RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/2776 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2021 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. E.T. de Jong), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, verweerder (gemachtigde: W. Goddijn). Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde belanghebbende] , te [woonplaats] . Procesverloop In het besluit van 23 december 2019 (primair besluit) heeft verweerder een bouwstop opgelegd omdat eiser zonder omgevingsvergunning een aanbouw aan het realiseren was op het perceel [adres 1] te [woonplaats] . In het besluit van 9 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 9 april 2021 bij de rechtbank op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Overwegingen Deze zaak gaat over de bouwstop die aan eisers is opgelegd naar aanleiding van het verzoek om handhaving van derde-partij. Het staat niet ter discussie dat eisers niet beschikten over de vereiste omgevingsvergunning voor het bouwen van de aanbouw. Het bouwen van de aanbouw was daarmee illegaal. Dat betekent dat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden door middel van het opleggen van een bouwstop. De vraag die voorligt is of verweerder van deze bevoegdheid gebruik had mogen maken.. Eisers vinden namelijk dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt door wel handhavend op te treden tegen eisers maar niet handhavend op te treden tegen andere vergelijkbare bouwwerken die eveneens zonder omgevingsvergunning op [naam] zijn gerealiseerd. Eisers verwijzen daarnaast nog specifiek naar een ander bouwwerk op perceel [adres 2] (hierna: perceel [nummer] ). Verweerder heeft geen bouwstop opgelegd aan de eigenaar van dit perceel terwijl voor dit bouwwerk ook niet de vereiste omgevingsvergunning was verleend en er werd gebouwd op het moment dat verweerder de bouwstop aan eisers oplegde. Eisers vinden dat verweerder hierdoor geen bouwstop had mogen opleggen aan hen. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bouwstop moet de rechtbank kijken naar vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). In deze vaste rechtspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de aard van de maatregel van de bouwstop slechts toepassing is voor het gelijkheidsbeginsel als op voorhand duidelijk is dat in gelijke gevallen geen gebruik wordt gemaakt van de bouwstop. Daarbij gaat het om het moment van het opleggen van de bouwstop, en niet om de schriftelijke bevestiging daarvan.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.