vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/500371 / HA ZA 20-226 Vonnis van 21 april 2021 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende te [woonplaats 1] ,
(1979)gedurende decennia (tot en met het boekjaar 2015) ieder jaar opdracht gegeven aan een register-accountant voor controles die hebben geresulteerd in een controleverklaring. 3.12. De door de VvE aangevoerde omstandigheden leggen ten opzichte van de in 3.11 genoemde omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal. 3.13. Besluiten van de ALV die ertoe strekken dat ten aanzien van de jaarrekeningen van de VvE géén controle door een accountant plaatsvindt, resulterend in een controleverklaring, zijn dus in strijd met artikel 40 lid 2 van de statuten. Dat leidt ertoe dat zij nietig zijn. Dat volgt uit artikel 2:14 lid 1 BW. De jaarrekening 2015 3.14. Wat betreft de jaarrekening 2015 krijgt de VvE gelijk omdat het besluit van de ALV tot goedkeuring van die jaarrekening niet in strijd is met de statuten. De rechtbank gaat er namelijk van uit dat ten aanzien van die jaarrekening wel een controle door een accountant heeft plaatsgevonden die heeft geresulteerd in een controleverklaring. Het feit dat onder de controleverklaring een handtekening van de desbetreffende registeraccountant ontbreekt leidt niet tot een ander oordeel. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen namelijk niet dat geen sprake is geweest van een accountantscontrole op de manier zoals zij vinden dat die moet gebeuren. Daarnaast is van belang dat alle pagina’s van die jaarrekening wel door de accountant zijn geparafeerd. Conclusie over de statuten 3.15. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voor recht verklaren: dat het besluit van de ALV van 29 februari 2020 tot benoeming van [onderneming 3] als registeraccountant voor het opstellen van rapporten van feitelijke bevindingen ten aanzien van de jaarrekeningen van de VvE nietig is dat de besluiten van de ALV tot goedkeuring van de jaarrekeningen 2016 tot en met 2018 van de VvE nietig zijn. De vordering tot het geven van een verklaring voor recht dat de jaarrekening 2015 nietig is wordt afgewezen. Vordering 3 3.16. De vordering van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om de VvE te veroordelen tot benoeming van een nieuwe accountant, die niet verbonden mag zijn aan het kantoor [onderneming 3] , wordt afgewezen. Gelet op de hierboven genomen beslissingen over de jaarrekeningen 2016 tot en met 2018 zal het bestuur van de VvE aan een accountant opdracht moeten geven voor een controle van die jaarrekeningen, resulterend in controleverklaringen. De rechtbank ziet niet in waarom die controles niet kunnen worden uitgevoerd door [onderneming 3] . De door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] aangevoerde omstandigheid dat dat kantoor ook de jaarrekeningen controleert van [naam stichting] is geen reden om te veronderstellen dat zij de jaarrekeningen van de VvE niet volgens de daarvoor geldende regels zal uitvoeren en dat dat kantoor zich daarbij onvoldoende onafhankelijk van de VvE en/of van [naam stichting] zal opstellen. Vordering 4 3.17. De VvE zal wel worden veroordeeld om te bewerkstelligen dat de controles van de jaarrekeningen 2016 tot en met 2020 worden uitgevoerd en afgerond binnen een termijn van vijf maanden na de datum van dit vonnis (de optelsom van de twee termijnen uit de vorderingen 3) en 4) van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ). Aan die veroordeling zal echter geen dwangsom worden gekoppeld omdat het hier gaat om een inspanningsverbintenis van de VvE, en niet om een resultaatsverbintenis. Het bestuur van de VvE moet zich er voor inspannen dat de jaarrekeningcontroles binnen vijf maanden worden afgerond, maar omdat het niet de VvE zelf is die die controles uitvoert maar een daarvan onafhankelijke partij, heeft zij de termijn daarvoor dus ook niet in haar macht heeft. Daarom vindt de rechtbank een dwangsom in dit geval niet passend. Proceskosten 3.18. De VvE zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op: - dagvaarding € 106,47 - griffierecht 304,00 - salaris advocaat 1.126,00 (2,0 punten × tarief € 563,00) Totaal € 1.536,47 De VvE heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om te bepalen dat zij niet via omslag in de door hen te betalen servicekosten of anderszins hoeven bij te dragen aan deze proceskosten, en die vordering zal worden toegewezen. