over het vacumeren en wegleggen van iets (‘ze’) in ‘media’, omdat het voor ‘manch’ was. Op 10 november 2015 werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] er door [naam 5] van op de hoogte gebracht dat de douane ‘de container’ door middel van röntgenapparatuur zou controleren. Die controle zou volgens [medeverdachte 1] geen problemen opleveren, omdat de lading scanbestendig was. [medeverdachte 2] verwachtte dat de douane ook een steekproef zou doen, omdat het zo lang duurde. Op 12 november 2015 schreef een contact aan [medeverdachte 1] dat er niks aan de hand was als de douane tijdens een steekproef ‘een lege’ zou pakken. [naam 5] stelde voor om als alles goed was gegaan ‘ [naam 4] ’ te sturen [de rechtbank begrijpt: [naam 4] naar de loods te sturen]: ‘dan weten we of [naam 4] de gevangenis in gaat, hahaha’, aldus [naam 5] . Op 23 november 2015, de dag waarop [naam 4] en [naam 5] zijn aangehouden, zei [medeverdachte 1] nog tegen [naam 5] dat [naam 4] wat nepwerk moest gaan uitvoeren in de loods. Later die dag werd [medeverdachte 1] er door [naam 5] van op de hoogte gebracht dat [naam 4] vanuit de loods naar de boerderij, waar [naam 5] zich bevond, was gereden en dat de politie [naam 4] was gevolgd. De politie zat overal. [naam 5] vroeg of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] de telefoons van [naam 4] en [naam 6] direct wilden schoonvegen. De feiten met betrekking tot onderzoek Cigua, zaaksdossier Rainham Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.3, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Onderschepping Het onderzoek met de naam Cigua is een onderzoek van de politie te Rainham (Engeland). Op 12 oktober 2016 werd door de grenspolitie in Groot-Brittannië een transport gecontroleerd dat uit Nederland was gekomen. Het ging om een oplegger met 28 pallets met accu’s. Op die accu’s zaten etiketten van ‘ BT Battery ’. Een aantal accu’s bleek aan de binnenkant met lood bekleed. In de accu’s zaten pakketten met verdovende middelen die vacuüm waren verpakt en gemarkeerd (strepen of stickers in verschillende kleuren). In totaal werd er 55 kilo heroïne en 60 kilo cocaïne aangetroffen. Bedrijven, loodsen en transporten en de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 4] De onderschepte lading was naar Groot-Brittannië getransporteerd vanaf een loods in [woonplaats ] , Nederland. Afzender van de lading was het bedrijf [bedrijf 3] B.V. Dit bedrijf stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 4] , die het bedrijf eind december 2015 voor slechts 1 euro had overgenomen. Uit belastingaangiften bleek dat voor de jaren 2015 tot en met 2017 geen inkomsten waren opgegeven. [medeverdachte 4] huurde (namens [bedrijf 3] B.V.) ook de loods in [woonplaats ] en had – na de onderschepping van het transport op 12 oktober 2016 – contact met de douane. Na die onderschepping is voor de loods geen huur meer betaald en kreeg de eigenaar van de loods [medeverdachte 4] niet meer te pakken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in opdracht van [bedrijf 3] B.V. in de periode van 20 april 2016 tot en met 12 oktober 2016 dertienmaal accu’s en auto-onderdelen vanaf de loods in [woonplaats ] naar de loodsen van drie bedrijven in Groot-Brittannië zijn getransporteerd. Na aankomst van een lading bij één van die loodsen werd doorgaans binnen 2 tot 5 dagen eenzelfde lading weer getransporteerd naar de loods in [woonplaats ] . Eén van de hiervoor genoemde Britse bedrijven was [bedrijf 4] Ltd., opgericht in januari 2016. Directeur van het bedrijf was de hiervoor al genoemde [medeverdachte 4] . Uit informatie van de Britse belastingdienst blijkt dat ook dit bedrijf nooit belasting heeft afgedragen. [medeverdachte 4] huurde namens [bedrijf 4] Ltd. ook een loods in [woonplaats ] . In deze loods werden onder meer een vorkheftruck, zwarte en doorzichtige folie, verpakkingsdozen van accustarters, pakbonnen van transporten, een rol bubbelfolie en bonnen van (sport)tassen aangetroffen. De geadresseerde van het op 12 oktober 2016 onderschepte transport was echter niet het bedrijf [bedrijf 4] Ltd., maar het bedrijf [bedrijf 5] Ltd., met een loods in [woonplaats ] , Engeland. De verhuurder van de loods verklaarde dat om de paar weken bij de loods een vrachtwagen aankwam met accu’s op pallets die waren verpakt in cellofaan. Deze accu’s werden diezelfde dag weer op een andere vrachtwagen geladen en weggereden. Het bedrijf [bedrijf 5] Ltd. stond op naam van een man uit Litouwen, genaamd [naam 7] , en de loods in [woonplaats ] werd door diezelfde man gehuurd. Het derde Britse bedrijf dat accu’s en auto-onderdelen van [bedrijf 3] B.V. ontving was [bedrijf 6] Ltd. Dit bedrijf stond op naam van een andere man uit Litouwen, genaamd [naam 8] , die namens het bedrijf ook een loods huurde. [naam 8] verklaarde dat hij was betaald voor het op naam zetten van het bedrijf en het huren van de loods. Betrokkenheid van medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] Het eerste transport dat (blijkens de bewijsmiddelen) in opdracht van [bedrijf 3] B.V. is uitgevoerd vertrok op 20 april 2016 vanuit [woonplaats ] en kwam op 25 april 2016 aan bij de loods in [woonplaats ] . Uit de voor het bewijs gebezigde PGP-berichten blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] in berichten voorafgaand aan dat eerste transport met anderen sprak over het regelen van alle papieren, het betalen van katvangers, het wijzigen/op naam zetten van ‘iets’ bij de Kamer van Koophandel en het betalen van huur voor ‘het pand’. Uit de inhoud van andere berichten van en aan [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat (namens [medeverdachte 1] ) in die periode contact werd opgenomen met klanten om te vragen of zij – tegen betaling – pakketten met cocaïne en/of heroïne (‘dure en/of vieze’) mee wilden laten transporteren naar Groot-Brittannië. Een deel van de lading was gevuld met ‘eigen’ pakketten van [medeverdachte 1] , maar er was doorgaans ook nog ruimte voor pakketten van anderen. Die pakketten konden een dag voor vertrek, op 19 april 2016, gevacumeerd en gemarkeerd worden aangeleverd. Op 18 april 2016 vroeg NN4k aan [medeverdachte 1] of hij en [medeverdachte 2] (‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’ genoemd) de planning voor de volgende dag konden gaan maken. [medeverdachte 1] vond dat goed. NN4k vroeg vervolgens aan [medeverdachte 1] hoe de heroïne moest worden gevacumeerd. [medeverdachte 1] antwoordde daarop dat NN4k dat aan [medeverdachte 2] (‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’) moest vragen. Kort na dat gesprek nam [medeverdachte 2] contact op met NN4k om hem mee te delen hoe de heroïne moest worden verpakt. [medeverdachte 2] vertelde ook dat hij de drugs de volgende ochtend zou aanpakken. Voorafgaand aan de transporten van [bedrijf 3] B.V. in mei 2016 werden door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] soortgelijke berichten gestuurd. [medeverdachte 1] sprak met zijn klanten over de hoeveelheden die nog mee konden op de transporten, over de prijzen daarvan en over de (in- en verkoop)prijzen van cocaïne en heroïne. Ook vertelde hij dat hij met een topsysteem werkte, omdat de te transporteren lading scanbestendig (‘scan proef’) zou zijn. Vragen over het vacumeren van de drugs en het aanpakken daarvan liet hij beantwoorden door [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] maakte vervolgens afspraken met klanten over het aanpakken of afgeven van de drugs of het geld. Uit andere PGP berichten blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 3] vanaf april 2016 in opdracht van [medeverdachte 1] allerlei werkzaamheden verrichtte met betrekking tot de transporten van Nederland naar Groot-Brittannië. Die werkzaamheden bestonden onder meer uit het – in Groot-Brittannië – in ontvangst nemen van een vorkheftruck, het regelen van een Britse auto waarin een ‘stash’ (opbergruimte) kon worden gemaakt, het laden en lossen van transporten en het aanpakken van (contant) geld. Dat [medeverdachte 3] hielp bij het laden en lossen van naar Groot-Brittannië getransporteerde accu’s blijkt onder meer uit een bericht van [medeverdachte 1] van 21 mei 2016 waarin hij [medeverdachte 3] opdroeg om rustiger te werk te gaan met de accu’s, omdat er een paar kapot waren. [medeverdachte 3] werd voor zijn werkzaamheden betaald door [medeverdachte 1] . Dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met elkaar en anderen in de voor het bewijs gebezigde PGP-berichten ook daadwerkelijk spraken over de transporten die in opdracht van [bedrijf 3] B.V. werden uitgevoerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet alleen worden afgeleid uit de data en inhoud van die berichten, maar ook uit het volgende. Enige tijd na de onderschepping van het transport op 12 oktober 2016 werd in de loods in [woonplaats ] een flesje in beslag genomen waarop DNA is aangetroffen dat een match heeft opgeleverd met het DNA-profiel van [medeverdachte 3] . Verder kreeg [medeverdachte 3] op 21 april 2016, vlak voor aankomst van het eerste transport in [woonplaats ] , (via een PGP-bericht) opdracht van [medeverdachte 1] om zich tegenover het bedrijf [bedrijf 7] voor te doen als [naam 17] van [bedrijf 4] Ltd. [bedrijf 7] is het vervoersbedrijf dat het eerste transport voor [bedrijf 3] B.V. heeft uitgevoerd en uit een e-mailbericht van [bedrijf 3] B.V. aan [bedrijf 7] blijkt dat over het lossen van de lading op 25 april 2016 in [woonplaats ] contact kon worden opgenomen met [naam 17] van [bedrijf 4] Ltd. [medeverdachte 3] werd op 29 juni 2016 in verband met een ander feit aangehouden in Groot-Brittannië. In zijn auto lagen allerlei documenten en goederen die betrekking hadden op de transporten van [bedrijf 3] B.V., het bedrijf [bedrijf 4] Ltd. en de loods in [woonplaats ] . Uit reisgegevens blijkt ook dat [medeverdachte 3] meestal in Groot-Brittannië was op en rondom de data van transporten vanuit [woonplaats ] naar [woonplaats ] en vice versa. Onderzoek naar de verpakking van de verdovende middelen De op 12 oktober 2016 in Groot-Brittannië onderschepte heroïne en cocaïne waren vacuüm verpakt. Een aantal verpakkingen is in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Op 8 oktober 2018 werden de woningen en loodsen van alle verdachten in onderzoek 09Napoles doorzocht. In de loods van verdachte werden een vacuümmachine en een groot aantal plastic zakken aangetroffen. Op één van die zakken zat een rond stickertje, gelijksoortig aan de stickertjes die op de plastic zakken zaten waarin de in oktober 2016 onderschepte verdovende middelen waren verpakt (gevacumeerd). Er is een vergelijkend onderzoek gedaan naar de in oktober 2016 in beslag genomen plastic zakken (vacuümzakken) en de in 2018 aangetroffen vacuümmachine. De resultaten van dit vergelijkend onderzoek zijn extreem veel (meer dan een miljoen keer) waarschijnlijker wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met de in de loods van verdachte in beslag genomen vacuümmachine, dan wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met een willekeurige andere vacuümmachine. De rechtbank heeft deze onderzoeksresultaten beoordeeld in het licht van de overige bewijsmiddelen in dit dossier, waaronder de contacten tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte en de andere in de loods en woning van verdachte aangetroffen goederen (waarop de rechtbank verderop in het vonnis nader zal ingaan). Op grond van de samenhang tussen die bewijsmiddelen en de onderzoekresultaten komt de rechtbank tot de conclusie dat een aantal van de in Groot-Brittannië onderschepte pakketten met heroïne en/of cocaïne vacuüm waren verpakt met de vacuümmachines uit de loods van verdachte. De feiten met betrekking tot onderzoek (en zaaksdossier) Veenendaal Onderzoek Veenendaal is een onderzoek van de Nederlandse politie dat is gestart omdat op grond van PGP-berichten van medeverdachte [medeverdachte 2] het vermoeden was ontstaan dat in 2016 drugstransporten hadden plaatsgevonden tussen [woonplaats ] en Groot-Brittannië. Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.4, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Bedrijf en loods in [woonplaats ] In PGP-berichten van 5 april 2016 van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan de eerder in dit vonnis al genoemde NN4k werd gesproken over een transport naar ‘de overkant’, over ‘uk tijd’, over pallets én over ‘dure’ die pas in het systeem pasten nadat er wat vacuümzakken waren afgehaald. [medeverdachte 2] schreef dat ‘het’ moest naar het adres: [adres 11] in [woonplaats ] . Uit onderzoek bleek dat het pand op dit adres vanaf 1 augustus 2015 tot en met juli 2017 werd gehuurd door het bedrijf [bedrijf 8] B.V, dat vanaf 24 maart 2016 [bedrijf 9] B.V. heette. Een persoon genaamd [naam 3] was vanaf 22 maart 2016 bestuurder van dit bedrijf. Deze [naam 3] kwam ook al voor in onderzoek Creek, namelijk als huurder van de loodsen in [woonplaats ] en [woonplaats ] en als bestuurder van het bedrijf [bedrijf 1] Ltd. Uit afschriften van de bankrekening van het bedrijf [bedrijf 8] B.V. bleek dat tussen 2015 en 2017 ruim € 93.000,- (contant) op de rekening was gestort, maar dat geen andere inkomsten waren binnengekomen. Verder bleek dat het bedrijf in 2015 een bedrag van bijna € 60.000,- euro had overgemaakt naar een Pools bedrijf dat accu’s verkocht. Ook heeft het bedrijf in – onder meer – april 2016 een groot aantal stickers besteld. Deze stickers bleken exact overeen te komen met de stickers op de accu’s die op 12 oktober 2016 in het hiervoor besproken onderzoek Cigua zijn onderschept. De stickers waren door het bedrijf [bedrijf 8] besteld met het e-mailadres van [bedrijf 3] B.V, dat blijkens het onderzoek Cigua op naam stond van medeverdachte [medeverdachte 4] en afzender was van de op 12 oktober 2016 onderschepte lading. Transporten naar [woonplaats ] Uit de bankafschriften van [bedrijf 8] B.V. bleek ook dat het bedrijf geld had overgemaakt aan de transportbedrijven [bedrijf 23] en [bedrijf 24] . Uit gegevens van die transportbedrijven bleek dat in de periode van 4 september 2015 tot en met 30 oktober 2015 in totaal vijf transporten waren uitgevoerd in opdracht van [bedrijf 8] B.V. Het ging om transporten van accu’s die moesten worden vervoerd vanuit het pand van [bedrijf 8] B.V. in [woonplaats ] naar het bedrijf [bedrijf 10] in [woonplaats ] [de rechtbank begrijpt: een stad in het graafschap Greater Manchester , Engeland]. Het bedrijf [bedrijf 10] was op 16 oktober 2015 ingeschreven in het bedrijvenregister in Groot-Brittannië. De directeur van het bedrijf bleek [naam 4] , veroordeelde in het hiervoor besproken onderzoek Wheat en een contact van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Transport naar [woonplaats ] Op 11 april 2016 schreef [medeverdachte 2] in een PGP-bericht aan een onbekende dat ‘het transport’ onderweg was. Verder mailde hij deze onbekende het adres van het pand van [bedrijf 8] B.V. in [woonplaats ] en het adres van een loods in [woonplaats ] [de rechtbank begrijpt: een wijk in Londen, Engeland]. Op [2016] schreef [medeverdachte 2] in een PGP-bericht aan NN4k dat de jongens in de loods moeten wachten en dat ‘onze’ trailer rood is en dat op de zijkant ‘ [bedrijf 25] ’ staat. [medeverdachte 2] vroeg vervolgens aan NN4k of de lading al was aangekomen en of ze de Litouwer – een goede werker – wel konden vertrouwen. Naar aanleiding van voormelde berichten is nader onderzoek verricht. Uit dat onderzoek bleek dat een vervoersbedrijf met de naam [bedrijf 25] een transport had uitgevoerd in opdracht van het bedrijf [bedrijf 9] . Het ging om het transporteren van een lading ‘truck filters’ vanuit de loods in [woonplaats ] naar de hiervoor genoemde loods in [woonplaats ] . Het transport was op 11 april 2016 vertrokken vanuit [woonplaats ] en op 13 april 2016 aangekomen bij de loods in [woonplaats ] . De geadresseerde van het transport was het bedrijf [bedrijf 6] Ltd. Dit bedrijf kwam in onderzoek Cigua ook voor als de geadresseerde van een transport dat in opdracht van [bedrijf 3] B.V. was uitgevoerd. Dit transport moest worden vervoerd naar een loods in [wijk 1] . Het bedrijf [bedrijf 6] Ltd. stond op naam van de Litouwer [naam 8] . [naam 8] verklaarde dat was betaald voor het op naam zetten van het bedrijf. Hij verklaarde dat hij ook nog een pand had gehuurd in [woonplaats ] . Betrokkenheid van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] Uit de onderlinge samenhang tussen de hiervoor besproken bewijsmiddelen en de inhoud en data van de in paragraaf 2.4 van de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat zij met elkaar en met anderen spraken over het transport van 11 april 2016 dat is uitgevoerd door het bedrijf [bedrijf 25] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] spraken met elkaar en met anderen over de adressen van de loodsen in [woonplaats ] en [woonplaats ] , over het inbouwen van de lading, over het insealen van de lading met zwarte en witte folie, over klanten, over prijzen, over het wisselen van geld en over het laten terugkomen van de vrachtwagen met geld (pap). De rechtbank concludeert op grond van de berichten dat [medeverdachte 1] het transport regelde en de mensen aanstuurde en betaalde die ten aanzien van dat transport werkzaamheden verrichtten in Nederland en Groot-Brittannië. Verder benaderde [medeverdachte 1] klanten om hen mee te delen dat er weer een transport van hem zou vertrekken en hen te vragen of ze ‘spullen’ wilden meegeven. [medeverdachte 1] verwees veel contacten naar [medeverdachte 2] voor informatie over alle praktische zaken rondom het laden en lossen van het transport. [medeverdachte 2] had met name contact met anderen over het aanpakken van ‘spullen’, de vertrek- en aankomstdata van het transport, het laden en lossen en de manier waarop de ‘spullen’ geseald moesten worden. Uit zijn berichten kan worden afgeleid dat hij – onder meer – hielp met het inbouwen van de lading en het aanpakken van ‘spullen’ voor in de lading. Verder onderhield hij contact met ‘het transport’ over het tijdstip waarop het zou aankomen en gaf hij anderen - in opdracht van [medeverdachte 1] – uitleg over de verschillende werkzaamheden. [medeverdachte 2] werd voor zijn werkzaamheden betaald door [medeverdachte 1] . 4.3.2.2.2 De wapens en munitie Op 8 oktober 2018 is de loods achter (en behorend bij) de woning van verdachte doorzocht. In die loods zijn niet alleen de eerder al genoemde vacuümmachine en vacuümzakken aangetroffen, maar ook een aantal wapens en een aanzienlijke hoeveelheid munitie. Deze wapens en munitie lagen in een kast op een verdiepingsvloer van de loods. De wapens waren vacuüm verpakt. In de woning van verdachte lag een contant geldbedrag van € 100.000,-. Dit geldbedrag was ook vacuüm verpakt en is aangetroffen in een koffer op de zolder van de woning. Op 8 oktober 2018 is een loods in [woonplaats ] doorzocht. Deze loods werd gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 1] . De loods werd ook gebruikt door [medeverdachte 2] . In die loods zijn – onder meer – twee vacuümmachines aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de onderlinge samenhang tussen de bewijsmiddelen worden geconcludeerd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook beschikten over een garagebox aan de [adres 4] in [woonplaats ] . In deze garagebox, die ook op 8 oktober 2018 is doorzocht, is een aanzienlijk aantal wapens, munitie en handgranaten aangetroffen. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden deze wapens, munitie en handgranaten naar het oordeel van de rechtbank voorhanden. Een groot deel daarvan was vacuüm verpakt. Er is een vergelijkend onderzoek gedaan naar de in dit onderzoek aangetroffen vacuümmachines en de vacuümzakken waarmee een groot deel van de wapens en munitie in de garagebox in [woonplaats ] en de loods in [woonplaats ] alsmede het geldbedrag in de woning van verdachte waren verpakt. De resultaten van dit vergelijkend onderzoek zijn extreem veel (meer dan een miljoen keer) waarschijnlijker wanneer voormelde vacuümzakken zijn dichtgemaakt met de vacuümmachines die zijn aangetroffen in de loods in [woonplaats ] , dan wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met een willekeurige andere vacuümmachine. De rechtbank heeft deze onderzoeksresultaten beoordeeld in het licht van de overige bewijsmiddelen in dit dossier, waaronder de PGP-berichten over wapens van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte aan elkaar of aan anderen. Op grond van de samenhang tussen die bewijsmiddelen en de onderzoekresultaten komt de rechtbank tot de conclusie dat het geldbedrag in de woning van verdachte en een groot deel van de in dit onderzoek aangetroffen wapens, munitie en handgranaten waren verpakt met de vacuümmachines uit de loods van [medeverdachte 1] in [woonplaats ] . 