vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/503143 / HA ZA 20-331 Vonnis van 14 april 2021 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. C. Fledderus te 's-Gravenhage, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SANTANDER CONSUMER FINANCE BENELUX B.V., gevestigd te Utrecht, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaten mr. C.W.M. Lieverse en mr. M.J. Bosselaar te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiseres] en Santander genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie de conclusie van antwoord in reconventie aanvullende producties 19 t/m 21 van [eiseres] het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 maart 2021 (met daarbij de spreekaantekeningen van de nagekomen brieven van 12 en 18 maart 2021 van Santander en [eiseres] ) 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Waar gaat de zaak over 2.1. Santander is een financiële instelling die consumptieve kredieten aanbiedt. [eiseres] is een kredietbemiddelaar. Zij adviseert en bemiddelt ten behoeve van haar klanten bij de totstandkoming kredieten. Zij biedt haar klanten onder meer consumptieve kredieten van Santander aan. De samenwerking tussen Santander en [eiseres] is vastgelegd in een aansluitings- c.q. samenwerkingsovereenkomst van 25 januari 2010 (hierna: de SO). De afspraken over provisie staan in een aparte provisieovereenkomst, die als bijlage 1 bij de SO hoort (hierna: de provisieovereenkomst). 2.2. In artikel 22.1 van de SO is vastgelegd dat de SO wordt aangegaan voor de periode van 1 jaar, welke periode telkens stilzwijgend wordt verlengd met 1 jaar, tenzij partijen 6 maanden voor het verstrijken van de lopende termijn schriftelijke aangeven niet te willen verlengen. In artikel 5 van de provisieovereenkomst is vastgelegd dat na beëindiging van de SO Santander nog 24 maanden provisie betaalt over de uitstaande portefeuille (hierna: de 24 maanden-afspraak). 2.3. Met ingang van 1 mei 2012 heeft Santander de samenwerking met [eiseres] voor totstandkoming van nieuwe kredieten beëindigd. De SO is toen niet beëindigd en [eiseres] bleef provisie ontvangen over de uitstaande portefeuille. 2.4. Santander is ook samenwerkingsovereenkomsten aangegaan met de volgende kredietbemiddelaars: [kredietbemiddelaar 1] B.V., [kredietbemiddelaar 2] B.V., [kredietbemiddelaar 3] , [kredietbemiddelaar 4] B.V., [kredietbemiddelaar 5] , [kredietbemiddelaar 6] , [kredietbemiddelaar 7] , [kredietbemiddelaar 8] , [kredietbemiddelaar 9] en [kredietbemiddelaar 10] . De door deze kredietbemiddelaars opgebouwde kredietportefeuilles heeft [eiseres] op enig moment overgenomen. 2.5. Santander heeft in 2018 [eiseres] gevraagd akkoord te gaan met een verlaging van de afgesproken provisie. Achtergrond van dit verzoek was dat Santander in het kader van de zogenoemde locked-up en de equal treatment problematiek op aanwijzing van de AFM haar rente voor locked-up klanten heeft moeten verlagen. [eiseres] is niet akkoord gegaan met het voorstel. Santander heeft daarom per brief van 1 augustus 2018 de SO en de onder 2.4. genoemde samenwerkingsovereenkomsten beëindigd. Daarna is tussen partijen een geschil ontstaan over de verschuldigde provisie na 1 augustus 2018. 2.6. [eiseres] stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de 24 maanden-afspraak niet geldt en dat Santander aan haar provisie moet blijven doorbetalen gedurende de looptijd van de kredietovereenkomsten. Zij vordert in conventie: I. te verklaren voor recht dat de 24 maanden-afspraak in strijd is met de tekst en strekking van artikel 4:74 Wet op het financieel toezicht (Wft) en de artikelen 154 tot en met 158 Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (Bgfo); II. te verklaren voor recht dat (primair) Santander toerekenbaar tekortschiet tegenover [eiseres] ; (subsidiair) sprake is van een onrechtmatige daad van Santander tegenover [eiseres] ; (meer subsidiair) sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van Santander ten koste van [eiseres] ; (meer subsidiair) het beroep van Santander op de 24 maanden-afspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is; III. Santander te veroordelen tot (primair) doorbetaling van de provisie gedurende de looptijd van de kredietovereenkomsten en (subsidiair) tot betaling van een bedrag ter compensatie van misgelopen provisie; IV. Santander te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten (waaronder de nakosten). 