RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/1121 uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 april 2021 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster, en Onbekende verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bij brief van 18 maart 2021 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster deelt mee dat het verzoekschrift tevens als beroepschrift dient te worden aangemerkt. Overwegingen
- De voorzieningenrechter nodigt verzoekster niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoekschrift voldoet niet aan de wettelijke eisen, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen.
- Verzoekster vermeldt in haar verzoekschrift “post per adres [adres] te [woonplaats] ”. De voorzieningenrechter acht zich daarom bevoegd om uitspraak te doen.
- Verzoekster heeft het griffierecht niet betaald en heeft ook niet aangetoond dat zij in betalingsonmacht verkeert. De termijn voor het betalen van het griffierecht loopt nog maar omdat verzoekster ook anderszins in verzuim is komt de voorzieningenrechter tot de volgende uitspraak.
- Verzoekster vordert van de gemeente [gemeente] in haar verzoekschrift een schadevergoeding op grond van artikel 82 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verzoekster vordert de voorzieningenrechter deze schadevergoeding, bestaande uit vergoeding van de kosten voor tijdelijke vervangende woonruimte door de gemeente [gemeente] met terugwerkende kracht tot 12 oktober 2009, toe te wijzen. Tevens vordert verzoekster om een vergoeding voor een gepast bedrag voor kosten voor levensonderhoud vanaf 12 oktober
- Als schadeveroorzakend besluit heeft verzoekster een brief van 20 april 1999 overgelegd van de gemeente [gemeente] . Deze brief gaat over afgifte van een paspoort aan verzoekster op 24 maart 1999 met een onjuiste geslachtsnaam. Vervolgens heeft verzoekster aangevoerd dat op 12 oktober 2009 huisvredebreuk heeft plaatsgevonden.
- In reactie op het verzoek van de voorzieningenrechter om de gedingstukken toe te sturen, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] bij brief van 1 april 2021 laten weten dat zij niet goed kunnen beoordelen waar het verzoek over gaat en weten dan ook niet welke stukken zij moeten toesturen aan de rechtbank.
- Bij brief van 19 maart 2021 is door de voorzieningenrechter aan verzoekster gevraagd de gronden van het verzoek mee te delen, het spoedeisend belang te onderbouwen, een kopie toe te sturen van het besluit waar zij het niet mee eens is en een kopie toe te sturen van het bezwaarschrift. In deze brief is medegedeeld dat wanneer de verzochte stukken niet binnen de gestelde termijn worden overgelegd, de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk kan verklaren.
- De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster in reactie hierop op 21 maart 2021 en in diverse brieven daarna wederom de brief van 20 april 1999 heeft overgelegd, welke brief naar het lijkt het bestuursrechtelijke besluit is dat ten grondslag ligt aan dit verzoek. Uit het dossier van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekster tegen dit besluit onlangs bezwaar heeft gemaakt. Als verzoekster ter zake van dit besluit een voorlopige voorziening wenst in te dienen, moet zij zich eerst tot de gemeente wenden en een bezwaarschrift indienen. Overigens merkt de rechtbank op dat het de voorzieningenrechter niet duidelijk is of dit het besluit is waartegen verzoekster een rechtsmiddel wil aanwenden. Het ligt op de weg van verzoekster om hierover duidelijkheid te geven en dat heeft zij niet of onvoldoende gedaan. Ook voor een verzoek om schadevergoeding moet de voorzieningenrechter weten met welk besluit dit verzoek samenhangt. Los hiervan is ook de vraag of een bezwaar in dit geval (nog) kan leiden tot een nadere inhoudelijke standpuntbepaling van (onbekende) verweerder.
- Omdat geen verband (connexiteit) met een lopende procedure bestaat als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat een aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is uitgesproken op 22 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. de griffier de voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.