4.3.2.3 Conclusies van de rechtbank ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 4.3.2.3.1 Feit 2: de wapens en munitie in de loods in [woonplaats ] Aan verdachte is onder feit 2 primair ten laste gelegd dat hij vier vuurwapens en een aanzienlijke hoeveelheid munitie, samen met één of meer anderen, voorhanden heeft gehad in de loods achter zijn woning in [woonplaats ] . Juridisch kader Uit rechtspraak (zie het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504) blijkt dat voor een veroordeling van het voorhanden hebben van wapens en munitie is vereist dat verdachte die wapens en munitie ‘min of meer’ bewust aanwezig had. Verdachte moet zich bewust zijn geweest van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de wapens en munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen of de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder moet bewezen kunnen worden dat de verdachte feitelijke macht over de wapens en munitie kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Dat betekent niet dat vereist is dat de wapens en munitie in de directe nabijheid van verdachte lagen. Beoordeling van het ten laste gelegde Zoals reeds overwogen, zijn in de loods achter de woning van verdachte vier vuurwapens en een grote hoeveelheid munitie aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij hier niet van op de hoogte was. Volgens hem maakten meerdere mensen gebruik van de loods voor de opslag van goederen. Een aantal van hen – onder wie medeverdachte [medeverdachte 4] die een huurcontract had afgesloten – had zelfstandig toegang tot de loods. Iemand anders moet die wapens en munitie dan ook in de loods hebben verstopt, aldus verdachte. De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn loods. De rechtbank volgt verdachte en de raadsman niet en is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen wel degelijk kan worden vastgesteld dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn loods. De rechtbank wijst daartoe allereerst op het feit dat verdachte met [medeverdachte 1] en een ander via versleutelde PGP-berichten sprak over een vuurwapen (‘het pistooltje wat hier laatst lag’). De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet alleen in de loods van verdachte, maar ook in de loods en garagebox die aan (onder meer) medeverdachte [medeverdachte 1] kunnen worden gelinkt, wapens en munitie zijn aangetroffen die vacuüm waren verpakt met één van de vacuümmachines die zijn aangetroffen in de loods in [woonplaats ] . Daar komt nog bij dat niet alleen de wapens in de loods van verdachte, maar ook het door verdachte op de zolder van zijn woning opgeborgen geldbedrag van € 100.000,- vacuüm was verpakt met één van de vacuümmachines uit diezelfde loods in [woonplaats ] . De verklaring van verdachte dat hij dit geld heeft verpakt met de vacuümmachine die in de loods in [woonplaats ] is aangetroffen, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. Dat de vacuümmachines, zoals ook nog door verdachte geopperd, mogelijk zouden zijn omgewisseld is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden, nu zij daar in het dossier geen enkel aanknopingspunt voor heeft gevonden en – zonder enige uitleg - niet valt in te zien waarom apparaten waarmee precies dezelfde handeling kan worden verricht, van loods zouden zijn gewisseld. De rechtbank wijst er tot slot nog op dat verdachte een [bijnaam verdachte] heeft in [woonplaats ] en dat de wapens en munitie in zijn loods zijn aangetroffen in een doos die voorheen diende als verpakking van een windscherm van het merk KTM, een merk waarvan verdachte onderdelen bestelde voor zijn [bijnaam verdachte] . Deze doos stond bovendien niet in de grote benedenruimte van de loods, waar alle motoren en andere goederen stonden opgeslagen, maar op een verdiepingsvloer boven deze ruimte, die via een trap te bereiken was en met plastic was afgescheiden. Gelet op het voorgaande, in onderling verband bezien met de (ook hierna nog ten aanzien van de feiten 1 en 3 te bespreken) bewijsmiddelen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist van de wapens en munitie in zijn loods. Dat verdachte daarover kon beschikken is evident, nu de loods bij de woning van verdachte hoorde en door verdachte werd gebruikt. Voorwaardelijke verzoeken van de verdediging De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om alle beelden van de camera met zicht op de ingang van de loods in [woonplaats ] aan het dossier toe te voegen, omdat op die beelden is te zien dat – zoals verdachte heeft verklaard – veel verschillende mensen al dan niet zelfstandig toegang hadden tot de loods. De raadsman heeft daarnaast voorwaardelijk verzocht om medeverdachte [medeverdachte 4] als getuige te horen, omdat hij een deel van de loods als opslagruimte had gehuurd. De rechtbank wijst de voorwaardelijke verzoeken van de raadsman af, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank merkt daarbij op dat de omstandigheid dat meerdere mensen (onder wie mogelijk medeverdachte [medeverdachte 4] ) de loods (zelfstandig) gebruikten als opslag, niets afdoet aan het oordeel van de rechtbank over de bewustheid en beschikkingsmacht van verdachte ten aanzien van de in de loods aangetroffen wapens en munitie, nu de rechtbank tot dat oordeel is gekomen door de bewijsmiddelen niet op zichzelf, maar in onderlinge samenhang te bezien. Daarbij komt nog dat verdachte desgevraagd ter zitting niet kon verklaren welk deel van de loods door [medeverdachte 4] zou zijn gehuurd en het huurcontract (zonder datum) is ondertekend door een persoon genaamd [naam 9] , die dus kennelijk iemand anders is dan de medeverdachte [medeverdachte 4] . Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de wapens en munitie die op 8 oktober 2018 in de loods in [woonplaats ] zijn aangetroffen, voorhanden heeft gehad. Dat verdachte dit feit samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gepleegd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit de samenhang tussen de hiervoor al genoemde bewijsmiddelen, bezien in het licht van de overige in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen. 4.3.2.3.2 Feit 3: de drugstransporten Ging het telkens om transporten van heroïne en/of cocaïne? Uit de eerder in dit vonnis (in paragraaf 4.3.2.2.1) omschreven feiten en omstandigheden blijkt dat in de onderhavige zaak grote hoeveelheden cocaïne en heroïne zijn aangetroffen in ladingen die vanuit de loodsen in [woonplaats ] en [woonplaats ] naar de loodsen in [woonplaats ] en [woonplaats ] werden getransporteerd. In de vanuit de Dominicaanse Republiek naar Groot-Brittannië getransporteerde lading is eveneens een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De ladingen die vanuit de loodsen in [woonplaats ] en [woonplaats ] naar de loodsen in [woonplaats ] , [wijk 1] (zaaksdossier Rainham ), [woonplaats ] en [woonplaats ] (zaaksdossier Veenendaal ) werden getransporteerd, zijn niet onderschept. Het hof Amsterdam heeft in één van de zogeheten ‘Pan’ arresten als uitgangspunt genomen dat de opzettelijke in- of uitvoer van verdovende middelen in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als tijdens het opsporingsonderzoek ook feitelijk een hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Voor gevallen waarin géén verdovende middelen zijn aangetroffen heeft het hof het volgende toetsingskader (voor het gebruik van schakelbewijs) geformuleerd: ‘(…) het hof (

  1. is)van oordeel dat ook in die gevallen in beginsel een bewezenverklaring mogelijk is, mits op grond van het samenstel van feiten en omstandigheden geen andere conclusie mogelijk is dan dat sprake is geweest van handelingen met betrekking tot cocaïne. Deze conclusie kan worden getrokken indien blijkt van een patroon van handelingen en gebeurtenissen dat in aanzienlijke mate overeenkomt met het patroon, beschreven in een zaaksdossier waarin wél een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen en dat tot een bewezenverklaring van een de verdachte ten laste gelegd feit heeft geleid. Daarbij is onder meer de combinatie van de betrokken personen, het gebezigde taalgebruik in de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken en de modus operandi van betekenis’. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op (a.) de inhoud en het gebezigde taalgebruik in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten, (b.) de combinatie van de bij de verschillende transportlijnen betrokken personen en bedrijven én (c.) de modus operandi die ten aanzien van alle transportlijnen werd gehanteerd, het niet anders kan dan dat óók in de niet onderschepte ladingen cocaïne en heroïne waren verstopt. De PGP-berichten (a.) De rechtbank wijst allereerst op de reeds besproken en in de bewijsbijlage (hoofdstuk 2) opgenomen PGP-berichten, waarin de bij de verschillende transportlijnen betrokken personen in overeenkomstige versluierde taal spraken over het transporteren van cocaïne en heroïne naar Groot-Brittannië. De bij de verschillende transportlijnen betrokken personen en bedrijven (b.) De rechtbank kent daarnaast betekenis toe aan de combinatie van personen en bedrijven die aan alle of aan een aantal van de in deze paragraaf besproken transportlijnen kunnen worden gerelateerd. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de betrokkenheid van: medeverdachte [medeverdachte 1] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat), Rainham (Cigua) en Veenendaal ; medeverdachte [medeverdachte 2] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat), Rainham (Cigua) en Veenendaal ; [naam 4] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat) en Veenendaal ; [naam 16] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en Manchester (Wheat); [naam 3] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en Veenendaal ; [naam 8] bij de zaaksdossiers Rainham (Cigua) en Veenendaal ; het bedrijf [bedrijf 1] Ltd. bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en Manchester (Wheat); het bedrijf [bedrijf 6] Ltd. bij de zaaksdossiers Rainham (Cigua) en Veenendaal ; - het bedrijf [bedrijf 3] B.V. bij de zaaksdossiers Rainham (Cigua) en Veenendaal . De modus operandi (c.) De rechtbank neemt tot slot in aanmerking dat ten aanzien van alle in deze paragraaf besproken transportlijnen een overeenkomstige modus operandi (manier van werken) werd gehanteerd. Zo waren het altijd auto-onderdelen die via de verschillende transportlijnen naar Groot-Brittannië werden vervoerd. In bijna alle gevallen ging het om een transport van accu’s of acculaders/ [website] . De pakketten cocaïne en heroïne die in 2015 en 2016 zijn onderschept, waren verstopt in uitgeholde accu’s en/of acculaders/ [website] die van binnen waren bekleed met lood. De pakketten waren vacuüm verpakt en gemarkeerd met stickers. De meeste transporten vonden plaats tussen loodsen in Nederland en Groot-Brittannië. In alle loodsen die zijn doorzocht werden vorkheftrucks, (al dan niet uitgeholde en met lood beklede) accu’s of [website] /acculaders, verpakkingsdozen van accu’s of van [website] / acculaders, verpakkingsfolie en bonnen van koffers of tassen aangetroffen. Uit de voor het bewijs gebezigde transportbrieven blijkt dat een paar dagen na aankomst van een lading met auto-onderdelen bij een loods in Groot-Brittannië, een overeenkomstige lading met auto-onderdelen vanuit diezelfde loods weer terug naar Nederland werd getransporteerd. De eigenaar van de loods in [woonplaats ] verklaarde daarover dat hij had gezien dat een bepaalde doos met een scheur erin naar Groot-Brittannië werd getransporteerd en dat diezelfde doos met scheur een week later weer in de loods in [woonplaats ] stond. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat (letterlijk) dezelfde accu’s of [website] /acculaders – nadat de pakketten met verdovende middelen er in Groot-Brittannië waren uitgehaald – weer terug naar Nederland werden getransporteerd, zodat ze konden worden hergebruikt voor het volgende transport. De rechtbank heeft in het dossier in geen enkel geval een andere, logische en legale verklaring kunnen vinden voor het heen en weer transporteren van auto-onderdelen. Uit niets is bijvoorbeeld gebleken dat de accu’s of acculaders/ [website] in Groot-Brittannië werden verkocht. Uit de bewijsmiddelen is wél gebleken dat de verzendende en ontvangende bedrijven in veel gevallen kort voor de start van een reeks transporten waren opgericht of op naam waren gezet en geen inkomsten genereerden, maar wel met contant (gestort) geld voor transporten of daaraan gerelateerde zaken betaalden. Ook werden transporten uitgevoerd tussen bedrijven die op naam stonden van één en dezelfde persoon. [medeverdachte 1] sprak voor de start van een nieuwe transportlijn in PGP-berichten bovendien over het betalen van katvangers en het op naam zetten van bedrijven bij de Kamer van Koophandel. Conclusie De rechtbank is op grond van het samenstel van de in deze paragraaf besproken feiten en omstandigheden van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat in nagenoeg alle ladingen (mogelijke proeftransporten daargelaten) die vanuit de loodsen in [woonplaats ] , [woonplaats ] en [woonplaats ] naar de loodsen in Groot-Brittannië werden getransporteerd, cocaïne en heroïne waren verstopt. De rechtbank kan niet vaststellen om welke hoeveelheden harddrugs het precies ging. Gelet op de hoeveelheid onderschepte drugs, het aantal transporten dat is uitgevoerd, de hiervoor genoemde modus operandi, de aantallen die in de PGP-berichten werden genoemd (‘transporten van 100 en 40’) en de periode waarin de transporten hebben plaatsgevonden, stelt de rechtbank vast dat het in totaal om minstens 2500 kilo moet zijn gegaan. De rol van verdachte: was verdachte medepleger of medeplichtige? Onder feit 3 is primair ten laste gelegd dat verdachte, samen met anderen, grote hoeveelheden cocaïne en heroïne buiten het grondgebied van Nederland (naar Groot-Brittannië) heeft gebracht en/of heeft verstrekt, afgeleverd, vervoerd en verkocht. Subsidiair is ten laste gelegd dat hij daaraan medeplichtig was. Juridisch kader In de maanden april tot en met oktober 2016 vonden 13 drugstransporten plaats vanuit de loods in [woonplaats ] naar de loodsen in [woonplaats ] , [wijk 1] en [woonplaats ] . Op grond van de onder zaaksdossier Rainham opgenomen bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte op enigerlei wijze betrokken was bij die transporten. Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 primair ten laste gelegde medeplegen te komen moet die betrokkenheid echter zodanig zijn geweest dat verdachte daarvan in het kader van medeplegen een verwijt kan worden gemaakt. Van medeplegen is sprake indien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt én dat de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van voldoende gewicht was. Van medeplichtigheid is sprake indien verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde misdrijf heeft bevorderd en/of vergemakkelijkt door behulpzaam te zijn bij het plegen daarvan of door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen tot het plegen van het misdrijf. Vereist is daarbij dat niet alleen wordt bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, maar ook dat verdachtes opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op dit misdrijf. Beoordeling van het ten laste gelegde De rechtbank stelt voorop dat zij van oordeel is dat uit de in de paragraaf 4.3.2.2.1 omschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, kan worden afgeleid dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als medeplegers van alle in de verschillende zaaksdossiers omschreven drugstransporten kunnen worden aangemerkt. De rechtbank leidt uit die feiten en omstandigheden daarnaast af dat alle (in opdracht van [medeverdachte 1] ) te transporteren heroïne en cocaïne vacuüm werden verpakt en met stickers werden gemarkeerd. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren contacten van verdachte en zijn – los van elkaar – gezien bij de woning en/of loods van verdachte in [woonplaats ] . In de loods zijn in november 2018 twee vacuümmachines in beslag genomen. Uit hiervoor al genoemd onderzoek blijkt dat een deel van de op 12 oktober 2016 in Groot-Brittannië onderschepte cocaïne en heroïne vacuüm was verpakt met één van die twee vacuümmachines. In de loods in [woonplaats ] werden ook 1191 vacuümzakken in beslag genomen. Op één van die zakken zat een rond stickertje, gelijk aan de stickertjes die op de in oktober 2016 onderschepte pakketjes cocaïne en heroïne waren geplakt. In de loods van verdachte in [woonplaats ] zijn niet alleen vacuümmachines, maar ook wapens en munitie aangetroffen. Zoals in de vorige paragraaf overwogen, had verdachte deze wapens en munitie samen met medeverdachte [medeverdachte 1] voorhanden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] ook een aanzienlijke hoeveelheid wapens, munitie en handgranaten voorhanden had in een garagebox aan de [adres 4] in [woonplaats ] . De rechtbank is van oordeel dat de aangetroffen wapenvoorraad in direct verband kan worden gebracht met de georganiseerde handel in drugs. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de grootschalige, internationale handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met geweld, uitgevoerd met wapens zoals aangetroffen in de genoemde garagebox en loods. Daar komt nog bij dat uit de onderlinge samenhang tussen de verschillende bewijsmiddelen (waaronder het vergelijkend sporenonderzoek) blijkt dat een groot deel van de wapens, handgranaten en munitie in de garagebox aan de [adres 4] en de loods in [woonplaats ] vacuüm was verpakt met vacuümmachines uit de loods van [medeverdachte 1] in [woonplaats ] . Zoals reeds overwogen, werden de te transporteren cocaïne en heroïne ook op een dergelijke manier verpakt, (onder meer) met de vacuümmachine(
  2. s)uit de loods in [woonplaats ] (zaaksdossier Rainham ). De rechtbank is van oordeel dat de bijdrage van verdachte aan het transporteren van harddrugs niet van zodanig gewicht was dat hem in het kader van medeplegen een verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 3 primair ten laste gelegde. De rechtbank acht wél bewezen dat verdachte de door (onder meer) medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gepleegde drugstransporten heeft vergemakkelijkt, door hen daartoe de gelegenheid en middelen te verschaffen. Verdachte heeft zijn loods en de daarin opgeslagen vacuümmachines, vacuümzakken en wapens immers aan hen ter beschikking gesteld. Dat verdachte wist waarvoor deze loods en goederen dienden, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit het in de bewijsbijlage opgenomen PGP-bericht, waarin verdachte aan [medeverdachte 1] vroeg of ze een wietsoort konden leveren in het Verenigd Koninkrijk (‘Maat kunnen we hase leveren in uk om te beginnen 5 kilo.’). De rechtbank leidt uit dit bericht af dat verdachte op de hoogte was van de drugslijnen van [medeverdachte 1] naar Groot-Brittannië. Daar komt bij dat op de zolder van de woning van verdachte een door hemzelf opgeborgen geldbedrag van € 100.000,- is aangetroffen. Verdachte heeft daarover verklaard dat het gaat om inkomsten uit zijn [bijnaam verdachte] . De rechtbank acht die verklaring niet geloofwaardig, nu deze niet met stukken is onderbouwd en dus niet kan worden geverifieerd. De enkele, eerst ter zitting overgelegde brief van [bedrijf 11] van 27 oktober 2020, inhoudende dat de kasontvangsten van verdachtes [bijnaam verdachte] in het jaar 2018 € 1.854.067,- bedroegen is, zonder nadere uiteenzetting, daartoe in ieder geval onvoldoende. Bovendien was óók dit geldbedrag vacuüm verpakt met één van de vacuümmachines uit de loods van [medeverdachte 1] in [woonplaats ] , terwijl verdachte heeft verklaard dat hij voor het sealen de vacuümmachine uit zijn eigen loods in [woonplaats ] heeft gebruikt. Verdachte was dus op de hoogte van de aanwezigheid van de vacuümmachine in zijn loods in [woonplaats ] en heeft over het gebruik van die machine een leugenachtige verklaring afgelegd. Op grond van het voorgaande en in aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat (internationale) drugshandel gepaard gaat met grote hoeveelheden contant geld, is naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat het in de woning van verdachte aangetroffen geld afkomstig is van de handel in drugs en dat verdachte dat ook wist. Ten slotte was verdachte zich, zoals eerder al is overwogen, bewust van de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn loods en is algemeen bekend dat wapens als deze worden gebruikt in het kader van de (internationale) drugshandel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachtes opzet niet alleen was gericht op het vergemakkelijken van de door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en anderen begane drugstransporten, maar ook dat verdachtes opzet op deze transporten was gericht. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan het onder feit 3 ten laste gelegde. Conclusie De rechtbank acht op grond van al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat (onder meer) medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] grote hoeveelheden cocaïne en/of heroïne buiten het grondgebied van Nederland naar Groot-Brittannië hebben gebracht en hebben vervoerd en dat verdachte daaraan gedurende in ieder geval de periode van 31 december 2015 tot en met 13 oktober 2016 (zaaksdossier Rainham ) medeplichtig is geweest. De drugstransporten vanuit de loods in [woonplaats ] naar de loodsen in Groot-Brittannië vonden plaats in de maanden april tot en met oktober 2016. De opdrachtgever van deze transporten, het bedrijf [bedrijf 3] B.V., is ten behoeve van die transporten echter al op 31 december 2015 op naam van medeverdachte [medeverdachte 4] gezet. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte vanaf 31 december 2015 al medeplichtig is geweest aan het onder feit 3 ten laste gelegde. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de hoeveelheden harddrugs die vanuit Nederland naar Groot-Brittannië werden vervoerd, en dan met name de aantallen die in de PGP-berichten werden genoemd (‘transporten van 100 en 40’) moet het ten aanzien van de transporten van [woonplaats ] naar [woonplaats ] , [woonplaats ] en [wijk 1] om minstens 955 kilo cocaïne en/of heroïne zijn gegaan. Partiële vrijspraak Zoals in de inleiding van deze paragraaf reeds aangekondigd, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken was bij de drugstransporten die zijn omschreven in de zaaksdossiers Gravesend , Manchester en Veenendaal . Het procesdossier bevat daarvoor simpelweg onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank is van oordeel dat ook niet kan worden bewezen dat verdachte zich in de periodes van 1 januari 2013 tot 31 december 2015 en 14 oktober 2016 tot en met 8 oktober 2018 elders of op andere wijze heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 3 ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van die gedeeltes van de ten laste gelegde periode. 4.3.2.3.3 Feit 1: de criminele organisatie Onder feit 1 (deel
