RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Locatie Utrecht, zitting houdende in de beveiligde rechtbank ‘De Bunker’ in Amsterdam Parketnummer: 16/705833-17 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 29 maart 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1989] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op: 28 28 augustus 2019, 11 september 2019, 15 november 2019, 30 januari 2020 en 23 april 2020 (regie-/pro formazittingen); 28 6, 10 en 12 november 2020 (inhoudelijke behandeling); 28 29 maart 2021 (sluiting van het onderzoek). De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft kennisgenomen van de standpunten en de vordering van de officieren van justitie, mrs. B.E.M. van de Ven en J. Zeilstra (hierna gezamenlijk te noemen: de officier van justitie), en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Aanleiding Dit vonnis betreft de strafzaak van verdachte [verdachte] . Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam 09Napoles. Onderzoek 09Napoles werd in december 2016 opgestart naar aanleiding van een reeks liquidaties, waaronder die van [slachtoffer 1] in september 2015. In de telefoon van [slachtoffer 1] werden versleutelde berichten aangetroffen over internationale drugshandel die vermoedelijk afkomstig waren van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , medeverdachten van verdachte [verdachte] . Uit onderzoeken van de Britse politie bleek dat deze medeverdachten vermoedelijk betrokken waren bij een aantal in 2015 en 2016 in Groot-Brittannië onderschepte drugstransporten. Verdachte zou daartoe met hen hebben samengewerkt. De Britse politie heeft via rechtshulpverzoeken contact opgenomen met de Nederlandse autoriteiten, wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat een groot aantal Britse dossierstukken aan het dossier 09Napoles zijn toegevoegd. Verdachte en zijn medeverdachten genaamd [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn na een langdurig opsporingsonderzoek aangehouden in oktober 2018. 2TENLASTELEGGING Op de zitting van 6 november 2020 is de tenlastelegging gewijzigd. Deze tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 1. in de periode van 31 december 2015 tot en met 31 december 2016 in Nederland en/of Groot-Brittannië, samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en/of anderen, heeft deelgenomen aan: a. een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en/of b. een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van de volgende misdrijven: - (voorbereiding van) moord en/of doodslag; - het voorhanden hebben van wapens en munitie; - het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig uit de drugshandel. 2. in de periode van 31 december 2015 tot en met 31 december 2016 in Nederland, samen met anderen, meerdere keren grote hoeveelheden harddrugs buiten het grondgebied van Nederland naar Groot-Brittannië heeft gebracht en/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd; subsidiair in de periode van 31 december 2015 tot en met 31 december 2016 medeplichtig is geweest aan het onder 2 primair ten laste gelegde. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn die maken dat de rechtbank deze strafzaak niet inhoudelijk kan beoordelen. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen – gedurende een deel van de onder feit 2 ten laste gelegde periode – heeft schuldig gemaakt aan het transporteren van harddrugs van Nederland naar Groot-Brittannië. Verdachte was volgens de officier van justitie als medepleger betrokken bij de transportlijn (twaalf transporten) die wordt omschreven in het zaaksdossier met de naam Rainham (onderzoek Cigua). De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in het kader van zijn betrokkenheid bij voormelde transportlijn heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet. Verdachte moet volgens de officier van justitie worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), omdat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen (of voorbereiden) van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie en/of het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld. De rechtbank zal de standpunten van de officier van justitie – ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis en voor zover van belang voor de beoordeling – bespreken in paragraaf 4.3. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe een aantal bewijsverweren gevoerd. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1 en 2 De rechtbank merkt vooraf het volgende op. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in een bij dit vonnis gevoegde bijlage (bijlage II) en dienen op deze plaats als ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt voor het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. 4.3.2 Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2 4.3.2.1 Overwegingen ten aanzien van de voor het bewijs gebruikte PGP-mailberichten De rechtbank heeft voor het bewijs gebruik gemaakt van berichten die zijn verstuurd met Pretty Good Privacy telefoons, telefoons waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd. Hoewel niet is gebleken dat verdachte gebruik heeft gemaakt van zo’n telefoon, heeft de rechtbank voor het bewijs van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wel gebruik gemaakt van berichten die door medeverdachten met Pretty Good Privacy-telefoons zijn verstuurd. Voordat de rechtbank nader ingaat op de aan verdachte ten laste gelegde feiten, gaat de rechtbank – ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis – in op de PGP-mailadressen die aan medeverdachten worden toegeschreven en op het versluierde taalgebruik dat door de gebruikers van die PGP-mailadressen wordt gehanteerd. De PGP-mailadressen van medeverdachten Het procesdossier bevat veel PGP-mailberichten die volgens de officier van justitie door en aan medeverdachten zijn verstuurd. De rechtbank heeft in bijlage II (de bewijsbijlage) een aantal korte overwegingen gewijd aan de mailadressen die aan hen worden toegeschreven. Die overwegingen moeten als hier ingelast worden beschouwd (hoofdstuk 1 van bijlage II). In die overwegingen concludeert de rechtbank, kortgezegd, dat: - [medeverdachte 1] gebruik heeft gemaakt van de PGP-mailadressen [e-mailadres] , [e-mailadres] en [e-mailadres] ; - [medeverdachte 2] gebruik heeft gemaakt van de PGP-mailadressen [e-mailadres] , , [e-mailadres] , [e-mailadres] en ; - [medeverdachte 4] gebruik heeft gemaakt van PGP-mailadres [e-mailadres] ; - [medeverdachte 3] gebruik heeft gemaakt van PGP-mailadres [e-mailadres] . Het versluierde taalgebruik in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten Uit de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten leidt de rechtbank af dat medeverdachten en anderen vaak door middel van versluierde taal communiceerden. Voor de deelnemers aan de gesprekken is duidelijk waarover wordt gesproken, maar op basis van de letterlijke tekst van de gesprekken is dat voor een buitenstaander niet per se het geval. Om de betekenis en strekking van de in de bewijsmiddelen weergegeven woorden en gesprekken te duiden, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. De rechtbank heeft daarbij onder meer rekening gehouden met de continuïteit waarmee bepaalde woorden of uitdrukkingen voorkomen, de context waarin deze worden gebruikt, gebeurtenissen waarvan is vastgesteld dat deze hebben plaatsgevonden en met de in het onderzoek aangetroffen en/of in beslag genomen goederen. Ten behoeve van de leesbaarheid van de in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten en de hierna volgende overwegingen, stelt de rechtbank ten aanzien van een aantal veelgebruikte woorden het volgende vast. Verdovende middelen In de bewijsbijlage zijn PGP-berichten opgenomen van medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en anderen die zijn verzonden in de periode van 24 augustus 2015 tot en met 31 mei 2016. Uit die PGP-berichten blijkt dat in deze periode veelvuldig werd gesproken over het transporteren van goederen naar Groot-Brittannië. De goederen die naar Groot-Brittannië moesten worden getransporteerd werden doorgaans aangeduid met woorden als ‘vieze’, ‘dure’, ‘wit’ en ‘bruin’ en een enkele maal met ‘rolex’, ‘charlie’, ‘goede vrouwen’, ‘aa’ en ‘eagle’. Dat met deze woorden harddrugs werden bedoeld, kan naar het oordeel van de rechtbank onder meer worden afgeleid uit de context waarin de woorden werden gebruikt. Zo werd in gesprekken over het transporteren van (de met voormelde woorden aangeduide) goederen veelvuldig gesproken over aantallen en inkoop- en verkoopprijzen. Daarnaast werd gesproken over junks die ‘vieze’ en/of ‘dure’ hebben getest, over het uitkoken van de handel, over ‘vieze’ die alleen kan worden gespoten, over het opsnuiven van ‘die kkzooi’ en over de kwaliteit, glans en geur van ‘vieze’ en/of ‘dure’. Dat met de hiervoor genoemde woorden specifiek heroïne en cocaïne werden bedoeld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende. Het zijn feiten van algemene bekendheid dat cocaïne wit van kleur is en heroïne bruin, en dat cocaïne doorgaans wordt gesnoven en heroïne geïnjecteerd (‘gespoten’). In straattaal wordt voor cocaïne doorgaans het woord ‘wit’ gebruikt en voor heroïne het woord ‘bruin’. Het staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook vast dat in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten de woorden ‘wit’ en ‘bruin’ werden gebruikt als werd gesproken over cocaïne en heroïne. Dat met ‘dure’, ‘charlie’ en ‘rolex’ ook cocaïne werd bedoeld en met ‘vieze’ heroïne, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit – onder meer – de voor het bewijs gebezigde gesprekken tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] van augustus en september 2015. Uit die gesprekken en de aantallen die daarin worden genoemd kan namelijk worden afgeleid dat de woorden ‘dure’, ‘charlie’ en ‘rolex’ als synoniemen van het woord wit werden gebruikt en dat het woord ‘vieze’ een ander woord was voor ‘bruin’. Daar komt nog bij dat niet alleen op grond van de (context en inhoud van) de PGP-berichten zelf, maar ook op grond van andere bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat werd gesproken over de drugssoorten cocaïne en heroïne. Zo blijkt uit hierna nog te bespreken bewijsmiddelen dat verdachte en een aantal medeverdachten betrokken waren bij het transporteren van drugs naar Groot-Brittannië. De rechtbank gaat verderop in het vonnis nader in op die betrokkenheid. In dit kader is echter van belang dat bij de onderschepping van een transport enkel grote hoeveelheden heroïne en cocaïne zijn aangetroffen. Gelet op al het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten met de woorden ‘vieze’, ‘dure’, ‘wit’, ‘bruin’, ‘rolex’, ‘charlie’ en ook ‘goede vrouwen’, ‘aa’ en ‘eagle’, cocaïne en/of heroïne werden bedoeld. Geld Het woord ‘pap’ komt in veel PGP-gesprekken voor. ‘Pap’ (afkorting van ‘paper’) is straattaal voor geld. Dat medeverdachten en anderen met het woord ‘pap’ ook daadwerkelijk geld bedoelden, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid uit de inhoud en context van de PGP-berichten, bezien in het licht van de overige, hierna nog te bespreken bewijsmiddelen in dit dossier. Medeverdachte [medeverdachte 1] sprak bijvoorbeeld met regelmaat over het wisselen van ‘pap’ bij een wisselaar. In één van die gesprekken vroeg hij of hij de ‘pap’ – zodra het was gestort – moest afgeven bij de wisselaar van zijn gesprekspartner. In een ander gesprek schreef hij dat ze elke paar ‘mil’ wisselen. Verder schreef [medeverdachte 4] in een PGP-bericht aan [medeverdachte 1] dat hij het waarschijnlijk wel zou redden met het geld dat hij nog over had. [medeverdachte 1] schreef daarop dat het wel goed zou komen, omdat [medeverdachte 4] de volgende dag waarschijnlijk weer ‘pap’ kon aanpakken. Vuurwapens Het woord ‘yzer’ komt in enkele voor het bewijs gebruikte PGP-berichten voor. In straattaal wordt voor de woorden vuurwapen en/of pistool doorgaans het woord ‘yzer’ gebruikt. Dat met het woord yzer in de voor het bewijs opgenomen PGP-berichten ook daadwerkelijk een vuurwapen wordt bedoeld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit de omstandigheid dat onder de medeverdachten die het woord ‘yzer’ in hun PGP-berichten gebruikten, een aanzienlijk aantal wapens en munitie is aangetroffen. Conclusie Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij het bespreken van PGP-berichten in de hierna volgende overwegingen de woorden cocaïne, heroïne, geld en (vuur)wapen gebruiken in plaats van de hiervoor besproken verdekte termen. 