2.7. Santander voert verweer. Zij stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de 24 maanden-afspraak niet in strijd is met de artikelen 4:74 Wft en 152 -158 Bgfo en dat het beroep op deze afspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook niet onaanvaardbaar is. 2.8. Santander heeft een tegenvordering ingesteld. In reconventie vordert zij (primair) dat de provisie-aanspraken van [eiseres] vanaf 1 augustus 2018 tot aan het einde van de provisiebetalingen worden verminderd met 30% en terugbetaling van de teveel betaalde provisie op grond van onverschuldigde betaling. Subsidiair vordert Santander schadevergoeding uit hoofde van (toerekenbare) tekortkoming dan wel onrechtmatige daad van [eiseres] . Santander vordert ook veroordeling van [eiseres] in de proceskosten (waaronder de nakosten). [eiseres] voert verweer tegen de tegenvordering van Santander. 2.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 3De beoordeling In conventie Is de 24 maanden-afspraak in strijd is met de tekst en strekking van artikel 4:74 Wft en de artikelen 154 tot en met 158 Bgfo? Nee. 3.1. Het standpunt van [eiseres] dat de 24 maanden-afspraak in strijd is met de tekst en strekking van artikel 4:74 Wft en de artikelen 154 tot en met 158 Bgfo is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. De rechtbank zal dit hierna motiveren. 3.2. De artikelen 4:74 Wft en 152 t/m 158 Bgfo geven een aantal voorschriften voor de beloning van bemiddelaars in consumptieve kredieten. Artikel 4:74 lid 1 Wft bepaalt dat het de bemiddelaar is verboden om een beloning te ontvangen van een ander dan de kredietaanbieder. Over de beloning zelf bepaalt artikel 155 lid 1 Bgfo dat de kredietbemiddelaar alleen per maand gedurende de looptijd van een kredietovereenkomst aanspraak heeft op provisie ten bedrage van een percentage van het uitstaand saldo. De aanspraak op provisie stopt als de consument twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijn (artikel 156 Bgfo). 3.3. In de provisieovereenkomst hebben partijen afgesproken dat [eiseres] provisie ontvangt van Santander en dat de provisie 0,2 % per maand over het rentedragende uitstaand saldo van de doorlopende kredieten en persoonlijke leningen bedraagt. Deze afspraak is in lijn met de hoofdregel van artikel 4:74 lid 1 Wft en het voorschrift in artikel 155 Bgfo. Het geschil gaat dus alleen over de 24 maanden-afspraak, die de provisieaanspraak van [eiseres] beperkt in de situatie dat de SO niet langer wordt verlengd. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat deze beperking van haar aanspraak op provisie in strijd is met de tekst en strekking van de wettelijke provisieregels en deze regels ontoelaatbaar doorkruist. Het standpunt van [eiseres] komt er - kort samengevat - op neer dat de provisieregels dwingend voorschrijven om de betaling van de provisie uit te smeren over de gehele looptijd van de kredietovereenkomst. De ratio is volgens [eiseres] dat door die koppeling de bemiddelaar een geldelijk belang krijgt om gedurende de hele looptijd van de overeenkomst betrokken te blijven. [eiseres] stelt dat door de duur van de provisieaanspraak in te perken zij een deel van haar aanspraak op provisie misloopt en ook geen vergoeding meer ontvangt voor de nazorg, die zij nog aan haar klanten moet verlenen. Dit staat op gespannen voet met de provisievoorschriften, die volgens [eiseres] ook de bedoeling hebben om haar beloning te waarborgen. 3.4. De nota van toelichting op de artikelen 152 – 158 Bgfo geeft als uitgangspunt voor de provisieregels “…het bevorderen van zorgvuldige kredietbemiddeling ter voorkoming van overkreditering van de consument bij consumptief krediet. Voorkomen dient te worden dat kredietbemiddelaars door onevenredig hoge provisies worden aangezet tot productiejacht. Ook in de toelichtingen op het Besluit provisie kredietbemiddeling en het Besluit financiële dienstverlening (waarin de artikelen 152 – 158 Bgfo hun oorsprong vinden) staat uitsluitend de bevordering van een zorgvuldige kredietverlening en het voorkomen van overkreditering als doelstelling vermeld. Uitgangspunt van de provisievoorschriften is dus dat deze de financiële belangen van de consument beschermen en niet (ook niet mede, zoals [eiseres] stelt) de financiële belangen van de bemiddelaar. Dat de wetgever de bedoeling had om de beloning van de bemiddelaar door het provisiegebod te borgen blijkt niet uit de wetsgeschiedenis. Van strijd met de strekking van de provisieregels is daarom pas sprake als een beloningsafspraak aanzet tot onzorgvuldige kredietbemiddeling. 