  3. a)is ten laste gelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Daarnaast (deel
  4. b)is ten laste gelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als (het voorbereiden van) moord, het voorhanden hebben van wapens en munitie, witwassen van geld uit de drugshandel, diefstal en opzetheling. De raadsman heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd en hij heeft daartoe – met name – bewijsverweren gevoerd. Een aantal verweren is al aan de orde gekomen in de vorige paragraaf. Andere bewijsverweren worden, voor zover van belang voor de beoordeling, in deze paragraaf besproken. De rechtbank overweegt het volgende. Juridisch kader Deelname aan een criminele organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en in artikel 11b van de Opiumwet. Een organisatie in de zin van voormelde artikelen is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet vereist is dat verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle deelnemers aan de organisatie. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd. Dat betekent dat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Om van deelneming te kunnen spreken is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoorde en dat hij een aandeel had in – of ondersteuning gaf aan – gedragingen die strekten tot óf rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verdachte moet dus opzettelijk hebben deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Dat betekent dat hij in zijn algemeenheid moet hebben geweten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogde. Niet vereist is dat het opzet van verdachte zelf was gericht op het plegen van misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven. Voor een bewezenverklaring is evenmin vereist dat verdachte heeft geweten van alle soorten misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht. Beoordeling van het ten laste gelegde Organisatie Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, worden vastgesteld dat verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] deel uitmaakten van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. Uit de duur en inhoud van de contacten van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met elkaar en met anderen over de organisatie en werkzaamheden met betrekking tot de drugstransporten naar Groot-Brittannië, leidt de rechtbank af dat sprake was van een duurzaam samenwerkingsverband. Dat dit samenwerkingsverband naast duurzaamheid ook een zekere structuur kende, blijkt onder meer uit de georganiseerde manier waarop transportlijnen werden opgezet en uit de onderlinge rolverdeling. Zo werden voor de start van een transportlijn bedrijven op naam van (in sommige gevallen) katvangers gezet en werden loodsen gehuurd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] het binnen het samenwerkingsverband voor het zeggen had. [medeverdachte 1] gaf anderen, waaronder verdachte en [medeverdachte 2] , opdrachten en bepaalde hoeveel zij voor hun werkzaamheden betaald kregen. [medeverdachte 2] had een coördinerende en uitvoerende rol met betrekking tot de drugstransporten en [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en verdachte hadden uitvoerende en/of facilitaire rollen binnen de organisatie. Het oogmerk van de organisatie De rechtbank acht – anders dan door de officier van justitie en de raadsman betoogd – wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie was gericht op zowel het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet als op het plegen van andere misdrijven, waaronder het voorhanden hebben van wapens en munitie, moord, opzetheling en het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld. De rechtbank overweegt het volgende. Het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en de wet Wapens en Munitie Uit de bewijsmiddelen en voorgaande overwegingen blijkt dat het onder 3 bewezen verklaarde feit is gepleegd in georganiseerd verband. Dat het oogmerk van de organisatie was gericht op het plegen van delicten als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden afgeleid uit wat reeds in paragraaf 4.3.2.3.2 is overwogen. Uit het in die paragraaf overwogene blijkt ook dat de drugstransporten van de organisatie plaatsvonden in de periode van 1 januari 2014 (zaaksdossier Gravesend ) tot en met 12 oktober 2016 (zaaksdossier Rainham ). Hoewel het procesdossier onvoldoende bewijs bevat voor concrete drugstransporten ná 12 oktober 2016, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder meer worden geconcludeerd dat het oogmerk van de organisatie ook ná die datum nog was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Zo is op 8 oktober 2018 in de Renault Kangoo waarvan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gebruikmaakten een soortgelijke [website] aangetroffen als de [website] waarin de verdovende middelen in 2015 in Groot-Brittannië waren verstopt (zaaksdossier Manchester). Diezelfde dag werden in de (gestolen) Volkswagen Transporter van [medeverdachte 1] kartonnen dozen aangetroffen die vergelijkbaar waren met de dozen waarin de [website] in 2015 in Groot-Brittannië werden vervoerd. De rechtbank wijst daarnaast op het volgende. Uit verschillende in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten uit 2015 en 2016 blijkt dat [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] , verdachte en anderen niet alleen sprak over het transporteren van drugs, maar ook over wapens. Eén van die wapens, een machinegeweer, is in november 2018 aangetroffen in een garagebox aan de [adres 14] in [woonplaats ] . [medeverdachte 1] had dit wapen naar het oordeel van de rechtbank voorhanden. [medeverdachte 1] had, samen met [medeverdachte 2] en verdachte, ook een aanzienlijk aantal vuurwapens, handgranaten en munitie voorhanden in een garagebox aan de [adres 4] in [woonplaats ] en in de loods van verdachte in [woonplaats ] . Zoals eerder in dit vonnis al overwogen, kan de wapenvoorraad van de organisatie naar het oordeel van de rechtbank in direct verband worden gebracht met de georganiseerde handel in drugs(transporten). De rechtbank wijst er hierbij nogmaals op dat het een feit van algemene bekendheid is dat de grootschalige, internationale handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met geweld en liquidaties, uitgevoerd met wapens zoals aangetroffen in de genoemde garageboxen en loods. Daar komt nog bij dat een groot deel van de wapenvoorraad van de organisatie, net als de door de organisatie getransporteerde drugs, vacuüm was verpakt. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat het oogmerk van de organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot en met 8 oktober 2018 was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het oogmerk van de organisatie in diezelfde periode – in het kader van de internationale handel in drugs – óók was gericht op het voorhanden hebben van wapens en munitie. Het voorbereiden en/of plegen van moord en/of doodslag Uit PGP-berichten van [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat hij met [medeverdachte 2] en anderen sprak over het doden van concurrenten en/of mensen die hun (betalings)verplichtingen niet nakwamen. Zo stuurde hij in de periode van oktober 2015 tot en met mei 2016, de periode waarin de organisatie zich bezighield met de grootschalige, internationale handel in drugs – onder meer de volgende berichten aan anderen: ‘Ja ze hebbe hem allemaal late zitte en nog probere te neuke die kk zwager zoiezo die kk pet ook wie daarvandaan komt maar let op wat ik ga doen ik moet eve me kop erbij houde en me zaakjes op droge zette dan gaat er oorlog plaats vinde bij ons ik leg ze allemaal plat in een maand tijd ga alles in kaart brenge en dan achter elkaar boem boem afgelopen met ze! (…)’ ‘(…) heb idee dat [naam 31] gewoon vanaf begin liever niet wilt opnaam hebben! Maar luister dan heeft die mij aan lijntje gehouide en heeft die een probleem! (…) Maar ik garandeer je bro als die me laat stikke ik hem opknap! En je weet ik dreig niet bro ik doe het!’ ‘Ja dat weet ik al een tijdje en papa was town direct erheen gegaan en had hem de kans gegeven of in een kogel regen te sterve of betale toen had ik met 2dagen me geld vriend.’ Verder voerde [medeverdachte 1] op 17 april 2016, de dag waarop [slachtoffer 2] in [woonplaats ] is geliquideerd, kort na die liquidatie de volgende gesprekken: Onbekende: ‘Alles goed tijger? Hoorde knalpartij in [woonplaats ] . Geen bekenden toch?’ [medeverdachte 1] : ‘Weet al wie het is ouw haha niet van ons.’ [naam 10] : Wat is er [woonplaats ] gebeurt sir? [medeverdachte 1] : Ja ik weet niet heli cirkelt hele tijd maar nog niks over gehoort 1tje gewond AT is er ook! Wij zijn het niet hahahah en u ook niet anders vraagt u niet hahah. Dat in voorgaande berichten daadwerkelijk en serieus werd gesproken over het vermoorden (liquideren) van mensen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de organisatie waaraan [medeverdachte 1] leidinggaf gebruik maakte van garageboxen waarin (a.) gestolen (snelle) auto’s met gestolen kentekenplaten stonden die bij het plegen van strafbare feiten niet meteen te traceren waren, en (b.) een aanzienlijke voorraad vuurwapens, munitie en handgranaten is aangetroffen. Daarnaast kan uit PGP-berichten van [medeverdachte 1] worden afgeleid dat de organisatie gebruik maakte van trackers waarmee auto’s van anderen konden worden gevolgd. De combinatie van de PGP-berichten van [medeverdachte 1] , zijn rol in de organisatie en de in de garageboxen en loods aangetroffen voorraad wapens, munitie, handgranaten en auto (BMW), brengt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de organisatie het oogmerk had om vanuit garageboxen liquidaties te (kunnen) plegen. Het ten laste gelegde oogmerk op het voorbereiden van liquidaties komt de rechtbank onlogisch voor. Voorbereiding (artikel 46 Sr) komt na artikel 45 Sr (poging) en is in het leven geroepen om niet gerealiseerde misdrijven, die om andere redenen dan een vrijwillige terugtred, nog niet tot een begin van een uitvoering zijn gekomen, toch strafbaar te kunnen stellen. Het is moeilijk voorstelbaar dat het oogmerk van een criminele organisatie is gericht op onvoltooide misdrijven. Opzetheling In de garagebox aan de [adres 4] in [woonplaats ] is – zoals hiervoor al kort aangestipt – ook een gestolen auto (BMW) aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte 2] deze auto – in het kader van zijn werkzaamheden voor de organisatie – heeft geheeld. Op die auto zaten gestolen kentekenplaten en op een kluis in de garagebox lagen nog meer gestolen kentekenplaten. Bij de loods in [woonplaats ] is een gestolen auto (Volkswagen Transporter) aangetroffen waarvan [medeverdachte 1] gebruikmaakte en die naar het oordeel van de rechtbank door [medeverdachte 1] is geheeld. Op die auto zaten kentekenplaten die jaren geleden zijn gestolen. De kentekenplaten op de gestolen auto in de garagebox in [woonplaats ] bleken van diezelfde diefstal afkomstig. Verder zijn in de woning van [medeverdachte 2] ook gestolen kentekenplaten aangetroffen. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande, in onderling verband bezien met de misdrijven die door de organisatie werden beoogd en zijn gepleegd, dat het oogmerk van de organisatie ook was gericht op het (opzettelijk) helen van auto’s en kentekenplaten, zodat leden van de organisatie bij het plegen van strafbare feiten niet direct te traceren waren. Het witwassen van het met de handel in drugs verdiende geld Uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat de criminele organisatie geld (‘pap’) verdiende met de internationale handel in drugs. Zo werd in PGP-berichten veelvuldig gesproken over de prijzen van de in opdracht van [medeverdachte 1] georganiseerde transporten en de prijzen van de te transporteren (en in Groot-Brittannië te verkopen) harddrugs zelf. Dat met de handel aanzienlijke geldbedragen werden verdiend, kan onder meer worden afgeleid uit een gesprek van [medeverdachte 1] met een vast contact van hem en [medeverdachte 2] in april 2016. [medeverdachte 1] besprak met diegene wat ze overhielden na aftrek van de kosten van het drugstransport, waarop [medeverdachte 1] schreef: ‘Ik doe het nog voor de kids, voor mezelf ben ik al lang klaar’. Typerend zijn ook de in de bewijsbijlage opgenomen gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] in 2015 waarin onder meer het volgende werd gezegd: ‘ [medeverdachte 1] : (…) als klant ok vind is het goed haha ik hoef het gelukkig niet op te snuive die kk zooi. [slachtoffer 1] : Klopt klant is koning nee weg met die rotzooi is om centen te maken niet om junk te worden (…) en [slachtoffer 1] : Ik heb 3000 euro gezegd voor tp (…) is 16000 met zn 2 en lekker verdient toch? [medeverdachte 1] : (…) Kijk bro we verdiene (…) aan transport.’ Om in de onderhavige zaak tot een bewezenverklaring van voormeld oogmerk te komen, is ingevolge artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr niet alleen vereist dat het wit te wassen geld afkomstig was uit eigen misdrijf, maar ook dat de criminele organisatie beoogde dat geld te verwerven, gebruiken, voorhanden te hebben of om te zetten. Met het omzetten van het geld wordt het wisselen van geld met een andere geldswaarde of met handelsartikelen bedoeld. Van gebruikmaken in de zin van artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr is sprake als het geld wordt aangewend ten behoeve van de witwasser zelf of van derden. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de criminele organisatie het met de handel in harddrugs verdiende geld heeft omgezet en gebruikt. Zo werden op de bankrekeningen van de bedrijven [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 8] B.V. – bedrijven die door de criminele organisatie werden gebruikt voor het uitvoeren van een aantal van de onder 1 bewezen verklaarde drugstransporten – aanzienlijke contante geldbedragen gestort. Daarnaast ontving medeverdachte [medeverdachte 3] tijdens zijn verblijf in Groot-Brittannië met regelmaat contante geldbedragen ten behoeve van zijn werkzaamheden voor de organisatie. Nu de rechtbank in het dossier geen enkele logische en legale verklaring heeft kunnen vinden voor de herkomst van deze contante geldbedragen en hierover in het geheel geen verklaringen zijn afgelegd door verdachte en zijn medeverdachten, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat deze bedragen afkomstig zijn van de handel in drugs. De criminele organisatie heeft deze contante geldbedragen witgewassen door ze op de rekeningen van voormelde bedrijven te storten en vervolgens – ten behoeve van de organisatie zelf – te gebruiken voor het (giraal) betalen van (a.) de huur van de loodsen in Nederland en Groot-Brittannië, (b.) rekeningen van transportbedrijven en (c.) rekeningen van een [bedrijf 36] en een bedrijf in Polen dat handelt in accu’s en batterijen. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft de door hem ontvangen contante geldbedragen witgewassen door er bijvoorbeeld zijn verblijf in het Britse hostel van te betalen. [medeverdachte 3] verbleef in dat hostel in het kader van zijn werkzaamheden voor de criminele organisatie. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie óók was gericht op het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld (als bedoeld in artikel 420bis Sr). Over het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag van € 100.000,- overweegt de rechtbank nog dat zoals hiervoor al is vastgesteld, het niet anders kan zijn dan dat (mede gezien de hoogte van het bedrag) het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag ook afkomstig is van de handel in drugs. Het enkele verstoppen van dit geldbedrag door verdachte op zijn zolder levert nog geen witwassen op in de zin van artikel 420bis Sr, maar voor een bewezenverklaring van het oogmerk van de criminele organisatie is voldoende dat het witwassen van dat geldbedrag door de organisatie werd beoogd. Dat dit laatste het geval is, acht de rechtbank bewezen omdat de organisatie in het kader van de drugshandel de organisatie van de transporten (deels) financierde met contant geld dat – zoals mag worden aangenomen – afkomstig was uit de opbrengsten van eerdere transporten. Tussenconclusie over het oogmerk van de organisatie Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot 8 oktober 2018 was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet én op het plegen van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie, opzetheling en witwassen. De rol van verdachte Uit de bewijsmiddelen en de overwegingen ten aanzien van zowel het onder feit 2 als feit 3 ten laste gelegde, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte gedurende een gedeelte van de hierboven genoemde periode, samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en één of meer anderen opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte met alle hiervoor genoemde personen contact heeft gehad doet daar niet aan af, nu voor een bewezenverklaring niet is vereist dat verdachte met alle deelnemers aan de organisatie heeft samengewerkt. Zowel verdachte als zijn medeverdachten hebben een aandeel gehad in (
  5. of)gedragingen (ondersteund) die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het aandeel van verdachte bestond uit het onder de feiten 2 en 3 bewezen verklaarde. Uit wat daarover in de vorige paragrafen is overwogen, blijkt zonder meer dat verdachte er van op de hoogte was dat het plegen van misdrijven het oogmerk van de organisatie was. Dat verdachte niet bij alle misdrijven van de organisatie betrokken was en – wellicht – niet wist welke (soort) misdrijven allemaal onder het oogmerk van de organisatie vielen, maakt het voorgaande niet anders. Het gaat er immers níet om dat het opzet van verdachte zelf was gericht op het plegen van misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Conclusie Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 31 december 2015 tot en met 8 oktober 2018 met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en aan een criminele organisatie die gericht was op het plegen van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie, het plegen van opzetheling en het witwassen van geld dat afkomstig was uit de handel in drugs. Partiële vrijspraak De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk had het voorbereiden van moorden en het plegen van diefstallen. Het procesdossier bevat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank acht om diezelfde reden niet bewezen dat de organisatie was gericht op het transporteren van softdrugs. Dat verdachte met de medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] heeft deelgenomen aan de organisatie kan evenmin uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van deze onderdelen van het onder feit 1 ten laste gelegde. Dat geldt ook voor een deel van de onder feit 1 ten laste gelegde periode, nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte van 1 januari 2013 tot 31 december 2015 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1. in de periode van 31 december 2015 tot en met 8 oktober 2018 te [woonplaats ] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkings-verband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet; en in de periode van 31 december 2015 tot en met 8 oktober 2018 te [woonplaats ] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkings-verband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven en het voorhanden hebben van wapens en van munitie van de categorieën II en III en het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig van de handel in drugs zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht en opzetheling; 2. op 8 oktober 2018 te [woonplaats ] , tezamen en in vereniging met een ander, 4 wapens (pistolen) van categorie III (al dan niet met verwijderde wapennummers) te weten: 2 vuurwapens FN Browning, 9mm en een vuurwapen Beretta, 9mm en een vuurwapen Ruger, en munitie (735 stuks) van categorie III voorhanden heeft gehad; 3. subsidiair [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en anderen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 13 oktober 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland – te weten naar Groot-Brittannië – hebben gebracht en hebben vervoerd, telkens grote hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij die wet behorende lijst 1, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 31 december 2015 tot en met 13 oktober 2016 te [woonplaats ] , in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door een loods (aan de [adres 1] te [woonplaats ] ) ter beschikking te stellen en een vacuümmachine ter beschikking te stellen. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: 1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; 2. medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; 3. medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; en medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 9 jaren met aftrek van het voorarrest. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft geen standpunt ingenomen over een eventueel aan verdachte op te leggen straf. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De ernst van het bewezen verklaarde Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Hij was ruim tweeëneenhalf jaar lid van een criminele organisatie die was gericht op – onder meer – de grootschalige, internationale handel in harddrugs en het voorhanden hebben van wapens en munitie. Verdachte was medeplichtig aan het transporteren van (minstens) 955 kilo cocaïne en heroïne van Nederland naar Groot-Brittannië en hij had (als medepleger én als deelnemer aan de criminele organisatie) vier wapens en een grote hoeveelheid munitie voorhanden, net als andere leden van de criminele organisatie. In totaal beschikte de organisatie over tien pistolen, twee revolvers, twee kogelgeweren, één machinegeweer, tien handgranaten en een aanzienlijke hoeveelheid munitie. Het behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen betoog dat verdachte en de organisatie met het ongecontroleerde bezit van die wapens en munitie onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen in het leven hebben geroepen. Verdachte is daarnaast medeverantwoordelijk voor zowel de problemen van kwetsbare drugsverslaafden als de overlast en gevoelens van onveiligheid die gepaard gaan met de grootschalige handel in harddrugs. Daar komt bij dat achter die handel een wereld van georganiseerde criminaliteit schuilgaat die steeds meer wordt gekenmerkt door ondermijning, intimidatie en geweld. Met name dit laatste baart de rechtbank ernstige zorgen en de rechtbank neemt het verdachte dan ook bijzonder kwalijk dat hij onderdeel uitmaakte van die wereld. De organisatie waaraan verdachte deelnam was namelijk niet alleen gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en de Wet wapens en munitie, maar ook op het plegen van liquidaties, het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld en het helen van auto’s en kentekenplaten. Hoewel in deze zaak geen geweldsfeiten bewezen zijn verklaard, staat naar het oordeel van de rechtbank wel vast dat de wapens, munitie en de geheelde auto’s en kentekenplaten die in de onderhavige zaak in verschillende opslagplaatsen zijn aangetroffen, direct verband hielden met de grootschalige handel in drugs en het daarmee gepaard gaande oogmerk van de organisatie op liquidaties. Het witwassen van geld dat afkomstig is van die handel vormt daarnaast een ernstige bedreiging voor de legale economie. Met dat witgewassen geld wordt bovendien vaak ander strafbaar handelen gefaciliteerd. Het in georganiseerd verband plegen van de hiervoor omschreven misdrijven werkt ontwrichtend voor de samenleving. Verdachte heeft zich hier niets van aangetrokken. Hij heeft zich kennelijk alleen laten leiden door eigen gewin en de rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte wel rekening met de rol die hij binnen de organisatie heeft vervuld. Verdachte vervulde met name een facilitaire rol en had – anders dan zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – geen leidinggevende of coördinerende taken. De persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 28 oktober 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in het voordeel van verdachte rekening mee te houden. Hoewel verdachte tijdens de procedure meermalen heeft gewezen op zijn moeilijke thuissituatie en de nare ziekte waarmee zijn echtgenote te kampen heeft zal de rechtbank bij het bepalen van de straf evenmin rekening houden met deze omstandigheden van verdachte, nu enerzijds zijn echtgenote al eerder ziek was en hem dat er niet van heeft weerhouden bovengenoemde bewezen verklaarde feiten te plegen en anderzijds gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Strafoplegging De rechtbank is op grond van de hiervoor besproken ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechtbank acht het vanuit het oogpunt van zowel speciale als generale preventie bovendien van groot belang dat in de strafoplegging tot uiting komt dat misdrijven als de onderhavige op de lange termijn niet lonen en dat op het plegen daarvan een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt. Om te bevorderden dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn binnen de rechtspraak oriëntatiepunten voor de straftoemeting ontwikkeld. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf rekening met die oriëntatiepunten. Voor het in georganiseerd verband uitvoeren van meer dan 20 kilo harddrugs geldt als oriëntatiepunt voor plegers en medeplegers een gevangenisstraf van tenminste zes jaren. De rechtbank gaat er van uit dat voor medeplichtigen, zoals verdachte, een gevangenisstraf van tenminste 4 jaren als uitgangspunt kan worden gehanteerdvoor het uitvoeren van meer dan 20 kilo harddrugs. Verdachte is medeplichtig aan het uitvoeren van veel méér dan 20 kilo harddrugs, namelijk minstens 955 kilo. Als oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een pistool of revolver geldt een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Verdachte had niet één, maar vier pistolen in zijn bezit. Voor het deelnemen aan een criminele organisatie zijn geen oriëntatiepunten ontwikkeld. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren. De rechtbank zal aan verdachte een lagere gevangenisstraf opleggen. De rechtbank heeft weliswaar niet alleen bewezen geacht dat verdachte deel heeft genomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven in de zin van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie, maar ook – anders dan de officier – aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van liquidaties, het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld en het helen van auto’s en kentekenplaten. Daar staat evenwel tegenover dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte medeplichtig is aan de uitvoer van harddrugs en zij hem, anders dan de officier van justitie, níet als medepleger ziet. Conclusie De rechtbank vindt het – alles afwegende – passend om verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorlopige hechtenis De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 30 augustus 2019 geschorst. Aan verdachte wordt nu een langere gevangenisstraf opgelegd dan zijn reeds ondergane voorarrest. Bij de beoordeling of de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in dit geval moet worden opgeheven, dient de rechtbank de belangen van de samenleving en de verdachte af te wegen en na te gaan of deze opheffing geboden is. In dit geval wegen voor de rechtbank de strafvorderlijke belangen dat de voorlopige hechtenis weer komt te herleven zwaarder dan de persoonlijke belangen van verdachte, met name gelet op de ernst van het bewezen verklaarde – zoals hiervoor toegelicht – en de gevangenisstraf waartoe dit heeft geleid. Dit betekent dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven en de detentie van verdachte weer herleeft. 9BESLAG Op 8 oktober 2018 is een aantal goederen in de woning en de loods van verdachte in [woonplaats ] in beslag genomen, waaronder: een vuurwapen van het merk Browning (SIN: AALJ1860NL en goednummer: 2276618); een vuurwapen van het merk Browning (SIN: AALJ1856NL en goednummer: 2276623); een vuurwapen van het merk Ruger (SIN: AALJ1862NL en goednummer: 2276620); een vuurwapen van het merk Beretta (SIN: AALJ1851NL en goednummer: 2276615); munitie (een patroon/patronen) van het merk Winchester (SIN: AALJ1866NL en goednummer: 2276627); een contant geldbedrag van € 100.000,- (goednummer: PL0900-2017085110-2276504). De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vuurwapens en munitie te onttrekken aan het verkeer en het geldbedrag verbeurd te verklaren. De raadsman heeft ter terechtzitting geen opmerkingen gemaakt over het beslag. De raadsman heeft wel betoogd dat het contante geldbedrag van € 100.000,- handelsgeld uit de motorzaak van verdachte betreft. De rechtbank leidt daaruit af dat de verdediging meent dat het geldbedrag aan verdachte moet worden teruggegeven. De rechtbank zal bepalen dat de vuurwapens en munitie worden onttrokken aan het verkeer, nu het onder feit 2 bewezen verklaarde met betrekking tot deze goederen is begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De rechtbank is verder van oordeel dat het in de woning aangetroffen geldbedrag van € 100.000,- van verdachte moet worden afgepakt, nu het uit misdrijf verkregen geld betreft. De rechtbank heeft eerder in dit vonnis immers al geconcludeerd dat het geldbedrag – anders dan door de raadsman betoogd – is verkregen door middel van het onder feit 3 bewezen verklaarde. Het geldbedrag kan verder door verdachte geheel of ten dele ten eigen bate worden aangewend. Dat betekent dat het geldbedrag vatbaar is voor verbeurdverklaring. Dat de officier van justitie heeft aangekondigd (ook) een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e Sr aanhangig te maken, doet daar niet aan af, nu bij de eventuele oplegging van een betalingsverplichting in een ontnemingsprocedure rekening kan worden gehouden met reeds verbeurdverklaarde geldbedragen. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het contante bedrag van € 100.000,- verbeurd verklaren. 10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 11BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder feit 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder de feiten 1, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaren; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Beslag - verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:  een vuurwapen van het merk Browning (SIN: AALJ1860NL en goednummer: 2276618);  een vuurwapen van het merk Browning (SIN: AALJ1856NL en goednummer: 2276623);  een vuurwapen van het merk Ruger (SIN: AALJ1862NL en goednummer: 2276620);  een vuurwapen van het merk Beretta (SIN: AALJ1851NL en goednummer: 2276615);  munitie (een patroon/patronen) van het merk Winchester (SIN: AALJ1866NL en goednummer: 2276627); - verklaart het volgende voorwerp verbeurd:  een contant geldbedrag van € 100.000,- (goednummer: PL0900-2017085110-2276504); Voorlopige hechtenis - heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman voorzitter, mrs. E.H.M. Druijf en E.J.W. Verhaagh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 maart 2021. De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE 1: DE TENLASTELEGGING Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 te [woonplaats ] en/of [woonplaats ] en/of [woonplaats ] en/of elders in Nederland en/of in Groot-Brittannië, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet; artikel 11a(oud)/11b Opiumwet en artikel 140 lid 3 Wetboek van Strafrecht en/of hij in of omstreeks de periode van 1januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 te [woonplaats ] en/of [woonplaats ] en/of [woonplaats ] en/of elders in Nederland en/of in Groot-Brittannië, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, te weten (onder meer): het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven (zoals bedoeld in de artikelen 287 en 289 Wetboek van Strafrecht) en/of de voorbereiding daarvan (zoals bedoeld in artikel 46 Wetboek van Strafrecht) door het opzettelijk voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of ruimten en/of vervoermiddelen, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, verwerven en/of vervaardigen en/of voorhanden te hebben en/of het voorhanden hebben van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 Wet Wapens en Munitie) en/of het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig van de handel in drugs (zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht) en/of diefstal (als bedoeld in artikel 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en/of opzetheling (als bedoeld in artikel 416 Wetboek van Strafrecht); artikel 140 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht art 1la lid 1 Opiumwet art 10 lid 5 Opiumwet art 2 ahf/ond A Opiumwet 2. hij op of omstreeks 8 oktober 2018 te [woonplaats ] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meerdere