4.3.2.2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor feit 2 Inleiding Aan verdachte is onder feit 2 primair ten laste gelegd dat hij in de periode van 31 december 2015 tot en met 31 december 2016 in Nederland, samen met anderen, opzettelijk grote hoeveelheden cocaïne en heroïne van Nederland naar Groot-Brittannië heeft gebracht en/of heeft verstrekt, verkocht, afgeleverd en vervoerd. Subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte daaraan medeplichtig was. Ten behoeve van de leesbaarheid van deze paragraaf merkt de rechtbank alvast het volgende op. Het procesdossier 09Napoles bevat onder meer de zaaksdossiers Gravesend (onderzoek Creek), Manchester (onderzoek Wheat), Rainham (onderzoek Cigua) en [plaatsnaam] . Dit betreffen onderzoeken van de Nederlandse en Britse politie naar aanleiding van in Groot-Brittannië onderschepte drugstransporten. Uit de hierna volgende overwegingen zal blijken dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte betrokken was bij de in het zaaksdossier Rainham omschreven transportlijnen, maar niet bij de transportlijnen die zijn omschreven in de zaaksdossiers Gravesend, Manchester en [plaatsnaam] . Ten behoeve van het bewijs van een aantal in de onder de feiten 1 en 2 opgenomen bestanddelen maakt de rechtbank echter wél gebruik van (schakel)bewijsmiddelen die voortvloeien uit de zaaksdossiers Gravesend, Manchester en [plaatsnaam] . De rechtbank gaat in deze paragraaf daarom eerst in op de feiten en omstandigheden die voortvloeien uit alle hiervoor genoemde zaaksdossiers. De rechtbank bespreekt vervolgens welke conclusies zij op grond van die feiten en omstandigheden trekt over de rol van verdachte. De feiten met betrekking tot onderzoek Creek, zaaksdossier Gravesend Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.1, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Onderschepping Onderzoek Creek is een drugsonderzoek van de politie te [plaatsnaam] , een plaats in het graafschap [.] in Engeland. Op 5 maart 2015 werd door de politie in [plaatsnaam] gezien dat [A] een koffer overhandigde aan een persoon genaamd [B] . In deze koffer zaten – zo bleek later – tien blokken met verdovende middelen. In de auto van [A] werden drie exact dezelfde koffers aangetroffen waarin ook een aantal pakjes met verdovende middelen zat. Uit in Groot-Brittannië verricht laboratoriumonderzoek bleek dat het in totaal ging om ongeveer dertig kilo heroïne en twaalf kilo cocaïne. [A] bleek te verblijven in hotel [hotel] in [plaatsnaam] . Hij verbleef daar samen met [C] . [A] en [C] zijn in Groot-Brittannië uiteindelijk veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de handel in verdovende middelen. [C] en [A] bleken al zo’n half jaar regelmatig in hotel [hotel] te hebben overnacht. Uit reisgegevens blijkt dat [C] en [A] in de periode van 29 april 2014 tot en met 4 maart 2015 nagenoeg iedere maand één- tot tweemaal voor één of enkele dagen naar Groot-Brittannië zijn gereisd, zowel samen als alleen. Op 29 april, 8 mei en 19 mei 2014 vloog [C] niet samen met [A] , maar met medeverdachte [medeverdachte 2] van Amsterdam naar Londen. Uit bonnen die in de woning van [medeverdachte 2] zijn aangetroffen kan worden afgeleid dat hij kort daarvoor, namelijk op 12 en 13 maart 2014, heeft overnacht in het hiervoor al genoemde hotel [hotel] in [plaatsnaam] . Bedrijven en loodsen In de hotelkamer van [A] en [C] werd een transportbrief aangetroffen van het bedrijf [bedrijfsnaam 10] Ltd. met daarop het adres van een loods in [plaatsnaam] (ook in het graafschap [.] ). Dit bedrijf stond op naam van een persoon genaamd [D] . Hij huurde ook de loods in [plaatsnaam] . In die loods zijn op 6 maart 2015 – onder meer – ontvangstbewijzen voor zwarte koffers, een vorkheftruck, krimpfolie en een groot aantal dozen van www. [bedrijfsnaam 1] .nl aangetroffen. In en naast die dozen lagen jumpstarters/acculaders. Een aantal in de loods aangetroffen jumpstarters/acculaders was hol van binnen. De accu’s waren uit deze jumpstarters/acculaders verwijderd en vervangen door een met lood beklede verpakking. In deze accu’s paste ongeveer een kilo van de verdovende middelen, precies de grootte van een pak. Tijdens de doorzoeking van de loods in [plaatsnaam] kwam een chauffeur met een Nederlandse vrachtwagen aan bij de loods, die daar pallets met auto-onderdelen kwam ophalen. Hij had een vrachtbrief bij zich waaruit bleek dat de pallets moesten worden vervoerd naar een bedrijf met een loods aan de [adres] in [plaatsnaam] (hierna: de loods in [plaatsnaam] ). Deze loods bleek te zijn gehuurd door [D] , de persoon die ook de loods in [plaatsnaam] huurde. In de loods in [plaatsnaam] werden (ook) een vorkheftruck, dozen met krimpfolie en ( [bedrijfsnaam 1] dozen met) acculaders aangetroffen. Een aantal acculaders was uitgehold en met lood bekleed, op exact dezelfde manier als de jumpstarters/acculaders in de loods in [plaatsnaam] . De eigenaar en verhuurder van de loods in [plaatsnaam] zag wekelijks personen die bij de loods bezig waren pallets met dozen met acculaders te laden en lossen en herkende [medeverdachte 2] als een van de personen die hier wel eens bij was. Transportbrief in woning medeverdachte [medeverdachte 2] Eind juni 2014 is de woning van [medeverdachte 2] in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek doorzocht. In de woning werd een transportbrief aangetroffen die overeenkwam met de transportbrief die de chauffeur bij zich had toen hij op 6 maart 2015 aankwam bij de loods in [plaatsnaam] . De transportbrief in de woning van [medeverdachte 2] had namelijk betrekking op 31 pallets met auto-onderdelen die op 6 juni 2014 namens het hiervoor al genoemde bedrijf [bedrijfsnaam 10] Ltd. vanaf de loods in [plaatsnaam] moesten worden getransporteerd naar de loods in [plaatsnaam] . Naast de transportbrief werden in de woning van [medeverdachte 2] een (Engelse) aankoop- en transportbon van een vorkheftruck van 4 maart 2014 aangetroffen. Deze vorkheftruck moest worden afgeleverd bij de loods van [bedrijfsnaam 10] Ltd. in [plaatsnaam] . Transporten De dagen 6 juni 2014 en 5 maart 2015 blijken niet de enigen te zijn waarop transporten van auto-onderdelen plaatsvonden tussen de loods in [plaatsnaam] en de loods van het bedrijf [bedrijfsnaam 10] Ltd. in [plaatsnaam] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het eerste transport tussen beide loodsen plaatsvond op 12 maart 2014, de dag waarop [medeverdachte 2] overnachtte in hotel [hotel] . Het ging om een lading auto-onderdelen van [bedrijfsnaam 1] , die in opdracht van een Nederlands bedrijf op naam van [D] naar het Britse bedrijf op naam van diezelfde [D] ( [bedrijfsnaam 10] Ltd.) werd getransporteerd. Na dat eerste transport vonden tot en met 5 maart 2015 minimaal 17 transporten (nagenoeg één tot tweemaal per maand) plaats van telkens zo’n 28 tot 34 pallets met auto-onderdelen (vaak omschreven als [bedrijfsnaam 1] , [.] ). Binnen 2 tot 5 dagen na aankomst van zo’n transport in [plaatsnaam] ging weer eenzelfde transport retour naar de loods in [plaatsnaam] . Volgens de eigenaar en verhuurder van de loods in [plaatsnaam] leek het erop dat iedere keer niet soortgelijke, maar exact dezelfde pallets met acculaders werden gebracht en gehaald: ‘(…) dan kwam bijvoorbeeld een week later weer een doos met een zelfde scheur erin terug’, aldus de eigenaar. De feiten met betrekking tot onderzoek Wheat, zaaksdossier Manchester De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.2, het volgende vast. Onderschepping Op 12 november 2015 werd in Groot-Brittannië een drugstransport onderschept dat afkomstig was van de Dominicaanse Republiek. De onderschepping werd nog even geheim gehouden en het transport werd onder controle van de politie op 23 november 2015 afgeleverd bij een loods. De container die werd getransporteerd bleek gevuld met dozen waarin jumpstarters/acculaders van het merk [bedrijfsnaam 1] zaten. Vijftig jumpstarters/acculaders waren uitgehold (de accu’s waren verwijderd) en de holle ruimtes waren bekleed met lood, op dezelfde wijze als de jumpstarters/acculaders in het hiervoor besproken onderzoek met de naam Creek. In de holle ruimtes van deze vijftig jumpstarters/acculaders zaten vacuüm verpakte blokken cocaïne. In totaal bleek in de acculaders 47 kilo cocaïne te zijn verstopt. De dozen waarin de jumpstarters/acculaders met cocaïne zaten, waren gemarkeerd met een zwarte stip. Contacten van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] De Britse [E] werd op 23 november 2015 vanuit de hiervoor genoemde loods door de politie gevolgd naar de boerderij waar [F] op dat moment verbleef. [F] , [E] en [H] zijn na de aflevering van het transport op 23 november 2015 aangehouden en uiteindelijk veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de import en handel in verdovende middelen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 2] vanaf augustus 2015 tot en met november 2015 iedere maand in Manchester is geweest. In november, slechts drie dagen voor aankomst van het hierboven genoemde transport, had hij een ontmoeting met [F] en [E] in [plaatsnaam] . Een maand eerder, op 13 oktober 2015, bevond [medeverdachte 2] zich ook al in [plaatsnaam] , zo blijkt uit een PGP-bericht van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] . Uit de onderlinge samenhang tussen voorgaande feiten enerzijds en de inhoud, data en afzenders van de in de bewijsmiddelen opgenomen PGP-berichten anderzijds, blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in oktober en november 2015 met elkaar én met [F] en [H] spraken over het drugstransport dat op 12 november 2015 is onderschept. Zo sprak [medeverdachte 1] op 13 oktober 2015 – de dag waarop [medeverdachte 2] in [plaatsnaam] was – met [H] over ‘Domi’, het Verenigd Koninkrijk en de prijzen van harddrugs. Met een ander contact sprak [medeverdachte 1] over ‘Domi’ en over het vacumeren en wegleggen van iets (‘ze’) in ‘media’, omdat het voor ‘manch’ was. Op 10 november 2015 werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] er door [F] van op de hoogte gebracht dat de douane ‘de container’ door middel van röntgenapparatuur zou controleren. Die controle zou volgens [medeverdachte 1] geen problemen opleveren, omdat de lading scanbestendig was. [medeverdachte 2] verwachtte dat de douane ook een steekproef zou doen, omdat het zo lang duurde. Op 12 november 2015 schreef een contact aan [medeverdachte 1] dat er niks aan de hand was als de douane tijdens een steekproef ‘een lege’ zou pakken. [F] stelde voor om ‘ [E] ’ te sturen [de rechtbank begrijpt: [E] naar de loods te sturen]: ‘dan weten we of [E] de gevangenis in gaat, hahaha’, aldus [F] . Op 23 november 2015, de dag waarop [E] en [F] zijn aangehouden, zei [medeverdachte 1] nog tegen [F] dat [E] wat nepwerk moest gaan uitvoeren in de loods. Later die dag werd [medeverdachte 1] er door [F] van op de hoogte gebracht dat [E] vanuit de loods naar de boerderij was gereden en dat de politie hem was gevolgd. De politie zat overal. [F] vroeg of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] de telefoons van [E] en [H] direct wilden schoonvegen. De feiten met betrekking tot onderzoek Cigua, zaaksdossier Rainham Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.3, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Onderschepping Het onderzoek met de naam Cigua is een onderzoek van de politie te [plaatsnaam] (Groot-Brittannië). Op 12 oktober 2016 werd door de grenspolitie in Groot-Brittannië een transport gecontroleerd dat uit Nederland was gekomen. Het ging om een oplegger met 28 pallets met accu’s. Op die accu’s zaten etiketten van ‘BT Battery’. Een aantal accu’s bleek aan de binnenkant met lood bekleed. In de accu’s zaten pakketten met verdovende middelen die vacuüm waren verpakt en gemarkeerd (strepen of stickers in verschillende kleuren). In totaal werd er 55 kilo heroïne en 60 kilo cocaïne aangetroffen. Bedrijven, loodsen en transporten en de betrokkenheid van verdachte De onderschepte lading was naar Groot-Brittannië getransporteerd vanaf een loods in [plaatsnaam] , Nederland. Afzender van de lading was het bedrijf [bedrijfsnaam 14] B.V. Dit bedrijf stond op naam van verdachte, die het bedrijf eind december 2015 voor slechts 1 euro had overgenomen. Uit belastingaangiften bleek dat voor de jaren 2015 tot en met 2017 geen inkomsten waren opgegeven. Verdachte huurde (namens [bedrijfsnaam 14] B.V.) ook de loods in [plaatsnaam] en had – na de onderschepping van het transport op 12 oktober 2016 – contact met de douane. Na die onderschepping is voor de loods geen huur meer betaald en kreeg de eigenaar van de loods verdachte niet meer te pakken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in opdracht van [bedrijfsnaam 14] B.V. in de periode van 20 april 2016 tot en met 12 oktober 2016 dertienmaal accu’s en auto-onderdelen vanaf de loods in [plaatsnaam] naar de loodsen van drie bedrijven in Groot-Brittannië zijn getransporteerd. Na aankomst van een lading bij één van die loodsen werd doorgaans binnen een paar dagen eenzelfde lading weer getransporteerd naar de loods in [plaatsnaam] . Eén van de hiervoor genoemde Britse bedrijven was [bedrijfsnaam 15] Ltd., opgericht in januari 2016. Dit bedrijf stond ook op naam van verdachte. Uit informatie van de Britse belastingdienst blijkt dat het bedrijf nooit belasting heeft afgedragen. Verdachte huurde namens [bedrijfsnaam 15] Ltd. ook een loods [plaatsnaam] (Groot-Brittannië). In deze loods werden onder meer een vorkheftruck, zwarte en doorzichtige folie, verpakkingsdozen van accustarters, pakbonnen van transporten, een rol bubbelfolie en bonnen van (sport)tassen aangetroffen. De geadresseerde van het op 12 oktober 2016 onderschepte transport was echter niet het bedrijf [bedrijfsnaam 15] Ltd., maar het bedrijf [bedrijfsnaam 16] Ltd., met een loods in [plaatsnaam] , Groot-Brittannië. De verhuurder van de loods verklaarde dat om de paar weken bij de loods een vrachtwagen aankwam met accu’s op pallets die waren verpakt in cellofaan. Deze accu’s werden diezelfde dag weer op een andere vrachtwagen geladen en weggereden. Het bedrijf [bedrijfsnaam 16] Ltd. stond op naam van een man uit Litouwen, genaamd [I] , en de loods in [plaatsnaam] werd door diezelfde man gehuurd. Het derde Britse bedrijf dat accu’s en auto-onderdelen van [bedrijfsnaam 14] B.V. ontving was [bedrijfsnaam 22] Ltd. Dit bedrijf stond op naam van een andere man uit Litouwen, genaamd [J] , die namens het bedrijf ook een loods huurde. [J] verklaarde dat hij was betaald voor het op naam zetten van het bedrijf en het huren van de loods. Betrokkenheid van medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] Het eerste transport dat (blijkens de bewijsmiddelen) in opdracht van [bedrijfsnaam 14] B.V. is uitgevoerd vertrok op 20 april 2016 vanuit [plaatsnaam] en kwam op 25 april 2016 aan bij de loods in [plaatsnaam] . Uit de voor het bewijs gebezigde PGP-berichten blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] in berichten voorafgaand aan dat eerste transport met anderen sprak over het regelen van alle papieren, het betalen van katvangers, het wijzigen/op naam zetten van ‘iets’ bij de Kamer van Koophandel en het betalen van huur voor ‘het pand’. Uit de inhoud van andere berichten van en aan [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat (namens [medeverdachte 1] ) in die periode contact werd opgenomen met klanten om te vragen of zij – tegen betaling – pakketten met cocaïne en/of heroïne (‘dure en/of vieze’) mee wilden laten