← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:1653

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 20/3388 en 20/3635 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2021 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, (gemachtigde: J.A.M. Houberg), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder, (gemachtigde: mr. M.E. Buter). Procesverloop Deze uitspraak gaat over de beroepen van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar aanvragen. Overwegingen

  1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaken niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
  2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  3. Eiseres heeft haar aanvragen ingediend op 25 maart
  4. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen verweerder op deze aanvragen moet beslissen. In zo’n geval geldt een beslistermijn van acht weken. Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb. Verweerder had dus uiterlijk op 20 mei 2020 moeten beslissen.
  5. Bij brief van 21 april 2020 heeft verweerder de beslistermijn op grond van artikel 4:15, tweede lid, onder c van de Awb opgeschort wegens overmacht. Verweerder kon eiseres namelijk niet uitnodigen voor een gesprek met een verzekeringsarts en/of arbeidsdeskundige als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus. De lengte van de opschorting heeft verweerder afhankelijk gesteld van de duur van de situatie van overmacht.
  6. Bij brief van 27 juli 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld en verzocht om binnen 2 weken een beslissing toe te zenden. Verweerder heeft hierop gereageerd met de brief van 11 augustus 2020 waarin hij aangeeft dat zij de ingebrekestelling niet in behandeling zullen nemen omdat de beslistermijn op 21 april 2020 al is verlengd vanwege bijzondere maatregelen die gelden in verband met het coronavirus.
  7. Eiseres stelt in beroep dat zij het niet eens is met verweerder en dat de door haar opgelegde Wet Dwangsom wel vergoedt dient te worden en daar een officiële beslissing over dient te nemen. Daarnaast is eiseres van mening dat verweerder wél in staat was een beslissing op het verzoek te nemen ongeacht de maatregelen inzake Corona. Het UWV heeft namelijk veelvuldig onderzoek verricht op basis van het dossier en de daarin aanwezige stukken. Ook heeft het UWV de verzekeringsarts door middel van een telefonische spreekuur een beoordeling laten uitvoeren en heeft in overleg met eiseres gebruik gemaakt van Zoom om zo een beoordeling uit te voeren. Hieruit blijkt dat verweerder in onderhavige zaak bewust geen keuze maakt na het opleggen van de Wet Dwangsom van één van de drie gangbare methodieken gedurende de Corona pandemie. Het te laat beslissen is dus geheel te wijten aan verweerder.
  8. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder wel een beroep heeft kunnen doen op overmacht wegens de coronabeperkingen. Daardoor was een fysiek onderzoek niet mogelijk. Het is aan de verzekeringsarts om te bepalen of zo’n onderzoek nodig is of dat kan worden volstaan met dossieronderzoek. In dit geval vond de verzekeringsarts kennelijk dossieronderzoek niet voldoende. Uiteindelijk heeft de beoordeling ook pas plaatsgevonden nadat eiseres op 28 juli 2020 zelf bij de verzekeringsarts is geweest voor een onderzoek. Met de brief van 21 april 2020 is de beslistermijn verlengd en geeft verweerder aan dat eiseres een bericht krijgt als zij weer verder kunnen met de behandeling van de aanvraag. Hiermee heeft verweerder aan zijn plicht voldaan, namelijk tijdig laten weten dat hij de beslistermijn verlengt.
  9. Dit betekent dat de ingebrekestelling van eiseres van 27 juli 2020 te vroeg is ingediend en dat daarmee niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
  10. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Beslissing De rechtbank verklaard het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april
  11. de griffier de rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.