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de manier zoals is bepaald onder 4. In reconventie Meerwerk aan appartementen van [eiser sub 1] Appartement [nummeraanduiding 1] 3.19. In 2019 werden de voor- en achterpuien van de appartementen in [naam appartementencomplex] vervangen en werden CO2-boxen in de appartementen geplaatst. Die werkzaamheden konden toen niet worden uitgevoerd bij het appartement van [eiser sub 1] met nummer [nummeraanduiding 1] (appartement [nummeraanduiding 1] ) doordat de airco-installatie niet was verwijderd. De aannemer heeft dat appartement daarom toen overgeslagen. In december 2019 en januari 2020 heeft de aannemer offertes aan de VvE uitgebracht voor het alsnog uitvoeren van deze werkzaamheden aan appartement [nummeraanduiding 1] . De VvE heeft die offertes aanvaard en kort daarna zijn de werkzaamheden uitgevoerd. De aannemer heeft hiervoor aan de VvE in totaal € 18.639,13 inclusief btw in rekening gebracht. De VvE vindt dat [eiser sub 1] deze kosten aan haar moet vergoeden omdat het gaat om extra kosten die zijn gemaakt doordat [eiser sub 1] aanvankelijk heeft geweigerd om de airco-installatie te verwijderen. Ongeveer een half jaar later heeft [eiser sub 1] de airco-installatie alsnog verwijderd. Op dat moment waren volgens de VvE de benodigde kranen en ander werkmateriaal niet meer aanwezig. Die moesten voor deze klus terugkomen, inclusief de benodigde werklui. 3.20. [eiser sub 1] vindt dat deze kosten niet voor zijn rekening mogen komen. Hij betoogt dat de VvE heeft nagelaten
- a)om stukken te overleggen waren blijkt dat hij verplicht was tot verwijdering van de airco-installatie, en
- b)om hem van het bestaan van deze verplichting op de hoogte te stellen. Ook voert [eiser sub 1] aan dat de werklui, de kranen en ander werkmateriaal in januari en februari 2020 nog aanwezig waren op het terrein van [naam appartementencomplex] . Ter onderbouwing daarvan heeft [eiser sub 1] foto’s van [naam appartementencomplex] uit november 2020 (met daarop een hijskraan) en januari 2021 in het geding gebracht (met appartementen waarvan volgens [eiser sub 1] de puien nog niet waren vervangen). 3.21. De rechtbank is van oordeel dat de extra kosten die de aannemer aan de VvE in rekening heeft gebracht voor het aanbrengen van de puien aan appartement [nummeraanduiding 1] en voor het installeren van de CO2-box in dat appartement, voor rekening van [eiser sub 1] moeten komen. Dit wordt hieronder toegelicht. 3.22. In het kortgedingvonnis is onder de feiten het volgende vermeld. [eiser sub 1] is er op zondag 24 maart 2019 door middel van een e-mail op geattendeerd dat de vrijdag daarop voorbereidingen werden getroffen voor appartement [nummeraanduiding 1] . In die e-mail is [eiser sub 1] verzocht om de bij dat appartement aanwezige airco voor die vrijdag te verwijderen. Op deze e-mail heeft [eiser sub 1] geantwoord dat er zorg zou worden gedragen voor het afhalen en weer correct aansluiten van alle airco’s, zonneschermen, gordijnen en rolluiken. De VvE heeft daarop gereageerd met de mededeling dat [eiser sub 1] ’s stelling correct is wat betreft het afhalen van de zonneschermen en de gordijnen, maar dat de rest valt onder de verantwoordelijkheid van de eigenaren. Ook heeft de VvE [eiser sub 1] toen meegedeeld dat de kosten van het overslaan van een renovatie zullen worden doorbelast aan de weigerachtige eigenaar en dat die kosten minimaal € 3.500 exclusief btw zouden bedragen. [eiser sub 1] stelt niet dat deze in het kortgedingvonnis vermelde feiten onjuist zijn, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van die feiten. 3.23. In het kortgedingvonnis (van 15 november 2019) is [eiser sub 1] veroordeeld om binnen 14 dagen na dagtekening van dat vonnis voor zijn rekening en risico de airco-installatie in appartement [nummeraanduiding 1] af te sluiten en te verwijderen en om vervolgens medewerking te verlenen aan de afronding van de renovatie, te weten het vervangen van de puien in de voor- en achtergevel en het installeren van een CO2-box. Daarnaast is de VvE in dat vonnis veroordeeld om binnen 20 weken na betekening van dat vonnis alle renovatiewerkzaamheden ten aanzien van appartement [nummeraanduiding 1] uit te voeren en af te ronden, onder de voorwaarde dat de airco-unit is verwijderd door [eiser sub 1] of de VvE, op kosten van [eiser sub 1] . 