transporteren naar Groot-Brittannië. Een deel van de lading was gevuld met ‘eigen’ pakketten van [medeverdachte 1] , maar er was doorgaans ook nog ruimte voor pakketten van anderen. Die pakketten konden een dag voor vertrek, op 19 april 2016, gevacumeerd en gemarkeerd worden aangeleverd. Op 18 april 2016 vroeg NN4k aan [medeverdachte 1] of hij en [medeverdachte 2] (‘ [bijnaam] ’ genoemd) de planning voor de volgende dag konden gaan maken. [medeverdachte 1] vond dat goed. NN4k vroeg vervolgens aan [medeverdachte 1] hoe de heroïne moest worden gevacumeerd. [medeverdachte 1] antwoordde daarop dat NN4k dat aan [medeverdachte 2] (‘ [bijnaam] ’) moest vragen. Kort na dat gesprek nam [medeverdachte 2] contact op met NN4k om hem mee te delen hoe de heroïne moest worden verpakt. [medeverdachte 2] vertelde ook dat hij de drugs de volgende ochtend zou aanpakken. Voorafgaand aan de transporten van [bedrijfsnaam 14] B.V. in mei 2016 werden door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] soortgelijke berichten gestuurd. [medeverdachte 1] sprak met zijn klanten over de hoeveelheden die nog mee konden op de transporten, over de prijzen daarvan en over de (in- en verkoop)prijzen van cocaïne en heroïne. Ook vertelde hij dat hij met een topsysteem werkte, omdat de te transporteren lading scanbestendig (‘scan proef’) zou zijn. Vragen over het vacumeren van de drugs en het aanpakken daarvan liet hij beantwoorden door [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] maakte vervolgens afspraken met klanten over het aanpakken of afgeven van de drugs of het geld. Uit andere PGP berichten blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 4] vanaf april 2016 in opdracht van [medeverdachte 1] allerlei werkzaamheden verrichtte met betrekking tot de transporten van Nederland naar Groot-Brittannië. Die werkzaamheden bestonden onder meer uit het – in Groot-Brittannië – in ontvangst nemen van een vorkheftruck, het regelen van een Britse auto waarin een ‘stash’ (opbergruimte) kon worden gemaakt, het laden en lossen van transporten en het aanpakken van (contant) geld. Dat [medeverdachte 4] hielp bij het laden en lossen van naar Groot-Brittannië getransporteerde accu’s blijkt onder meer uit een bericht van [medeverdachte 1] van 21 mei 2016 waarin hij [medeverdachte 4] opdroeg om rustiger te werk te gaan met de accu’s, omdat er een paar kapot waren. [medeverdachte 4] werd voor zijn werkzaamheden betaald door [medeverdachte 1] . Dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] met elkaar en anderen in de voor het bewijs gebezigde PGP-berichten ook daadwerkelijk spraken over de transporten die in opdracht van [bedrijfsnaam 14] B.V. werden uitgevoerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet alleen worden afgeleid uit de data en inhoud van die berichten, maar ook uit het volgende. Enige tijd na de onderschepping van het transport op 12 oktober 2016 werd in de loods in [plaatsnaam] een flesje in beslag genomen waarop DNA is aangetroffen dat een match heeft opgeleverd met het DNA-profiel van [medeverdachte 4] . Verder kreeg [medeverdachte 4] op 21 april 2016, vlak voor aankomst van het eerste transport in [plaatsnaam] , (via een PGP-bericht) opdracht van [medeverdachte 1] om zich tegenover het bedrijf [bedrijfsnaam 17] voor te doen als [V] van [bedrijfsnaam 15] Ltd. [bedrijfsnaam 17] is het vervoersbedrijf dat het eerste transport voor [bedrijfsnaam 14] B.V. heeft uitgevoerd en uit een e-mailbericht van [bedrijfsnaam 14] B.V. aan [bedrijfsnaam 17] blijkt dat over het lossen van de lading op 25 april 2016 in [plaatsnaam] contact kon worden opgenomen met [V] van [bedrijfsnaam 15] Ltd. [medeverdachte 4] werd op 29 juni 2016 in verband met een ander feit aangehouden in Groot-Brittannië. In zijn auto lagen allerlei documenten en goederen die betrekking hadden op de transporten van [bedrijfsnaam 14] B.V., het bedrijf [bedrijfsnaam 15] Ltd. en de loods in [plaatsnaam] . Uit reisgegevens blijkt ook dat [medeverdachte 4] meestal in Groot-Brittannië was op en rondom de data van transporten vanuit [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] en vice versa. Onderzoek naar de verpakking van de verdovende middelen De op 12 oktober 2016 in Groot-Brittannië onderschepte heroïne en cocaïne waren vacuüm verpakt. Een aantal verpakkingen is in beslag genomen voor forensisch onderzoek. Op 8 oktober 2018 werden de woningen en loodsen van alle verdachten in onderzoek 09Napoles doorzocht. In de loods van medeverdachte [medeverdachte 3] werd een vacuümmachine aangetroffen. Op één van die zakken zat een rond stickertje, gelijksoortig aan de stickertjes die op de plastic zakken zaten waarin de in oktober 2016 onderschepte verdovende middelen waren verpakt (gevacumeerd). Er is een vergelijkend onderzoek gedaan naar de in 2016 in beslag genomen vacuümzakken en de in 2018 aangetroffen vacuümmachine. De resultaten van dit vergelijkend onderzoek zijn extreem veel (meer dan een miljoen keer) waarschijnlijker wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met de in de loods van [medeverdachte 3] in beslag genomen vacuümmachine, dan wanneer de vacuümzakken zijn dichtgemaakt met een willekeurige andere vacuümmachine. De rechtbank heeft deze onderzoeksresultaten beoordeeld in het licht van de overige bewijsmiddelen in dit dossier, waaronder de contacten tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en de andere in de loods en woning van [medeverdachte 3] aangetroffen goederen (waarop de rechtbank verderop in het vonnis nader zal ingaan). Op grond van de samenhang tussen die bewijsmiddelen en de onderzoekresultaten komt de rechtbank tot de conclusie dat een aantal van de in Groot-Brittannië onderschepte pakketten met heroïne en/of cocaïne vacuüm waren verpakt met één van de vacuümmachines uit de loods van medeverdachte [medeverdachte 3] . De feiten met betrekking tot onderzoek (en zaaksdossier) [plaatsnaam] Onderzoek [plaatsnaam] is een onderzoek van de Nederlandse politie dat is gestart omdat op grond van PGP-berichten van medeverdachte [medeverdachte 2] het vermoeden was ontstaan dat in 2016 drugstransporten hadden plaatsgevonden tussen [plaatsnaam] en Groot-Brittannië. Op grond van de bewijsmiddelen, opgenomen in de bewijsbijlage onder paragraaf 2.4, kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Bedrijf en loods in [plaatsnaam] In PGP-berichten van 5 april 2016 van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan de eerder in dit vonnis al genoemde NN4k werd gesproken over een transport naar ‘de overkant’, over ‘uk tijd’, over pallets én over ‘dure’ die pas in het systeem pasten nadat er wat vacuümzakken waren afgehaald. [medeverdachte 2] schreef dat ‘het’ moest naar het adres: [adres] in [plaatsnaam] . Uit onderzoek bleek dat het pand op dit adres vanaf 1 augustus 2015 tot en met juli 2017 werd gehuurd door het bedrijf [bedrijfsnaam 18] B.V, dat vanaf 24 maart 2016 [bedrijfsnaam 19] B.V. heette. Een persoon genaamd [D] was vanaf 22 maart 2016 bestuurder van dit bedrijf. Deze [D] kwam ook al voor in onderzoek Creek, namelijk als huurder van de loodsen in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] en als bestuurder van het bedrijf [bedrijfsnaam 10] Ltd. Uit afschriften van de bankrekening van het bedrijf [bedrijfsnaam 18] B.V. bleek dat tussen 2015 en 2017 ruim € 93.000,- (contant) op de rekening was gestort, maar dat geen andere inkomsten waren binnengekomen. Verder bleek dat het bedrijf in 2015 een bedrag van bijna € 60.000,- had overgemaakt naar een Pools bedrijf dat accu’s verkocht. Ook heeft het bedrijf in – onder meer – april 2016 een groot aantal stickers besteld. Deze stickers bleken exact overeen te komen met de stickers op de accu’s die op 12 oktober 2016 in het hiervoor besproken onderzoek Cigua zijn onderschept. De stickers waren door het bedrijf [bedrijfsnaam 18] besteld met het e-mailadres van [bedrijfsnaam 14] B.V., dat blijkens het onderzoek Cigua op naam stond van verdachte en afzender was van de op 12 oktober 2016 onderschepte lading. Transporten naar [plaatsnaam] Uit de bankafschriften van [bedrijfsnaam 18] B.V. bleek ook dat het bedrijf geld had overgemaakt aan de transportbedrijven [tramsportbedrijf 1] en [transportbedrijf 2] . Uit gegevens van die transportbedrijven bleek dat in de periode van 4 september 2015 tot en met 30 oktober 2015 in totaal vijf transporten waren uitgevoerd in opdracht van [bedrijfsnaam 18] B.V. Het ging om transporten van accu’s die moesten worden vervoerd vanuit het pand van [bedrijfsnaam 18] B.V. in [plaatsnaam] naar het bedrijf [bedrijfsnaam 20] in [plaatsnaam] [de rechtbank begrijpt: een stad in het graafschap Greater Manchester, Engeland]. Het bedrijf [bedrijfsnaam 20] was op 16 oktober 2015 ingeschreven in het bedrijvenregister in Groot-Brittannië. De directeur van het bedrijf bleek [E] , veroordeelde in het hiervoor besproken onderzoek Wheat en een contact van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Transport naar [wijk] Op 11 april 2016 schreef [medeverdachte 2] in een PGP-bericht aan een onbekende dat ‘het transport’ onderweg was. Verder mailde hij deze onbekende het adres van het pand van [bedrijfsnaam 18] B.V. in [plaatsnaam] en het adres van een loods in [wijk] [de rechtbank begrijpt: een wijk in Londen, Engeland]. Op 12 april 2016 schreef [medeverdachte 2] in een PGP-bericht aan NN4k dat de jongens in de loods moeten wachten en dat ‘onze’ trailer rood is en dat op de zijkant ‘ [transportbedrijf 3] ’ staat. [medeverdachte 2] vroeg vervolgens aan NN4k of de lading al was aangekomen en of ze de Litouwer – een goede werker – wel konden vertrouwen. Naar aanleiding van voormelde berichten is nader onderzoek verricht. Uit dat onderzoek bleek dat een vervoersbedrijf met de naam [transportbedrijf 3] een transport had uitgevoerd in opdracht van het bedrijf [bedrijfsnaam 19] . Het ging om het transporteren van een lading ‘truck filters’ vanuit de loods in [plaatsnaam] naar de hiervoor genoemde loods in [wijk] . Het transport was op 11 april 2016 vertrokken vanuit [plaatsnaam] en op 13 april 2016 aangekomen bij de loods in [wijk] . De geadresseerde van het transport was het bedrijf [bedrijfsnaam 22] Ltd. Dit bedrijf kwam in onderzoek Cigua ook voor als de geadresseerde van een transport dat in opdracht van [bedrijfsnaam 14] B.V. was uitgevoerd. Dit transport moest worden vervoerd naar een loods in [wijk] . Het bedrijf [bedrijfsnaam 22] Ltd. stond op naam van de Litouwer [J] . [J] verklaarde dat was betaald voor het op naam zetten van het bedrijf. Hij verklaarde dat hij ook nog een pand had gehuurd in [wijk] . Betrokkenheid van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] Uit de onderlinge samenhang tussen de hiervoor besproken bewijsmiddelen en de inhoud en data van de in paragraaf 2.4 van de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat zij met elkaar en met anderen spraken over het transport van 11 april 2016 dat is uitgevoerd door het bedrijf [transportbedrijf 3] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] spraken met elkaar en met anderen over de adressen van de loodsen in [plaatsnaam] en [wijk] , over het inbouwen van de lading, over het insealen van de lading met zwarte en witte folie, over klanten, over prijzen, over het wisselen van geld en over het laten terugkomen van de vrachtwagen met geld (pap). De rechtbank concludeert op grond van de berichten dat [medeverdachte 1] het transport regelde en de mensen aanstuurde en betaalde die ten aanzien van dat transport werkzaamheden verrichtten in Nederland en Groot-Brittannië. Verder benaderde [medeverdachte 1] klanten om hen mee te delen dat er weer een transport van hem zou vertrekken en hen te vragen of ze ‘spullen’ wilden meegeven. [medeverdachte 1] verwees veel contacten naar [medeverdachte 2] voor informatie over alle praktische zaken rondom het laden en lossen van het transport. [medeverdachte 2] had met name contact met anderen over het aanpakken van ‘spullen’, de vertrek- en aankomstdata van het transport, het laden en lossen en de manier waarop de ‘spullen’ geseald moesten worden. [medeverdachte 2] werd voor zijn werkzaamheden betaald door [medeverdachte 1] . Conclusies van de rechtbank ten aanzien van feit 2 Ging het telkens om transporten van heroïne en/of cocaïne? Uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden blijkt dat in de onderhavige zaak grote hoeveelheden cocaïne en heroïne zijn aangetroffen in ladingen die vanuit de loodsen in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] naar de loodsen in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] werden getransporteerd. In de vanuit de Dominicaanse Republiek naar Groot-Brittannië getransporteerde lading is eveneens een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De ladingen die vanuit de loodsen in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] naar de loodsen in [plaatsnaam] , [wijk] (zaaksdossier Rainham), [plaatsnaam] en [wijk] (zaaksdossier [plaatsnaam] ) werden getransporteerd, zijn niet onderschept. Het hof Amsterdam heeft in één van de zogeheten ‘Pan’ arresten als uitgangspunt genomen dat de opzettelijke in- of uitvoer van verdovende middelen in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt als tijdens het opsporingsonderzoek ook feitelijk een hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Voor gevallen waarin géén verdovende middelen zijn aangetroffen heeft het hof het volgende toetsingskader (voor het gebruik van schakelbewijs) geformuleerd: ‘(…) het hof (