(4)wapen(s) (pistolen) van categorie III (met verwijderde en/of ontbrekende wapennummers) te weten: één of meerdere
(2)vuurwapen(
  1. s)FN Browning 9mm en/of een vuurwapen Beretta, 9mm en/of een vuurwapen Ruger, 9 mm en/of één of meerdere stuk(
  2. s)munitie
(743)van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad; art 26 lid 1 Wet wapens en munitie subsidiair [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen op 8 oktober 2018 te [woonplaats ] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen één of meerdere
(4)wapen(s) (pistolen) van categorie III (met verwijderde en/of ontbrekende wapennummers) te weten: één of meerdere
(2)vuurwapen(
  1. s)FN Browning 9mm en/of een vuurwapen Beretta, 9mm en/of een vuurwapen Ruger, 9 mm en/of één of meerdere stuk(
  2. s)munitie
(743)van categorie II en/of III voorhanden heeft/hebben gehad, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 8 oktober 2018 te [woonplaats ] , in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door een loods (aan de [adres 1] te [woonplaats ] ) ter beschikking te stellen; art 26 lid 1 Wet wapens en munitie art 48 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 48 lid 2 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht 3. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland - te weten naar Groot-Brittannië – heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) één of meerdere grote hoeveelhe(i)d(
  1. en)van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, zijnde (een) middel(
  2. en)vermeld op de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 2 ahf/ond B Opiumwet art 2 ahf/ond C Opiumwet art 2 ahf/ond A Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 10 lid 5 Opiumwet subsidiair [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland – te weten naar Groot-Brittannië – heeft/hebben gebracht en/of heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (telkens) één of meerdere grote hoeveelhe(i)d(
  3. en)van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne zijnde (een) middel(
  4. en)vermeld op de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(
  5. e)misdrijf/misdrijven verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 te [woonplaats ] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door een loods (aan de [adres 1] te [woonplaats ] ) ter beschikking te stellen en/of twee vacumeermachines ter beschikking te stellen en/of aanwijzingen en/of inlichtingen te geven (aan [medeverdachte 4] en/of anderen) ten behoeve van bovengenoemde transporten van verdovende middelen. art 2 ahf/ond A Opiumwet art 2 ahf/ond B Opiumwet art 2 ahf/ond C Opiumwet art 48 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 48 lid 2 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 10 lid 4 Opiumwet BIJLAGE 2: DE BEWIJSMIDDELEN 1De bijnamen en e-mailadressen van verdachten in het onderzoek 09Napoles 1.1 E-mailadres [e-mailadres 16] @pgpsafe.net Een getuigenverklaring van [getuige 1] , Engels opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 29 juni 2016 werd een bestelbus staande gehouden in Camberley (de rechtbank begrijpt: in Surrey, Engeland). De bestelbus had een volledig lekke linkerband. De bestuurder was [medeverdachte 3] ( [1986] ). De auto werd doorzocht en er werd – onder meer – een tas met daarin een BlackBerry mobiele telefoon in beslag genomen. Het tijdstip van aanhouding van [medeverdachte 3] was 00.30 uur. Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] door de Engelse politie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [medeverdachte 3] : Ik was vandaag (29 juni 2016) onderweg van Birmingham naar Londen. Verbalisant: Er zijn wat spullen in de auto aangetroffen, waaronder een tas met een BlackBerry telefoon. Is dit van u? [medeverdachte 3] : Dat is van mij. Een proces-verbaal van identificatie [e-mailadres 16] @pgpsafe.net (documentcode 20180911. 1358), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven Op 29 juni 2016 werd [medeverdachte 3] door de politie te Surrey (Engeland) gecontroleerd in een auto. In genoemde auto werd een tas aangetroffen met daarin een BlackBerry telefoon. Dit toestel bleek een PGP toestel te zijn. Aan de BlackBerry was het e-mailadres [e-mailadres 15] @pgpsafe.net gekoppeld. Uit berichten in de BlackBerry telefoon blijkt dat er op 28 juni 2016 om 22.36 uur met e-mailadres [e-mailadres 15] @pgpsafe.net het volgende bericht is verzonden naar een onbekend ander e-mailadres: ‘Ja net klapband gehad bij Londen’. In de BlackBerry was te zien dat – onder meer – de volgende contacten in de telefoon waren opgeslagen: - [e-mailadres 9] @activeshield.net onder de naam ‘ [bijnaam medeverdachte 1] ’ - [e-mailadres 12] @activeshield.net onder de naam ‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’. Een proces-verbaal van bevindingen aanvulling identificatie [e-mailadres 16] @pgpsafe.net (documentcode 20181012.1012), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven Uit berichten uit de nalevering uit de PGPsafe-server blijkt dat er met het e-mailadres [e-mailadres 15] @pgpsafe.net in april 2016 de volgende berichten zijn gestuurd: (…) [medeverdachte 3] heet ik! E-mail per direct verzenden naar [e-mailadres 1] @gmail.com. [medeverdachte 3] . [1986] . De persoonsgegevens in de berichten komen nagenoeg volledig overeen met de persoonsgegevens van [medeverdachte 3] . Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20180919.0751), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Uit berichten uit de PGPsafe-server blijkt dat tegencontacten de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’ hebben gekoppeld aan-mailadres [e-mailadres 15] @pgpsafe.net. Bewijsoverweging ten aanzien van e-mailadres [e-mailadres 15] @pgpsafe.net Op grond van voormelde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien met de hierna volgende bewijsmiddelen onder paragraaf 2.3 (over het onderzoek Cigua, Rainham ), stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 3] in – tenminste – de periode van 9 april 2016 tot en met 29 juni 2016 gebruik heeft gemaakt van PGP e-mailadres [e-mailadres 15] @pgpsafe.net. Zijn bijnaam was ‘ [bijnaam medeverdachte 3] ’. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank bij het weergeven van e-mailberichten in plaats van voormeld e-mailadres de naam van [medeverdachte 3] vermelden. 1.2 E-mailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz Een rapportage van de politie Eenheid Midden-Nederland (documentcode 181113.1200), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In de beschikbare PGP-data is onderzoek gedaan naar e-mailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz. Dit e-mailadres heeft de volgende bijnamen gekregen van tegencontacten: ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [bijnaam verdachte] ’. [naam 21] is woonachtig in [woonplaats ] en is eigenaar van het bedrijf [bedrijf 32] . Naast de bijnaam ‘ [bijnaam verdachte] ’ kan ook uit de inhoud van de gesprekken worden opgemaakt dat de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz eigenaar is van een motorzaak. Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20190725.1008), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Onderstaande berichten zijn afkomstig uit de Ennetcom-server. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz stuurt op 17 juni 2015 het volgende bericht: ‘Ik vertrek maandag naar alicante dan heb ik ook meteen pap daar’. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz stuurt op 19 november 2015 het volgende bericht: ‘Rustig net terug uit milaan motor beurs’. Bij berichten tussen de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz en een onbekende gebruiker wordt als ontvanger de naam ‘ [naam 21] ’ voorafgegaan aan het PGP-emailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz. Uit onderzoek is gebleken dat het PGP e-mailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz door verschillende tegencontacten is opgeslagen onder – onder meer – de namen: [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] . Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 190304.1102), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In dit onderzoek zijn reisgegevens opgevraagd bij ‘ [bedrijf 22] ’. Daaruit blijkt dat [naam 21] met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 22 juni 2015 van Amsterdam naar Alicante is gevlogen en dat hij met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 16 november 2015 van Amsterdam naar Milaan gevlogen. Een proces-verbaal (documentcode 20190416), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Tijdens de doorzoeking in de woning van [naam 21] op 8 oktober 2018 werd een mobiele telefoon in beslag genomen. In deze telefoon bleek – onder meer – het volgende contact te zijn opgeslagen: ‘ [bijnaam medeverdachte 1] ’ met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (* [telefoonnummer 1] ). Tijdens onderzoek 09Napoles werd vastgesteld dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] in gebruik was bij [medeverdachte 1] en dat ‘ [bijnaam medeverdachte 1] ’ een bijnaam is van [medeverdachte 1] . Uit gegevens in de Ennetcom-server blijkt het volgende: Het PGP-emailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz heeft de volgende PGP e-mailadressen opgeslagen: PGP e-mailadres Naam Opgeslagen op [bijnaam medeverdachte 1] @pgpsafe.net [bijnaam medeverdachte 1] 22-09-2015 [bijnaam medeverdachte 1] @pgpsafe.net [bijnaam medeverdachte 1] 09-11-2015 [e-mailadres 10] @pgpsafe.net [bijnaam medeverdachte 1] 29-05-2015 Bewijsoverweging ten aanzien van e-mailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz Op grond van voormelde bewijsmiddelen, beoordeeld in het licht van de hierna opgenomen bewijsmiddelen, stelt de rechtbank vast dat verdachte in – tenminste – de periode van 23 januari 2015 tot en met 26 januari 2016 de gebruiker was van e-mailadres [e-mailadres 6] @ennetcom.biz. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank bij het weergeven van e-mailberichten in plaats van voormeld e-mailadres de achternaam van verdachte ( [verdachte] ) vermelden. 1.3 E-mailadressen [bijnaam medeverdachte 1] @pgpsafe.net, [e-mailadres 9] @activeshield.net en [e-mailadres 10] @pgpsafe.net Een proces-verbaal identificatie [bijnaam medeverdachte 1] @pgpsafe.net (documentcode 20181012.0949), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Onderstaande berichten zijn afkomstig uit de PGPsafe-server. Gesprek tussen de gebruiker van e-mailadres [bijnaam medeverdachte 1] @pgpsafe.net en de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres 23] @ennetcom.net op 15 april 2016: [bijnaam medeverdachte 1] : Eve voor bezoek welke gegevens heb je nodig van me? Dan stu

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.