3.5. Het voorschrift in artikel 155 Bgfo dat een bemiddelaar “alleen per maand gedurende de looptijd van een overeenkomst aanspraak op provisie heeft” verwoordt het uitgangspunt dat de provisie niet eenmalig als afsluitprovisie, maar alleen doorlopend betaald mag worden. De koppeling van de provisiebetaling aan de looptijd van de kredietovereenkomst heeft als doel om zorgvuldige kredietbemiddeling te bevorderen en overkreditering te voorkomen. Door deze koppeling krijgen bemiddelaars een geldelijk belang bij de kredietwaardigheid van de door hen aangebrachte kredietnemers. De zinsnede “alleen per maand” is opgenomen zodat direct met de betaling van provisie kan worden gestopt als de consument twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijn. De artikelen 155 en 156 Bgfo hebben als doel om de bemiddellaar aan te zetten om bij de totstandkoming van de kredietovereenkomst zorgvuldig te bemiddelen en ervoor te zorgen dat de klant niet meer geld leent dan hij op basis van zijn financiële draagkracht kan dragen. De koppeling is bedoeld om de consument te beschermen en niet (mede) de (provisieaanspraak van) de bemiddelaar. 3.6. De provisieregels in de artikelen 152 – 158 Bgfo schrijven niet dwingend voor dat er provisie betaald moet worden (en evenmin) over de gehele looptijd van de kredietovereenkomst. Aanbieder en bemiddelaar mogen een lager percentage afspreken of de duur van de aanspraak beperken, zolang de gemaakte provisieafspraak maar inhoudt dat de provisie als een percentage van het uitstaand saldo doorlopend per maand wordt uitbetaald. 3.7. Het argument van [eiseres] dat de 24 maanden-afspraak de provisieregels ontoelaatbaar doorkruist omdat de nazorg voor klanten in de knel komt, gaat niet op. Juist is dat de bemiddelaar op grond van de Wft na het sluiten van de kredietovereenkomst nog de verplichting heeft om de klant tijdig te informeren over wezenlijke wijzigingen in de informatie die precontractueel aan de klant is verstrekt (artikel 4:20 lid 3 Wft). Maar Santander heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij niet van [eiseres] verlangt dat zij na het einde van de provisiebetalingen nog beheerwerk voor de portefeuille blijft doen. Santander neemt het volledige beheer van de portefeuille van [eiseres] over. Daarmee verschuift de zorgplicht op grond van de Wft weer terug naar de kredietaanbieder (Santander), op wie die zorgplicht in oorsprong ook rust. Dat [eiseres] nog andere civielrechtelijke zorgverplichtingen heeft op grond van de overeenkomsten van opdracht tussen haar en haar klanten, waarvoor de provisie moet doorlopen, heeft zij onvoldoende onderbouwd gesteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de lopende kredieten allemaal gesloten zijn voor mei 2012. 3.8. Op grond van voorgaande oordeelt de rechtbank dat de 24 maanden-afspraak niet in strijd is met de tekst en strekking van artikel 4:74 Wft en de artikelen 154 tot en met 158 Bgfo. Verder is niet gesteld of gebleken dat de 24 maanden-afspraak tot onzorgvuldige kredietverlening leidt en/of overkreditering in de hand werkt. Ook daarom is geen sprake van ontoelaatbare doorkruising van de provisieregels. Het stond partijen dus vrij om de 24 maanden-afspraak te maken. De stelling van [eiseres] dat Santander haar deze afspraak eenzijdig heeft opgedrongen, kan [eiseres] niet baten. [eiseres] is immers zelf ook een professionele partij, die als ondernemer bij de totstandkoming van de SO en op het moment dat zij besloot de lopende portefeuilles van andere bemiddelaars over te nemen haar eigen financiële afweging (met in achtneming van de 24 maanden-afspraak) heeft kunnen maken. 3.9. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht dat de 24 maanden-afspraak in strijd is met de tekst en strekking van artikel 4:74 Wft en de artikelen 154 tot en met 158 Bgfo afwijzen. Datzelfde lot treft de gevorderdere verklaringen voor recht dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.