- is)van oordeel dat ook in die gevallen in beginsel een bewezenverklaring mogelijk is, mits op grond van het samenstel van feiten en omstandigheden geen andere conclusie mogelijk is dan dat sprake is geweest van handelingen met betrekking tot cocaïne. Deze conclusie kan worden getrokken indien blijkt van een patroon van handelingen en gebeurtenissen dat in aanzienlijke mate overeenkomt met het patroon, beschreven in een zaaksdossier waarin wél een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en inbeslaggenomen en dat tot een bewezenverklaring van een de verdachte ten laste gelegd feit heeft geleid. Daarbij is onder meer de combinatie van de betrokken personen, het gebezigde taalgebruik in de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken en de modus operandi van betekenis’. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op (a.) de inhoud en het gebezigde taalgebruik in de voor het bewijs gebruikte PGP-berichten, (b.) de combinatie van de bij de verschillende transportlijnen betrokken personen en bedrijven én (c.) de modus operandi die ten aanzien van alle transportlijnen werd gehanteerd, niet anders kan dan dat óók in de niet onderschepte ladingen cocaïne en heroïne waren verstopt. De PGP-berichten (a.) De rechtbank wijst daartoe allereerst op de reeds besproken en in de bewijsbijlage (hoofdstuk 2) opgenomen PGP-berichten, waarin de bij de verschillende transportlijnen betrokken personen in overeenkomstige versluierde taal spraken over het transporteren van cocaïne en heroïne naar Groot-Brittannië. De bij de verschillende transportlijnen betrokken personen en bedrijven (b.) De rechtbank kent daarnaast betekenis toe aan de combinatie van personen en bedrijven die aan alle of aan een aantal van de in deze paragraaf besproken transportlijnen kunnen worden gerelateerd. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de betrokkenheid van: medeverdachte [medeverdachte 1] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat), Rainham (Cigua) en [plaatsnaam] ; medeverdachte [medeverdachte 2] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat), Rainham (Cigua) en [plaatsnaam] ; [E] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek), Manchester (Wheat) en [plaatsnaam] ; [C] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en Manchester (Wheat); [D] bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en [plaatsnaam] ; [J] bij de zaaksdossiers Rainham (Cigua) en [plaatsnaam] ; het bedrijf [bedrijfsnaam 10] Ltd. bij de zaaksdossiers Gravesend (Creek) en Manchester (Wheat); - het bedrijf [bedrijfsnaam 22] Ltd. bij de zaaksdossiers Rainham (Cigua) en [plaatsnaam] ; - het bedrijf [bedrijfsnaam 14] B.V. bij de zaaksdossiers Rainham (Cigua) en [plaatsnaam] . De modus operandi (c.) De rechtbank neemt tot slot in aanmerking dat ten aanzien van alle in deze paragraaf besproken transportlijnen een overeenkomstige modus operandi (manier van werken) werd gehanteerd. Zo waren het altijd auto-onderdelen die via de verschillende transportlijnen naar Groot-Brittannië werden vervoerd. In bijna alle gevallen ging het om een transport van accu’s of acculaders/jumpstarters. De pakketten cocaïne en heroïne die in 2015 en 2016 zijn onderschept, waren verstopt in uitgeholde accu’s en/of acculaders/jumpstarters die van binnen waren bekleed met lood. De pakketten waren vacuüm verpakt en gemarkeerd met stickers. De meeste transporten vonden plaats tussen loodsen in Nederland en Groot-Brittannië. In alle loodsen die zijn doorzocht werden vorkheftrucks, (al dan niet uitgeholde en met lood beklede) accu’s of jumpstarters/acculaders, verpakkingsdozen van accu’s of van jumpstarters/ acculaders, verpakkingsfolie en bonnen van koffers of tassen aangetroffen. Uit de voor het bewijs gebezigde transportbrieven blijkt dat een paar dagen na aankomst van een lading met auto-onderdelen bij een loods in Groot-Brittannië, een overeenkomstige lading met auto-onderdelen vanuit diezelfde loods weer terug naar Nederland werd getransporteerd. De eigenaar van de loods in [plaatsnaam] verklaarde daarover bijvoorbeeld dat hij had gezien dat een bepaalde doos met een scheur erin naar Groot-Brittannië werd getransporteerd en dat diezelfde doos met scheur een week later weer in de loods in [plaatsnaam] stond. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat (letterlijk) dezelfde accu’s of jumpstarters/acculaders – nadat de pakketten met verdovende middelen er in Groot-Brittannië waren uitgehaald – weer terug naar Nederland werden getransporteerd, zodat ze konden worden hergebruikt voor het volgende transport. De rechtbank heeft in het dossier in geen enkel geval een andere, logische en legale verklaring kunnen vinden voor het heen en weer transporteren van auto-onderdelen. Uit niets is bijvoorbeeld gebleken dat de accu’s of acculaders/jumpstaters in Groot-Brittannië werden verkocht. Uit de bewijsmiddelen is wél gebleken dat de verzendende en ontvangende bedrijven in veel gevallen kort voor de start van een reeks transporten waren opgericht of op naam waren gezet en geen inkomsten genereerden, maar wel met contant (gestort) geld voor transporten of daaraan gerelateerde zaken betaalden. Ook werden transporten uitgevoerd tussen bedrijven die op naam stonden van één en dezelfde persoon, onder wie verdachte. [medeverdachte 1] sprak voor de start van een nieuwe transportlijn in PGP-berichten bovendien over het op naam zetten van bedrijven bij de Kamer van Koophandel. Conclusie De rechtbank is op grond van het samenstel van de in deze paragraaf besproken feiten en omstandigheden van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat in nagenoeg alle ladingen (mogelijke proeftransporten daargelaten) die vanuit de loodsen in [plaatsnaam] , [plaatsnaam] en [plaatsnaam] naar de loodsen in Groot-Brittannië werden getransporteerd, cocaïne en heroïne waren verstopt. De rechtbank kan niet vaststellen om welke hoeveelheden harddrugs het precies ging. Gelet op de hoeveelheid onderschepte drugs, het aantal transporten dat is uitgevoerd, de hiervoor genoemde modus operandi, de aantallen die in de PGP-berichten werden genoemd (‘transporten van 100 en 40’) en de periode waarin de transporten hebben plaatsgevonden, stelt de rechtbank vast dat het in totaal om minstens 2500 kilo moet zijn gegaan. Was verdachte medepleger van het onder feit 2 ten laste gelegde? Onder feit 2 is primair ten laste gelegd dat verdachte samen met anderen, als medepleger, grote hoeveelheden cocaïne en heroïne buiten het grondgebied van Nederland naar Groot-Brittannië heeft gebracht en/of heeft verstrekt, afgeleverd, vervoerd en verkocht. Subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte daaraan medeplichtig was. In de maanden april tot en met oktober 2016 vonden dertien drugstransporten plaats vanuit de loods in [plaatsnaam] naar de loodsen in [plaatsnaam] , [wijk] en [plaatsnaam] . Op grond van de onder zaaksdossier Rainham opgenomen bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte betrokken was bij die transporten. Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 primair ten laste gelegde te komen moet die betrokkenheid echter zodanig zijn geweest dat verdachte daarvan in het kader van medeplegen een verwijt kan worden gemaakt. Van medeplegen is sprake indien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt én dat de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van voldoende gewicht was. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 2, omdat verdachte niet als medepleger, maar hooguit als katvanger kan worden aangemerkt. De bedrijven [bedrijfsnaam 14] B.V. en [bedrijfsnaam 15] Ltd. en de huurcontracten van de loodsen in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] stonden op naam van verdachte. Dat verdachte ook daadwerkelijk degene was die namens die bedrijven contact heeft gehad over de transporten met andere bedrijven, personen en/of de Britse douane, kan op grond van de bewijsmiddelen echter niet worden vastgesteld, aldus de raadsman. De rechtbank is het niet eens met de raadsman. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte namelijk wel degelijk een belangrijke rol vervuld bij het uitvoeren van harddrugs vanuit Nederland naar Groot-Brittannië. Zo vonden de dertien drugstransporten tussen de loods in [plaatsnaam] en de loodsen in Rainham, [wijk] en [plaatsnaam] plaats in opdracht van het bedrijf [bedrijfsnaam 14] B.V. Verdachte heeft dit bedrijf op 31 december 2015 voor slechts 1 euro overgenomen en op zijn naam laten zetten. Er is door dit bedrijf in de jaren 2015, 2016 en 2017 geen omzet opgegeven aan de belastingdienst. Het Britse bedrijf [bedrijfsnaam 15] Ltd. is op 25 januari 2016 opgericht. Verdachte was directeur van dit bedrijf en het bedrijf [bedrijfsnaam 14] B.V. had een aandeel in het bedrijf. Niet is gebleken dat het bedrijf [bedrijfsnaam 15] Ltd. ooit accijnzen of belasting heeft afgedragen. In april 2016 vond het eerste transport in opdracht van [bedrijfsnaam 14] B.V. plaats vanuit de loods in [plaatsnaam] naar de loods in [plaatsnaam] . De ontvanger van dit transport was [bedrijfsnaam 15] Ltd. Verdachte had beide loodsen (in [plaatsnaam] én in [plaatsnaam] ) vanaf april 2016 gehuurd. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte over de transporten die in opdracht van [bedrijfsnaam 14] B.V. werden uitgevoerd in persoon, telefonisch (nummer * [telefoonnummer] ) of via het mailadres van [bedrijfsnaam 14] B.V. ( [e-mailadres] ) contact had met verhuurders van loodsen, transportbedrijven en/of douanebeambten. Zo blijkt uit reisgegevens en getuigenverklaringen dat verdachte meermalen naar Groot-Brittannië is gereisd, alwaar hij zich tegenover verhuurders van verschillende loodsen voordeed als vertegenwoordiger van het bedrijf [bedrijfsnaam 15] Ltd, een bedrijf dat, aldus verdachte, auto-accu’s importeerde. Hij gaf hierbij telefoonnummer * [telefoonnummer] en mailadres [e-mailadres] op. Aan één van de verhuurders overhandigde verdachte een paspoort op zijn naam. Bij het aangaan van het huurcontract voor de loods in [plaatsnaam] heeft verdachte de verhuurder verteld dat hij een bedrijf zou starten in automaterialen/onderdelen. Hij heeft daarbij ook een uittreksel KvK van het bedrijf [bedrijfsnaam 14] B.V. overgelegd. De verhuurder kon verdachte bereiken op telefoonnummer * [telefoonnummer] en op mailadres [e-mailadres] . Via het mailadres van [bedrijfsnaam 14] B.V. gaf verdachte transportbedrijven opdracht tot het uitvoeren van (een aantal van) de transporten tussen de loods in [plaatsnaam] en de loodsen in [plaatsnaam] , [wijk] en [plaatsnaam] . Met telefoonnummer * [telefoonnummer] had verdachte contact met – onder meer – een Britse douanebeambte over de lading die op 12 oktober 2016 is gecontroleerd en waarin grote hoeveelheden cocaïne en heroïne zijn aangetroffen. De transportbedrijven en verhuurders van de loodsen werden betaald vanaf de zakelijke rekening van [bedrijfsnaam 14] B.V. Verdachte was de wettelijke vertegenwoordiger van deze rekening. Na het onderschepte transport van 12 oktober 2016 was verdachte niet meer bereikbaar en werd niet langer voor de huur van de loodsen betaald. De raadsman heeft betoogd dat niet verdachte, maar een ánder zijn naam heeft gebruikt bij het verzenden van mails en het plegen van telefoontjes namens [bedrijfsnaam 14] B.V. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden, nu verdachte dit niet zelf heeft verklaard en het procesdossier hiervoor geen enkel aanknopingspunt biedt, terwijl uit datzelfde dossier wel is gebleken dat verdachte meermalen naar Groot-Brittannië is afgereisd om [bedrijfsnaam 14] B.V. en/of [bedrijfsnaam 15] Ltd. te vertegenwoordigen. Ook tegenover de verhuurder van de loods in [plaatsnaam] heeft verdachte zich voorgedaan als de eigenaar van [bedrijfsnaam 14] B.V. en was hij bereikbaar op het telefoonnummer * [telefoonnummer] en het mailadres van [bedrijfsnaam 14] B.V. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het niet anders kan dan dat (a.) verdachte wist dat de transporten die in opdracht van [bedrijfsnaam 14] B.V. werden uitgevoerd, drugstransporten betroffen en (b.) dat verdachte opzettelijk aan de voorbereiding en uitvoering van die transporten heeft meegewerkt. Alle handelingen van verdachte waren er immers op gericht de drugstransporten een ogenschijnlijk legaal karakter te geven. Verdachte heeft daarmee een significante en onmisbare bijdrage geleverd aan de voorbereiding en de gezamenlijke uitvoering van het transporteren van grote hoeveelheden cocaïne en heroïne vanuit Nederland naar Groot-Brittannië. Er is dan ook sprake van de voor het medeplegen noodzakelijke nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met anderen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van al het voorgaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte, samen met anderen, grote hoeveelheden cocaïne en/of heroïne vanuit de loods in [plaatsnaam] naar de loodsen in [plaatsnaam] , [wijk] en [plaatsnaam] heeft getransporteerd. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de hoeveelheden harddrugs die vanuit Nederland naar Groot-Brittannië werden vervoerd, moet het ten aanzien van voormelde dertien transporten om minstens 955 kilo cocaïne en heroïne zijn gegaan. Conclusie De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 31 december 2015 tot en met 13 oktober 2016, samen met anderen, grote hoeveelheden cocaïne en heroïne buiten het grondgebied van Nederland (naar Groot-Brittannië) heeft gebracht en heeft vervoerd. Partiële vrijspraak Zoals in de inleiding van deze paragraaf reeds aangekondigd, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte betrokken was bij de drugstransporten die zijn omschreven in zaaksdossier [plaatsnaam] . Het procesdossier bevat daarvoor simpelweg onvoldoende aanknopingspunten. Dat geldt ook voor de transporten die zijn omschreven in de zaaksdossiers Gravesend en Manchester, die overigens ook hebben plaatsgevonden buiten de aan verdachte ten laste gelegde periode. De rechtbank is van oordeel dat ook niet kan worden bewezen dat verdachte zich in de periode van 14 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 elders of op andere wijze heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van die gedeeltes van de ten laste gelegde periode. 4.3.2.3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor feit 1 Onder feit 1 (deel
- a)is ten laste gelegd dat verdachte in de periode van 31 december 2015 tot en met 31 december 2016 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en misdrijven als (het voorbereiden van) moord of doodslag, het voorhanden hebben van wapens en munitie en het witwassen van geld uit de drugshandel. De raadsman heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd en hij heeft daartoe – met name – bewijsverweren gevoerd. Een aantal verweren is al aan de orde gekomen in de vorige paragraaf. Andere bewijsverweren worden, voor zover van belang voor de beoordeling, in deze paragraaf besproken. De rechtbank overweegt het volgende. Juridisch kader Deelname aan een criminele organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en in artikel 11b van de Opiumwet. Een organisatie in de zin van voormelde artikelen is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet vereist is dat verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle deelnemers aan de organisatie. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd. Dat betekent dat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Om van deelneming te kunnen spreken is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoorde en dat hij een aandeel had in – of ondersteuning gaf aan – gedragingen die strekten tot óf rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verdachte moet dus opzettelijk hebben deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Dat betekent dat hij in zijn algemeenheid moet hebben geweten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogde. Niet vereist is dat het opzet van verdachte zelf was gericht op het plegen van misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven. Voor een bewezenverklaring is evenmin vereist dat verdachte heeft geweten van alle soorten misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht. Beoordeling van het ten laste gelegde Organisatie Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, worden vastgesteld dat verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] deel uitmaakten van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur. Uit de duur en inhoud van de contacten van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met elkaar en met anderen, onder wie verdachte, over de organisatie en werkzaamheden met betrekking tot de drugstransporten naar Groot-Brittannië, leidt de rechtbank af dat sprake was van een duurzaam samenwerkingsverband. Dat dit samenwerkingsverband naast duurzaamheid ook een zekere structuur kende, blijkt onder meer uit de georganiseerde manier waarop transportlijnen werden opgezet en uit de onderlinge rolverdeling. Zo werden voor de start van een transportlijn bedrijven op naam van (in sommige gevallen) katvangers gezet en werden loodsen gehuurd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] het binnen het samenwerkingsverband voor het zeggen had. [medeverdachte 1] gaf anderen, waaronder medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , opdrachten en bepaalde hoeveel zij voor hun werkzaamheden betaald kregen. [medeverdachte 2] had een coördinerende en uitvoerende rol met betrekking tot de drugstransporten en verdachte, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hadden uitvoerende en facilitaire rollen binnen de organisatie. Het oogmerk van de organisatie De rechtbank acht – anders dan door de officier van justitie en de raadsman betoogd – wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie was gericht op zowel het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet als op het plegen van andere misdrijven, waaronder het voorhanden hebben van wapens en munitie, moord, opzetheling en het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld. De rechtbank overweegt het volgende. Het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en de wet Wapens en Munitie Uit de bewijsmiddelen en voorgaande overwegingen blijkt dat het onder 1 bewezen verklaarde feit is gepleegd in georganiseerd verband. Dat het oogmerk van de organisatie was gericht op het plegen van delicten als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden afgeleid uit wat reeds in paragraaf 4.3.2.2 is overwogen. Uit het in die paragraaf overwogene blijkt ook dat de drugstransporten van de organisatie plaatsvonden in de periode van 1 januari 2014 (zaaksdossier Gravesend) tot en met 12 oktober 2016 (zaaksdossier Rainham). Hoewel het procesdossier onvoldoende bewijs bevat voor concrete drugstransporten ná 12 oktober 2016, kan naar het oordeel van de rechtbank zonder meer worden geconcludeerd dat het oogmerk van de organisatie ook ná die datum nog was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Zo is op 8 oktober 2018 in de Renault Kangoo waarvan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gebruikmaakten een soortgelijke jumpstarter aangetroffen als de jumpstarters waarin de verdovende middelen in 2015 in Groot-Brittannië waren verstopt (zaaksdossier Manchester/Wheat). Diezelfde dag werden in de (gestolen) Volkswagen Transporter van [medeverdachte 1] kartonnen dozen aangetroffen die vergelijkbaar waren met de dozen die in 2015 in Groot-Brittannië zijn onderschept. De rechtbank wijst daarnaast op het volgende. Uit verschillende in de bewijsbijlage opgenomen PGP-berichten uit 2015 en 2016 blijkt dat [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en anderen niet alleen sprak over het transporteren van drugs, maar ook over wapens. Een soortgelijk wapen als waar [medeverdachte 1] over sprak, een machinegeweer, is in november 2018 aangetroffen in een garagebox aan de [adres] in [plaatsnaam] . [medeverdachte 1] had dit wapen naar het oordeel van de rechtbank voorhanden. [medeverdachte 1] had, samen met [medeverdachte 2] , ook een aanzienlijk aantal vuurwapens, handgranaten en munitie voorhanden in een garagebox aan de [adres] in [plaatsnaam] . Deze zijn aangetroffen tijdens een doorzoeking op 8 oktober 2018. In de loods van medeverdachte [medeverdachte 3] in [plaatsnaam] zijn ook wapens en munitie aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan voormelde wapenvoorraad van de organisatie in direct verband worden gebracht met de georganiseerde handel in drugs(transporten). Het is een feit van algemene bekendheid dat de grootschalige, internationale handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met geweld en levensdelicten, uitgevoerd met wapens zoals aangetroffen in de genoemde garageboxen en loods. Daar komt nog bij uit de verschillende bewijsmiddelen (waaronder het vergelijkend sporenonderzoek) blijkt dat een groot deel van de wapens, handgranaten en munitie in de garagebox aan de [adres] en de loods in [plaatsnaam] vacuüm was verpakt met vacuummachines uit de loods van [medeverdachte 1] in [plaatsnaam] . Zoals onder feit 2 is overwogen, werden ook de te transporteren drugs op een dergelijke manier verpakt. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat het oogmerk van de organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot 8 oktober 2018 was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het oogmerk van de organisatie in diezelfde periode – in het kader van de internationale handel in drugs – óók was gericht op het voorhanden hebben van wapens en munitie. Het voorbereiden en/of plegen van moord en/of doodslag Uit PGP-berichten van [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat hij met [medeverdachte 2] en anderen sprak over het doden van concurrenten en/of mensen die hun (betalings)verplichtingen niet nakwamen. Zo stuurde hij in de periode van oktober 2015 tot en met mei 2016, de periode waarin de organisatie zich bezighield met de grootschalige, internationale handel in drugs – onder meer de volgende berichten aan anderen: ‘Ja ze hebbe hem allemaal late zitte en nog probere te neuke die kk zwager zoiezo die kk pet ook wie daarvandaan komt maar let op wat ik ga doen ik moet eve me kop erbij houde en me zaakjes op droge zette dan gaat er oorlog plaats vinde bij ons ik leg ze allemaal plat in een maand tijd ga alles in kaart brenge en dan achter elkaar boem boem afgelopen met ze! (…)’ ‘(…) heb idee dat [.] gewoon vanaf begin liever niet wilt opnaam hebben! Maar luister dan heeft die mij aan lijntje gehouide en heeft die een probleem! (…) Maar ik garandeer je bro als die me laat stikke ik hem opknap! En je weet ik dreig niet bro ik doe het!’ ‘Ja dat weet ik al een tijdje en papa was town direct erheen gegaan en had hem de kans gegeven of in een kogel regen te sterve of betale toen had ik met 2dagen me geld vriend.’ Verder voerde [medeverdachte 1] op 17 april 2016, de dag waarop [slachtoffer 2] in [plaatsnaam] is geliquideerd, kort na die liquidatie de volgende gesprekken: Onbekende: ‘Alles goed tijger? Hoorde knalpartij in [plaatsnaam] . Geen bekenden toch?’ [medeverdachte 1] : ‘Weet al wie het is ouw haha niet van ons.’ [L] : Wat is er [plaatsnaam] gebeurt sir? [medeverdachte 1] : Ja ik weet niet heli cirkelt hele tijd maar nog niks over gehoort 1tje gewond AT is er ook! Wij zijn het niet hahahah en u ook niet anders vraagt u niet hahah. Dat in voorgaande berichten daadwerkelijk en serieus werd gesproken over het vermoorden (liquideren) van mensen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de organisatie waaraan [medeverdachte 1] leidinggaf gebruik maakte van garageboxen waarin (a.) gestolen (snelle) auto’s met gestolen kentekenplaten stonden die bij het plegen van strafbare feiten niet meteen te traceren waren, en (b.) een aanzienlijke voorraad vuurwapens, munitie en handgranaten is aangetroffen. Daarnaast kan uit PGP-berichten van [medeverdachte 1] worden afgeleid dat de organisatie gebruik maakte van trackers waarmee auto’s van anderen konden worden gevolgd. De combinatie van de PGP-berichten van [medeverdachte 1] , zijn rol in de organisatie en de in de garageboxen aangetroffen voorraad wapens, munitie, handgranaten en auto (BMW), brengt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de organisatie het oogmerk had om vanuit garageboxen liquidaties te (kunnen) plegen. De rechtbank merkt in dit verband nogmaals op dat een feit van algemene bekendheid is dat de internationale, grootschalige handel in harddrugs doorgaans gepaard gaat met geweld en liquidaties, uitgevoerd met wapens zoals aangetroffen in dit onderzoek. Het ten laste gelegde oogmerk op het voorbereiden van liquidaties komt de rechtbank onlogisch voor. Voorbereiding (artikel 46 Sr) komt na artikel 45 Sr (poging) en is in het leven geroepen om niet gerealiseerde misdrijven, die om andere redenen dan een vrijwillige terugtred, nog niet tot een begin van een uitvoering zijn gekomen, toch strafbaar te kunnen stellen. Het is moeilijk voorstelbaar dat het oogmerk van een criminele organisatie is gericht op onvoltooide misdrijven. Opzetheling In de garagebox aan de [adres] in [plaatsnaam] is – zoals hiervoor al kort aangestipt – ook een gestolen auto (BMW) aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte 2] deze auto – in het kader van zijn werkzaamheden voor de organisatie – heeft geheeld. Op die auto zaten gestolen kentekenplaten en op een kluis in de garagebox lagen nog meer gestolen kentekenplaten. Bij de loods in [plaatsnaam] is een gestolen auto (Volkswagen Transporter) aangetroffen waarvan [medeverdachte 1] gebruikmaakte en die naar het oordeel van de rechtbank door [medeverdachte 1] is geheeld. Op die auto zaten kentekenplaten die jaren geleden zijn gestolen. De kentekenplaten op de gestolen auto in de garagebox in [plaatsnaam] bleken van diezelfde diefstal afkomstig. Verder zijn in de woning van [medeverdachte 2] ook gestolen kentekenplaten aangetroffen. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande, in onderling verband bezien met de misdrijven die door de organisatie werden beoogd en zijn gepleegd, dat het oogmerk van de organisatie ook was gericht op het (opzettelijk) helen van auto’s en kentekenplaten. Het witwassen van het met de handel in drugs verdiende geld Uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat de criminele organisatie geld (‘pap’) verdiende met de internationale handel in drugs. Zo werd in PGP-berichten veelvuldig gesproken over de prijzen van de in opdracht van [medeverdachte 1] georganiseerde transporten en de prijzen van de te transporteren (en in Groot-Brittannië te verkopen) harddrugs zelf. Dat met de handel aanzienlijke geldbedragen werden verdiend, kan onder meer worden afgeleid uit een gesprek van [medeverdachte 1] met een vast contact van hem en [medeverdachte 2] in april 2016. [medeverdachte 1] besprak met diegene wat ze overhielden na aftrek van de kosten van het drugstransport, waarop [medeverdachte 1] schreef: ‘Ik doe het nog voor de kids, voor mezelf ben ik al lang klaar’. Typerend zijn ook de in de bewijsbijlage opgenomen gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] in 2015 waarin onder meer het volgende werd gezegd: ‘ [medeverdachte 1] : (…) als klant ok vind is het goed haha ik hoef het gelukkig niet op te snuive die kk zooi. [slachtoffer 1] : Klopt klant is koning nee weg met die rotzooi is om centen te maken niet om junk te worden (…) en [slachtoffer 1] : Ik heb 3000 euro gezegd voor tp (…) is 16000 met zn 2 en lekker verdient toch? [medeverdachte 1] : (…) Kijk bro we verdiene (…) aan transport.’ Om in de onderhavige zaak tot een bewezenverklaring van voormeld oogmerk te komen, is ingevolge artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr niet alleen vereist dat het wit te wassen geld afkomstig was uit eigen misdrijf, maar ook dat de criminele organisatie beoogde dat geld te verwerven, gebruiken, voorhanden te hebben of om te zetten. Met het omzetten van het geld wordt het wisselen van geld met een andere geldswaarde of met handelsartikelen bedoeld. Van gebruikmaken in de zin van artikel 420bis, eerste lid, onder b Sr is sprake als het geld wordt aangewend ten behoeve van de witwasser zelf of van derden. Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de criminele organisatie het met de handel in harddrugs verdiende geld heeft omgezet en gebruikt. Zo werden op de bankrekeningen van de bedrijven [bedrijfsnaam 14] B.V. en [bedrijfsnaam 18] B.V. – bedrijven die door de criminele organisatie werden gebruikt voor het uitvoeren van een aantal van de onder 2 bewezen verklaarde drugstransporten – aanzienlijke contante geldbedragen gestort. Daarnaast ontving medeverdachte [medeverdachte 4] tijdens zijn verblijf in Groot-Brittannië met regelmaat contante geldbedragen ten behoeve van zijn werkzaamheden voor de organisatie. Nu de rechtbank in het dossier geen enkele logische en legale verklaring heeft kunnen vinden voor de herkomst van deze contante geldbedragen en hierover in het geheel geen verklaringen zijn afgelegd door verdachte en zijn medeverdachten, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat deze bedragen afkomstig zijn van de handel in drugs. De criminele organisatie heeft deze contante geldbedragen witgewassen door ze op de rekeningen van voormelde bedrijven te storten en vervolgens – ten behoeve van de organisatie zelf – te gebruiken voor het (giraal) betalen van (a.) de huur van de loodsen in Nederland en Groot-Brittannië, (b.) rekeningen van transportbedrijven en (c.) rekeningen van een [webwinkel] en een bedrijf in Polen dat handelt in accu’s en batterijen. Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft de door hem ontvangen contante geldbedragen witgewassen door er bijvoorbeeld zijn verblijf in het Britse hostel van te betalen. [medeverdachte 4] verbleef in dat hostel in het kader van zijn werkzaamheden voor de criminele organisatie. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie óók was gericht op het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld (als bedoeld in artikel 420bis Sr). Over het in de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] aangetroffen geldbedrag overweegt de rechtbank het volgende. Zoals hierna nog zal blijken, is de rechtbank van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan de criminele organisatie die was gericht op – onder meer – het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat onder hem een contant geldbedrag van € 100.000,- in beslag is genomen. Dit geldbedrag is aangetroffen in een tas, die weer in een Albert Heijn tas zat. Deze Albert Heijn tas zat weer in een koffer, die op de zolder van de woning van [medeverdachte 3] lag. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat het verstopte geld inkomsten uit zijn motorzaak betrof. De rechtbank acht die verklaring niet geloofwaardig, nu deze op geen enkele manier met stukken is onderbouwd en dus niet kan worden geverifieerd. Daarbij komt dat het geldbedrag was geseald met de vacuümmachine die is aangetroffen in de al meerdere keren genoemde loods van [medeverdachte 1] in [plaatsnaam] , terwijl [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij voor het sealen de vacuümmachine uit zijn eigen loods in [plaatsnaam] heeft gebruikt. De vacuümmachine uit de loods in [plaatsnaam] is echter gebruikt voor het sealen van een aantal naar Groot-Brittannië getransporteerde pakketten heroïne en cocaïne. Gelet op het voorgaande en de betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij zowel de criminele organisatie als het onder feit 2 ten laste gelegde, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat het in de woning van [medeverdachte 3] aangetroffen geldbedrag ook afkomstig is van de handel in drugs. Het enkele verstoppen van dit geldbedrag door [medeverdachte 3] op zijn zolder levert nog geen witwassen op in de zin van artikel 420bis Sr, maar voor een bewezenverklaring van het oogmerk van de criminele organisatie is voldoende dat het witwassen van dat geldbedrag door de organisatie werd beoogd. Dat dit laatste het geval is, acht de rechtbank bewezen omdat de organisatie de transporten (deels) financierde met contant geld dat – zoals mag worden aangenomen – afkomstig was uit de opbrengsten van eerdere transporten. Tussenconclusie over het oogmerk van de organisatie Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk van de organisatie in de periode van 1 januari 2014 tot 8 oktober 2018 was gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet én op het plegen van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie, opzetheling en witwassen. De rol van verdachte Uit de bewijsmiddelen vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat verdachte gedurende een deel van de hierboven genoemde periode, namelijk van 31 december 2015 tot en met 13 oktober 2016, samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en één of meer anderen opzettelijk heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en het plegen van misdrijven als moord, opzetheling, witwassen en het voorhanden hebben van wapens en munitie. Dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte met alle hiervoor genoemde personen contact heeft gehad doet daar niet aan af, nu voor een bewezenverklaring niet is vereist dat verdachte met alle deelnemers aan de organisatie heeft samengewerkt. Zowel verdachte als zijn medeverdachten hebben een aandeel gehad in gedragingen die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het aandeel van verdachte bestond uit de werkzaamheden die hij ten behoeve van de in 2016 uitgevoerde drugstransporten heeft verricht. Uit wat daarover eerder al is overwogen, blijkt zonder meer dat verdachte er – meer dan in algemene zin – van op de hoogte was dat de organisatie was gericht op het plegen van misdrijven (waaronder het vervoer van verdovende middelen). Dat verdachte niet bij alle misdrijven van de organisatie betrokken was en – wellicht – niet wist welke (soort) misdrijven verder allemaal onder het oogmerk van de organisatie vielen, maakt het vorenstaande niet anders. Het gaat er immers níet om dat het opzet van verdachte zelf was gericht op het plegen van misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie gepleegde) misdrijven, maar of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat hij opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven als oogmerk had. Conclusie Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 31 december 2015 tot en met 13 oktober 2016 met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en één of meer anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en het plegen van moorden, het voorhanden hebben van wapens en munitie en het witwassen van geld dat afkomstig was uit de handel in drugs. Partiële vrijspraak De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte met medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] heeft deelgenomen aan de organisatie. Het procesdossier bevat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank acht om diezelfde reden niet bewezen dat de organisatie was gericht op het transporteren van softdrugs. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van deze onderdelen van het onder feit 1 ten laste gelegde. Dat geldt ook voor de onder feit 1 ten laste gelegde periode van 14 oktober 2016 tot en met 31 december 2016, nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte in die periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1. in de periode van 31 december 2015 tot en met 13 oktober 2016 te [plaatsnaam] en elders in Nederland en in Groot-Brittannië, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en in de periode van 31 december 2015 tot en met 13 oktober 2016 te [plaatsnaam] en elders in Nederland en in Groot-Brittannië heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven beroven en het voorhanden hebben van wapens en van munitie van de categorieën II en III en het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig van de handel in drugs zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht; 2. in de periode van 31 december 2015 tot en met 13 oktober 2016 in Nederland en in Groot-Brittannië, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland – te weten naar Groot-Brittannië – heeft gebracht en heeft vervoerd, telkens grote hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne middelen vermeld op de bij die wet behorende lijst 1. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: 1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. 2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 6 jaren met aftrek van het voorarrest. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank – indien zij tot een bewezenverklaring komt – verzocht om verdachte een substantieel lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd. De raadsman heeft daartoe gewezen op het beperkte aandeel van verdachte in het bewezen verklaarde, zijn (blanco) strafblad en zijn persoonlijke omstandigheden. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De ernst van de bewezen verklaarde feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Hij heeft gedurende ruim 9 maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die was gericht op – onder meer – de grootschalige, internationale handel in harddrugs. Verdachte heeft, samen met anderen, een hoeveelheid van minstens 955 kilo cocaïne en heroïne vanuit Nederland naar Groot-Brittannië getransporteerd. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor zowel de problemen van kwetsbare verslaafden als de overlast en gevoelens van onveiligheid die gepaard gaan met de grootschalige handel in harddrugs. Het is algemeen bekend dat cocaïne en heroïne sterk verslavend zijn en schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Verslaafde gebruikers plegen bovendien vaak vermogensfeiten om hun drugsgebruik te kunnen bekostigen, met alle schadelijke gevolgen voor de samenleving van dien. Daar komt bij dat achter de grootschalige, internationale handel in harddrugs een wereld van georganiseerde criminaliteit schuilgaat die steeds meer wordt gekenmerkt door ondermijning, intimidatie en geweld. Met name dit laatste baart de rechtbank ernstige zorgen en de rechtbank neemt het verdachte dan ook bijzonder kwalijk dat hij onderdeel uitmaakte van die wereld. De organisatie waaraan verdachte deelnam was namelijk niet alleen gericht op de grootschalige, internationale handel in drugs, maar ook op het plegen van liquidaties, het witwassen van het met de drugshandel verdiende geld, het helen van auto’s en het voorhanden hebben van wapens en munitie. In verschillende garageboxen die door leden van de criminele organisatie werden gebruikt, zijn vuurwapens, handgranaten en munitie, alsmede geheelde auto’s en kentekenplaten aangetroffen. Het behoeft geen betoog dat de organisatie met het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen in het leven heeft geroepen. Hoewel in deze zaak geen geweldsfeiten bewezen zijn verklaard, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de wapenvoorraad en geheelde auto’s en kentekenplaten die in de garageboxen zijn aangetroffen, direct verband hielden met de grootschalige handel in drugs en het daarmee gepaard gaande oogmerk op het plegen van liquidaties. Het witwassen van geld dat afkomstig is van de handel in drugs vormt daarnaast een ernstige bedreiging voor de legale economie. Met dat witgewassen geld wordt bovendien vaak ander strafbaar handelen gefaciliteerd. Het in georganiseerd verband plegen van de hiervoor omschreven misdrijven werkt zeer ontwrichtend voor de samenleving. Verdachte heeft zich hier – kennelijk – niet om bekommerd. De rechtbank rekent verdachte dit aan. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de rol die verdachte binnen de organisatie heeft vervuld en de periode waarin hij dat heeft gedaan. Verdachte heeft met zijn werkzaamheden voor de organisatie een onmisbare bijdrage geleverd aan de drugstransporten die plaatsvonden tussen Nederland en Groot-Brittannië. Alle werkzaamheden van verdachte waren er immers op gericht de drugstransporten een ogenschijnlijk legaal karakter te geven. In die zin vervulde verdachte dan ook een belangrijke rol binnen de criminele organisatie. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte echter wel rekening houden met het feit dat verdachte deze rol gedurende een beperkte periode heeft vervuld. De persoonlijke omstandigheden van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 4 november 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in het voordeel van verdachte rekening mee te houden. Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten ziet de rechtbank evenmin aanleiding om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De strafoplegging De rechtbank is op grond van de hiervoor besproken ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte van oordeel dat aan verdachte een langdurige, onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechtbank acht het vanuit het oogpunt van zowel speciale als generale preventie bovendien van groot belang dat in de strafoplegging tot uiting komt dat misdrijven als de onderhavige op de lange termijn niet lonen en dat op het plegen daarvan een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt. Om te bevorderden dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn binnen de rechtspraak oriëntatiepunten voor de straftoemeting ontwikkeld. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf rekening met die oriëntatiepunten. Voor het – in georganiseerd verband – uitvoeren van meer dan 20 kilo harddrugs geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van tenminste zes jaren. Verdachte heeft samen met anderen minstens 955 kilo harddrugs, uitgevoerd. Voor het deelnemen aan een criminele organisatie zijn geen oriëntatiepunten ontwikkeld. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een hogere gevangenisstraf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat zij niet alleen bewezen acht dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in de Opiumwet, maar ook – anders dan de officier van justitie – aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr. Daarnaast heeft verdachte een groter aantal kilo’s harddrugs uitgevoerd dan door de officier van justitie genoemd. Conclusie De rechtbank vindt het – alles afwegende – passend om verdachte voor de bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Voorlopige hechtenis Verdachte is na zijn aanhouding in verzekering gesteld. Hij heeft – anders dan zijn medeverdachten – niet in voorlopige hechtenis gezeten. Verdachte wordt bij dit vonnis echter veroordeeld tot een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor zijn deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van het uitvoeren van grote hoeveelheden harddrugs. De veroordeling betreft feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en waarvoor aldus ernstige bezwaren bestaan. Verder is sprake van een veroordeling voor een feit – de (georganiseerde) uitvoer van grote hoeveelheden harddrugs – waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. De rechtbank is in de strafmotivernig al uitgebreid ingegaan op de ernst van het onder feit 2 bewezen verklaarde en de gevolgen daarvan voor de samenleving. De rechtbank onderkent het belang van verdachte bij het afwachten van een eventueel hoger beroep in zijn zaak in vrijheid. Bij afweging van dit belang van verdachte tegen de belangen van de samenleving bij rechtshandhaving wegen de belangen van de samenleving echter zwaarder. Deze belangen rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een bevel tot gevangenneming. De rechtbank zal daarom de gevangenneming van verdachte bevelen voor het onder feit 2 ten laste gelegde. 9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 10BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaren; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Voorlopige hechtenis - beveelt de gevangenneming van verdachte. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman voorzitter, mrs. E.H.M. Druijf en E.J.W. Verhaagh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 maart 2021. De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE 1: DE TENLASTELEGGING Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 31 december 2015 tot en met 31 december 2016 te Ochten en/of Gendringen en/of elders in Nederland en/of in Groot-Brittannië, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet; artikel 11a(oud)/l11b Opiumwet en artikel 140 lid 3 Wetboek van Strafrecht en/of hij in of omstreeks de periode van 31 december 2015 tot en met 31 december 2016 te Ochten en/of Gendringen en/of elders in Nederland en/of in Groot-Brittannië, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, te weten (onder meer) - het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven (zoals bedoeld in de artikelen 287 en 289 Wetboek van Strafrecht) en/of de voorbereiding daarvan (zoals bedoeld in artikel 46 Wetboek van Strafrecht) door het opzettelijk voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of ruimten en/of vervoermiddelen, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, verwerven en/of vervaardigen en/of voorhanden te hebben en/of - het voorhanden hebben van één of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 Wet Wapens en Munitie) en/of - het witwassen van vermogensbestanddelen afkomstig van de handel in drugs (zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht); artikel 140 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht art 10 lid 5 Opiumwet art 2 ahf/ond A Opiumwet 2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 december 2015 tot en met 31 december 2016 in Nederland en/of in Groot-Brittannië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland – te weten naar Groot-Brittannië – heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) één of meerdere grote hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne zijnde (een) middel(
- en)vermeld op de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 10 lid 5 Opiumwet subsidiair [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] of een of meer anderen op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland - te weten naar Groot-Brittannië — heeft/hebben gebracht en/of heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (telkens) één of meerdere grote hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne zijnde (een) middel(
- en)vermeld op de bij die wet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(
- e)misdrijf/misdrijven verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 december 2015 tot en met 31 december 2016 te Ochten en/of Veenendaal en/of Gendringen en/of Rainham , in elk geval in Nederland en/of in Groot-Brittannië, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door - bedrijven op zijn naam te (laten) zetten ten behoeve van transport naar Groot-Brittannië en/of - bedrijfsruimten in Nederland en Groot-Brittannië ter beschikking te stellen en/of - betalingen (waaronder huur) te verrichten en/of - contact te onderhouden met transportbedrijven en/of de ambtenaren van de douane en/of - logistieke ondersteuning te verrichten. art 2 ahf/ond A Opiumwet art 2 ahf/ond B Opiumwet art 2 ahf/ond C Opiumwet art 48 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 48 lid 2 Wetboek van Strafrecht art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 10 lid 4 Opiumwet BIJLAGE 2: DE BEWIJSMIDDELEN 1De bijnamen en e-mailadressen van verdachten in het onderzoek 09Napoles 1.1 E-mailadres [e-mailadres] Een getuigenverklaring van [getuige 20] , Engels opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 29 juni 2016 werd een bestelbus staande gehouden in Camberley (de rechtbank begrijpt: in Surrey, Engeland). De bestelbus had een volledig lekke linkerband. De bestuurder was [medeverdachte 4] ( [1986] ). De auto werd doorzocht en er werd – onder meer – een tas met daarin een BlackBerry mobiele telefoon in beslag genomen. Het tijdstip van aanhouding van [medeverdachte 4] was 00.30 uur. Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] door de Engelse politie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [medeverdachte 4] : Ik was vandaag (29 juni 2016) onderweg van [plaatsnaam] naar Londen. Verbalisant: Er zijn wat spullen in de auto aangetroffen, waaronder een tas met een BlackBerry telefoon. Is dit van u? [medeverdachte 4] : Dat is van mij. Een proces-verbaal van identificatie [e-mailadres] (documentcode 20180911. 1358), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven Op 29 juni 2016 werd [medeverdachte 4] door de politie te Surrey (Engeland) gecontroleerd in een auto. In genoemde auto werd een tas aangetroffen met daarin een BlackBerry telefoon. Dit toestel bleek een PGP toestel te zijn. Aan de BlackBerry was het e-mailadres [e-mailadres] gekoppeld. Uit berichten in de BlackBerry telefoon blijkt dat er op 28 juni 2016 om 22.36 uur met e-mailadres [e-mailadres] het volgende bericht is verzonden naar een onbekend ander e-mailadres: ‘Ja net klapband gehad bij Londen’. In de BlackBerry was te zien dat – onder meer – de volgende contacten in de telefoon waren opgeslagen: - [e-mailadres] onder de naam ‘ [bijnaam] ’ - [e-mailadres] onder de naam ‘ [bijnaam] ’. Een proces-verbaal van bevindingen aanvulling identificatie [e-mailadres] (documentcode 20181012.1012), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven Uit berichten uit de nalevering uit de PGPsafe-server blijkt dat er met het e-mailadres [e-mailadres] in april 2016 de volgende berichten zijn gestuurd: (…) [medeverdachte 4] heet ik! E-mail per direct verzenden naar [e-mailadres] . [medeverdachte 4] . [1986] . De persoonsgegevens in de berichten komen nagenoeg volledig overeen met de persoonsgegevens van [medeverdachte 4] . Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20180919.0751), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Uit berichten uit de PGPsafe-server blijkt dat tegencontacten de bijnaam ‘ [bijnaam] ’ hebben gekoppeld aan-mailadres [e-mailadres] . Bewijsoverweging ten aanzien van e-mailadres [e-mailadres] Op grond van voormelde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien met de hierna volgende bewijsmiddelen onder paragraaf 2.3 (over het onderzoek Cigua, Rainham), stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 4] in – tenminste – de periode van 9 april 2016 tot en met 29 juni 2016 gebruik heeft gemaakt van PGP e-mailadres [e-mailadres] . Zijn bijnaam was ‘ [bijnaam] ’. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank bij het weergeven van e-mailberichten in plaats van voormeld e-mailadres de naam van [medeverdachte 4] vermelden. 1.2 E-mailadres [e-mailadres] Een rapportage van de politie Eenheid Midden-Nederland (documentcode 181113.1200), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In de beschikbare PGP-data is onderzoek gedaan naar e-mailadres [e-mailadres] . Dit e-mailadres heeft de volgende bijnamen gekregen van tegencontacten: ‘ [plaatsnaam] ’ en ‘ [bijnaam] ’. [medeverdachte 3] is woonachtig in [plaatsnaam] en is eigenaar van het bedrijf [bedrijfsnaam 3] . Naast de bijnaam ‘ [bijnaam] ’ kan ook uit de inhoud van de gesprekken worden opgemaakt dat de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres] eigenaar is van een motorzaak. Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20190725.1008), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Onderstaande berichten zijn afkomstig uit de Ennetcom-server. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] stuurt op 17 juni 2015 het volgende bericht: ‘Ik vertrek maandag naar alicante dan heb ik ook meteen pap daar’. De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] stuurt op 19 november 2015 het volgende bericht: ‘Rustig net terug uit milaan motor beurs’. Bij berichten tussen de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] en een onbekende gebruiker wordt als ontvanger de naam ‘ [medeverdachte 3] ’ voorafgegaan aan het PGP-emailadres [e-mailadres] . Uit onderzoek is gebleken dat het PGP e-mailadres [e-mailadres] door verschillende tegencontacten is opgeslagen onder – onder meer – de namen: [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [medeverdachte 3] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [plaatsnaam] [medeverdachte 3] , [plaatsnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] . Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 190304.1102), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In dit onderzoek zijn reisgegevens opgevraagd bij ‘ [reisbureau] ’. Daaruit blijkt dat [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 22 juni 2015 van Amsterdam naar Alicante is gevlogen en dat hij met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 16 november 2015 van Amsterdam naar Milaan gevlogen. Een proces-verbaal (documentcode 20190416), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Tijdens de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 3] op 8 oktober 2018 werd een mobiele telefoon in beslag genomen. In deze telefoon bleek – onder meer – het volgende contact te zijn opgeslagen: ‘ [bijnaam] ’ met telefoonnummer [telefoonnummer] (* [telefoonnummer] ). Tijdens onderzoek 09Napoles werd vastgesteld dat het telefoonnummer * [telefoonnummer] in gebruik was bij [medeverdachte 1] en dat ‘ [bijnaam] ’ een bijnaam is van [medeverdachte 1] . Uit gegevens in de Ennetcom-server blijkt het volgende: Het PGP-emailadres [e-mailadres] heeft de volgende PGP e-mailadressen opgeslagen: PGP e-mailadres Naam Opgeslagen op [e-mailadres] [bijnaam] 22-09-2015 [e-mailadres] [bijnaam] 09-11-2015 [e-mailadres] [bijnaam] 29-05-2015 Bewijsoverweging ten aanzien van e-mailadres [e-mailadres] Op grond van voormelde bewijsmiddelen, beoordeeld in het licht van de hierna opgenomen bewijsmiddelen, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 3] in – tenminste – de periode van 23 januari 2015 tot en met 26 januari 2016 de gebruiker was van e-mailadres [e-mailadres] . Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank bij het weergeven van e-mailberichten in plaats van voormeld e-mailadres de naam van [medeverdachte 3] vermelden. 1.3 E-mailadressen [e-mailadres] , [e-mailadres] en [e-mailadres] Een proces-verbaal identificatie [e-mailadres] (documentcode 20181012.0949), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Onderstaande berichten zijn afkomstig uit de PGPsafe-server. Gesprek tussen de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres] en de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres] op 15 april 2016: [bijnaam] : Eve voor bezoek welke gegevens heb je nodig van me? Dan stuur ik je ze. [.] : Ik heb nodig naam, geb dat, adres van inschrijving (…) [bijnaam] : [medeverdachte 1] ! [1983] [adres] [plaatsnaam] Geb plaats [plaatsnaam] . Zo nou geef ik wel heel veel vertrouwelijke info vrij haha. Deze persoonsgegevens komen volledig overeen met de persoonsgegevens van verdachte [medeverdachte 1] . Een bericht van de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres] aan [e-mailadres] op 13 april 2016: [bijnaam] : He vraagje woude jullie nou ook met kerst en oud en nieuw naar curacao? Ik wil gaan boeke alvast anders geen plek meer. Op 10 november 2015 stuurt de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres] het volgende bericht aan de gebruiker van [e-mailadres] : [.] : Heb we’ll zin in dubai broer. Moet we’ll een beetje formula 1 kijken voor we gaan ofniet? Heb helemaal geen verstand van die sport broer! Haha maar vind we’ll gezellig. Op 27 november tot en met 29 november 2015 vond de Formule 1 Grand Prix van Abu Dhabi plaats. Uit financieel onderzoek is gebleken dat er een creditcard op naam van [medeverdachte 1] op 23 november 2015 is gebruikt bij een hotel in Dubai en op 26 november 2015bij een luxe hotel in Abu Dhabi, dat zich op het Formule 1 circuit van Abu Dhabi bevindt. Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 190220.1547), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In dit onderzoek zijn reisgegevens opgevraagd bij [reisbureau] van [medeverdachte 1] ( [1983] ). Uit die gegevens blijkt dat [medeverdachte 1] op 23 december 2016 met zijn gezin van Amsterdam naar Curaçao is gevlogen en op 8 januari 2017 van Curaçao naar Amsterdam. Op 23 november 2015 is [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] naar Dubai gevlogen en op 1 december 2015 zijn ze weer teruggevlogen. Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20190628.1428), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Uit gegevens, afkomstig uit Ennetcom-data, blijkt dat het e-mailadres [e-mailadres] door tegencontacten is opgeslagen onder de volgende namen: [bijnaam] , [bijnaam]
(9x), [bijnaam]
(2x), [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [U] , [bijnaam] , [bijnaam]
(2x), [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam]
(3x), [T] , [T] . Een proces-verbaal van identificatie [e-mailadres] (documentcode 20180911.1312), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Uit informatie uit de Ennetcom-server en de PGPsafe-server blijkt dat afzonderlijke tegencontacten van het e-mailadres [e-mailadres] dit e-mailadres onder de volgende namen hadden opgeslagen: [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [U] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] . De bijnaam ‘ [bijnaam] ’ betreft zeer vermoedelijk de bijnaam van [medeverdachte 1] . De bijnamen ‘ [bijnaam] ’ en ‘ [bijnaam] ’ duiden mogelijk op ‘ [medeverdachte 1] [bijnaam] ’ en ‘ [bijnaam] ’. De bijnaam ‘ [bijnaam] ’ duidt mogelijk op de geringe lengte van [medeverdachte 1] en zijn woonplaats [plaatsnaam] . De bijnaam [U] zou kunnen duiden op [U] , dit is een bekende [.] die evenals [medeverdachte 1] een geringe lengte heeft, namelijk 1.58 meter. De bijnaam ‘ [bijnaam] ’ duidt vermoedelijk op het snoepje van het merk [bijnaam] . Een proces-verbaal van aanvulling identificatie [e-mailadres] (documentcode 20181012.0922), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Berichten uit de nalevering PGPsafe-server. Op 12 april 2016 stuurt de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres] het volgende bericht: Me meisje is over 11 dagen jarig (…). De geboortedatum van de vriendin van [medeverdachte 1] , genaamd [M] , is [1985] . Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20190514.1223), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Onderstaande berichten zijn afkomstig uit de PGPsafe-server. Op 23 mei 2016 stuurt de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres] de volgende berichten: [.] : Moet morge denk naar barca. Ik ben eve [plaatsnaam] ticket boeke Ik vlieg zelf ok eve naar barca morge. Op 24 mei 2016 stuurt de gebruiker van e-mailadres [e-mailadres] de volgende berichten: [.] : Ik vkieg zo eve naar barca en morge weer terug Uit onderzoek bij [reisbureau] te [plaatsnaam] is gebleken dat [medeverdachte 1] op 24 mei 2016 van Eindhoven naar Barcelona is gevlogen en op 25 mei 2016 vanuit Barcelona weer naar Eindhoven. De factuurdatum van de vluchten is 23 mei 2016. Een proces-verbaal van bevindingen (20190628.1339), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Uit Ennetcom-data blijkt dat het e-mailadres [e-mailadres] in de periode van 29 mei 2015 tot en met 14 maart 2016 is opgeslagen door tegencontacten onder de volgende bijnamen: [T]
(3x), [T]
(5x), [bijnaam] , [bijnaam]
(2x), [bijnaam] , [bijnaam] , [U] 2x). Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20180911.1326), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [medeverdachte 1] heeft een lengte van 1.67 meter. De bijnamen van [medeverdachte 1] ( [bijnaam] , [T] , [bijnaam] en [bijnaam] ) duiden allen op een persoon met geringe lengte ( [bijnaam] , [bijnaam] , [T] [de rechtbank begrijpt: een zanger met een lengte van 1.52 meter]). Bewijsoverweging ten aanzien van e-mailadressen [e-mailadres] en [e-mailadres] Op grond van voormelde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien met de overige in dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] in (tenminste): - de periode van 22 september 2015 tot en met 19 april 2016 gebruik maakte van e-mailadres [e-mailadres] ; - de periode van 5 april 2016 tot en met 31 mei 2016 gebruik maakte van e-mailadres [e-mailadres] ; - de periode van 29 mei 2015 tot en met 14 maart 2016 gebruik maakte van e-mailadres [e-mailadres] . Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank bij het weergeven van e-mailberichten in plaats van voormelde e-mailadressen de naam van [medeverdachte 1] vermelden. 1.4 [e-mailadres] , [e-mailadres] , [e-mailadres] , [e-mailadres] en [e-mailadres] Een verklaring van getuige [getuige 11] ten overstaan van de rechter-commissaris, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Vraag: Weet u wie in het gesprek wordt bedoeld met [bijnaam] ? Antwoord: Ja, dat is [medeverdachte 2] toch? Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 13] (documentcode 190415.1349), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Antwoord: Hoe ik [medeverdachte 2] ken? Als [bijnaam] . Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 1607120900), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Binnen het onderzoek met de naam [.] in 2013 werd [medeverdachte 2] als getuige gehoord. Drie andere getuigen in dit onderzoek verklaarden afzonderlijk van elkaar dat zij [medeverdachte 2] kenden onder de bijnaam ‘ [bijnaam] ’. [e-mailadres] Een proces-verbaal van (documentcode 1607120900), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Binnen het onderzoek [.] is onder het slachtoffer, [slachtoffer 1] , een BlackBerry PGP aangetroffen en in beslag genomen. Eén van de contacten van [slachtoffer 1] in augustus en september 2015 bleek een persoon met de bijnaam ‘ [bijnaam] ’. In de berichtgeving tussen [slachtoffer 1] en [bijnaam] wordt gesproken over een persoon die wordt aangeduid met ‘die [bijnaam] ’. Verder blijkt uit de berichten in de telefoon van [slachtoffer 1] dat ‘ [bijnaam] ’ chauffeursdiensten verrichtte voor een contact van [slachtoffer 1] met de bijnaam ‘ [T] ’. ‘ [bijnaam] ’ gebruikt het volgende PGP e-mailadres: [e-mailadres] . Dit e-mailadres is gekoppeld aan pin- en imeinummers. Uit de historische verkeersgegevens over de periode juli 2015 tot en met januari 2016 blijkt dat de meest voorkomende mastlocaties liggen in [plaatsnaam] . Het woonadres van verdachte [medeverdachte 2] tot oktober 2015 lag in het gebied van de meest aangestraalde mastlocaties. Op basis van historische telecomgegevens van ‘ [bijnaam] ’ als hierboven genoemd is gebleken dat ‘ [bijnaam] ’ op 7 september 2015 en op 9 september 2015 kennelijk op of in de nabijheid van vliegveld Eindhoven was. Tussen deze data waren geen telecomregistraties zichtbaar. Hierop werden vluchtgegevens opgevraagd. Op de vlucht van Eindhoven naar Manchester op 7 september en op de vlucht Manchester naar Eindhoven op 9 september 2015 stond op de passagierslijst: [medeverdachte 2] . Geen van de andere inzittenden op de vlucht had een woonadres in [plaatsnaam] . Een samenvatting van ‘operatie Western’ van het Engelse Openbaar Ministerie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: De Engelse zaak met de naam Western (Manchester) draait om een samenspanning gericht op de levering van 2 kg cocaïne. Aan het hoofd van de samenspanning stond [F] . De verdovende middelen werden namens de samenspanning opgehaald door [N] . Een proces-verbaal zaaksdossier Manchester (documentcode 190128.0954), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In het drugsonderzoek Western van de politie te Manchester, Engeland, werd de (BlackBerry PGP) telefoon van koerier [N] in beslag genomen. In die telefoon stond het volgende contact opgeslagen: e-mailadres [e-mailadres] onder de naam: ‘ [bijnaam] ’. [e-mailadres] , [e-mailadres] en [e-mailadres] Een proces-verbaal zaaksdossier Manchester (documentcode 190128.0954), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Onderzoek Wheat is een drugsonderzoek van de politie te Manchester, Engeland. Op 12 november 2015 werd een drugstransport onderschept van 47 kilo cocaïne met een straatwaarde van ruim 15 miljoen pond. Op 23 november 2015 werd dit transport gecontroleerd afgeleverd. Verdachten [F] en [E] werden in Engeland aangehouden en veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen voor de samenwerking in crimineel verband met betrekking tot de handel in verdovende middelen. Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20170424.1012.9743), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Binnen het onderzoek Wheat werd door middel van observatie door de politie in Manchester vastgesteld dat een persoon op 9 november 2015 een ontmoeting heeft gehad met [F] en [E] . Deze persoon werd na de ontmoeting gevolgd naar de luchthaven te Manchester. Aan de hand van de identiteitscontrole van het paspoort en vluchtgegevens bleek deze man te zijn: [medeverdachte 2] . Een samenvatting van ‘operatie Wheat’ van het Engelse Openbaar Ministerie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Bij de samenvatting is fotobewijs gevoegd. Onder foto 1 staat: Observatie op 9 november 2015; [medeverdachte 2] in [.] [de rechtbank begrijpt: [.] is onderdeel van de stad [plaatsnaam] , in het graafschap Greater Manchester]. Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20190116.1200), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: De PGP-telefoon van [F] is in beslag genomen. Het e-mailadres [e-mailadres] stond daarin opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’ en het e-mailadres [e-mailadres] stond opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’. Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20190530.1223), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Uit onderzoek in de Ennetcom-server blijkt het volgende t.a.v. e-mailadres [e-mailadres] : e-mailadres (…) heeft e-mailadres [e-mailadres] opgeslagen onder de naam: ‘ [bijnaam] ’. e-mailadres (…) heeft e-mailadres [e-mailadres] op 28 oktober 2015 opgeslagen onder de naam: ‘ [bijnaam] ’; e-mailadres [e-mailadres] ( [medeverdachte 3] ) heeft e-mailadres [e-mailadres] op 28 oktober 2015 opgeslagen onder de naam: ‘ [bijnaam] ’. Uit onderzoek in de Ennetcom-server blijkt het volgende t.a.v. e-mailadres [e-mailadres] : e-mailadres [e-mailadres] ( [medeverdachte 3] ) heeft e-mailadres [e-mailadres] op 28 september 2015 opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’; [e-mailadres] ( [F] ) heeft e-mailadres [e-mailadres] op 28 september 2015 opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’; e-mailadressen (…), (…) en (…) hebben e-mailadres [e-mailadres] in maart, september en oktober 2015 opgeslagen onder resp. de namen: ‘ [bijnaam] ’, ‘ [bijnaam] ’ en ‘ [bijnaam] ’. Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20190116.1200), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Onderstaande berichten zijn afkomstig uit de PGPsafe-server. Een gesprek van 13 oktober 2015 tussen de gebruikers van e-mailadressen [e-mailadres] ( [medeverdachte 1] ) en [e-mailadres] : [medeverdachte 1] : Hoe laat vlieg je? [.] : 16.10 uk tijd dus land rond 18u amsterdam. [.] : Dat [plaatsnaam] is wel gekke stad (…). Gistere gozer ontmoet (…) De verdachten uit het onderzoek Wheat kwamen uit [plaatsnaam] en waren lid van de ‘ [plaatsnaam] gang’ (de rechtbank begrijpt: [plaatsnaam] is een plaats in het graafschap Greater Manchester). Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 190304.1102), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: In dit onderzoek zijn reisgegevens opgevraagd bij ‘ [reisbureau] ’ van [medeverdachte 2] . Daaruit blijkt dat [medeverdachte 2] op 9 oktober 2015 vanuit Eindhoven naar Manchester is gevlogen. [e-mailadres] , [e-mailadres] en [e-mailadres] en [e-mailadres] Een proces-verbaal van bevindingen (documentcode 20190628.1421), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Gegevens afkomstig uit de Ennetcom-data waaruit blijkt onder welke namen en op welke datum het e-mailadres [e-mailadres] door anderen is opgeslagen: op 26 januari 2016 opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’ door e-mailadres [e-mailadres] ( [medeverdachte 3] ); op 26 januari 2016 opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’ door e-mailadres (…); op 18 februari 2016 opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’ door e-mailadres (…); op 1 maart 2016 opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’ door e-mailadres (...); op 22 maart 2016 opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’ door e-mailadres (...); op 13 april 2016 opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam] ’ door e-mailadres (…). Een proces-verbaal identificatie [e-mailadres] (documentcode 20180911.1340), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Aanleiding Op 29 juni 2016 werd [medeverdachte 4] aangehouden in een personenauto in Engeland. In de auto werd een BlackBerry PGP telefoon aangetroffen. [medeverdachte 4] verklaarde dat deze BlackBerry telefoon zijn eigendom was. In de contactenlijst van de BlackBerry PGP telefoon stond een contact met de naam: ‘ [bijnaam] ’ met e-mailadres: [e-mailadres] . [bijnaam] - [bijnaam] Uit gegevens met betrekking tot e-mailadres [e-mailadres] blijkt dat tegencontacten onder meer de volgende bijnamen gaven aan de gebruiker van dit e-mailadres: [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] en [bijnaam] . Het is aannemelijk dat ‘ [bijnaam] ’ ook eeen van de bijnamen van [medeverdachte 2] is. Het e-mailadres [e-mailadres] is in ieder geval in gebruik geweest tot 23 mei 2016. Uit de gegevens met betrekking tot e-mailadres [e-mailadres] blijkt dat tegencontacten onder meer de volgende bijnamen gaven aan de gebruiker van dit e-mailadres: [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] , [bijnaam] . Berichten uit de Ennetcom-server Berichten van [e-mailadres] ( [medeverdachte 1] ) aan [e-mailadres] op 7 april 2016 tussen 12.51 en 13.51 uur: [medeverdachte 1] : Ja kater kan [bijnaam] het aanpakke ouwe is nu eve druk ik laat hem jou kontajte [medeverdachte 1] : Maak eve een stapel van 22800 ouwe dat moet [bijnaam] afgwven ik tex hem als die reageer en pak zelf eve een rug en restant moet die eve weglegge maar dat stuur ik hem wel. Bericht van [e-mailadres] aan [e-mailadres] op 7 april 2016 om 13.59 u: [.] : Yoo alles goed Bericht van [e-mailadres] aan [e-mailadres] op 7 april 2016 om 14.15uur: [medeverdachte 1] : Ja als je wilt dus 22800 apart en rug voor jezelf en wat over is ok aan [bijnaam] geven! Bericht van [e-mailadres] aan [e-mailadres] op 7 april 2016 om 14.17 u: [.] : Ben je al thuis? Want ik ben zo je buurt maat al. Kan nu? Ik ben daar precies. Gezien deze berichten lijkt het erop dat in beide berichten over dezelfde persoon wo