3.24. Uit de hiervoor genoemde omstandigheden blijkt dat [eiser sub 1] er in maart 2019 tijdig van op de hoogte is gebracht dat hij ervoor moest zorgen dat de airco-installatie binnen vier dagen werd verwijderd en dat de werkzaamheden niet zouden worden uitgevoerd als de airco-installatie dan nog aanwezig was. Omdat de ALV een aantal jaren daarvoor had ingestemd met de door het bestuur voorgestelde renovatie wist [eiser sub 1] in maart 2019 ook dat de puien van zijn appartement [nummeraanduiding 1] vervangen móesten worden, dat er een CO2-box in moest worden geplaatst, en dat die werkzaamheden later dus alsnog zouden worden uitgevoerd. [eiser sub 1] heeft eind maart 2019, toen hij weigerde om de gevraagde medewerking te verlenen, ook kunnen en moeten begrijpen dat de aannemer voor die later uit te voeren werkzaamheden extra kosten aan de VvE in rekening zou brengen, en dat de VvE die zou doorbelasten aan [eiser sub 1] . Dit is later ook gebeurd. Gelet op de offerte en facturen van de aannemer aan de VvE gaat de rechtbank ervan uit dat hiervoor extra kosten noodzakelijk waren ter hoogte van de gefactureerde bedragen. De omstandigheid dat in januari/februari 2020 nog niet alle renovatiewerkzaamheden waren afgerond en dat er in november 2018 een kraan op het terrein van [naam appartementencomplex] aanwezig was, brengt namelijk niet mee dat eraan moet worden getwijfeld dat voor de hier besproken werkzaamheden aan appartement [nummeraanduiding 1] de specifiek voor die werkzaamheden benodigde kraan, werkmaterialen en werklui opnieuw moesten worden aangevoerd respectievelijk ingeschakeld. Appartement [nummeraanduiding 2] - [nummeraanduiding 3] 3.25. Over het appartement van [eiser sub 1] met nummer [nummeraanduiding 2] - [nummeraanduiding 3] (appartement [nummeraanduiding 2] - [nummeraanduiding 3] ) voert de VvE het volgende aan. In week 39 en week 40 van 2018 heeft de aannemer spullen moeten verwijderen van het balkon. Ook heeft de aannemer toen spullen uit het appartement moeten verwijderen en verzetten ten behoeve van asbestwerkzaamheden. De aannemer heeft deze werkzaamheden als meerwerk aan de VvE in rekening gebracht (€ 641,75 inclusief btw) omdat aan de bewoners was gevraagd om deze spullen te verwijderen, en dat niet was gebeurd. 3.26. [eiser sub 1] vindt dat deze vordering moet worden afgewezen en betoogt hierover het volgende. De Vve heeft nagelaten stukken te overleggen waaruit volgt dat
- a)op [eiser sub 1] respectievelijk de bewoners van appartement [nummeraanduiding 2] - [nummeraanduiding 3] de verplichting rust tot verwijdering van de spullen en
- b)dat [eiser sub 1] respectievelijk de bewoners van het appartement op de hoogte zijn gesteld van deze verplichting. Verder heeft de VvE nagelaten om over te leggen ondertekende offertes voor deze werkzaamheden, voor akkoord ondertekende weekrapporten en het op de factuur van 6 juni 2019 betrekking hebbende betaalbewijs. Daaruit volgt volgens [eiser sub 1] dat uit niets blijkt dat de door de VvE gestelde aanvullende kosten zijn gemaakt. Daarnaast is het zo dat appartement [nummeraanduiding 2] - [nummeraanduiding 3] na uitvoeren van alle renovatiewerkzaamheden nog niet is opgeleverd, in die zin dat niet alle gebreken aan het appartement zijn verholpen. Er is een verkeerde bel gemonteerd, er ontbreekt een plantenbak op het dakterras en de radiatoren in de kleine slaapkamer en de keuken zijn niet teruggemonteerd. 3.27. Het verweer van [eiser sub 1] wordt verworpen. Volgens de VvE zijn de bewoners destijds uitvoerig geïnformeerd over het feit dat de spullen verwijderd moesten worden, zowel via nieuwsberichten (brochures en bulletins) als ook diverse malen persoonlijk mondeling. Gelet op alle stukken, waaruit blijkt dat het bestuur van de VvE de renovatie grondig en professioneel heeft aangepakt en daarover in de ALV uitvoerig met de leden heeft gesproken, en op de indruk die de rechtbank heeft gekregen van de personen die namens de VvE tijdens de mondelinge behandeling aanwezig zijn geweest, vindt de rechtbank deze stelling geloofwaardig. Daarnaast is van belang dat niet is gesteld of gebleken dat deze werkzaamheden niet door (of in opdracht van) de aannemer zijn verricht en dat deze kosten ook aan de VvE in rekening zouden zijn gebracht als de bewoners de spullen wel hadden verwijderd. Conclusie over het meerwerk 3.28. De conclusie van het voorgaande is dat [eiser sub 1] voor appartement [nummeraanduiding 1] € 18.639,13 aan de VvE verschuldigd is en dat hij voor appartement [nummeraanduiding 2] - [nummeraanduiding 3] € 641,75 aan de VvE moet vergoeden. In totaal is dat € 19.280,88. Hij zal worden veroordeeld om dit bedrag aan de VvE te betalen. De vordering tot vergoeding van wettelijke rente vanaf 8 april 2020 is ook toewijsbaar. Zonweringen De prijs voor de zonweringen 3.29. Tijdens de ALV’s van 16 juni 2018 en 18 juli 2018 is het vervangen van alle zonweringen aan de orde geweest, maar is daarover toen geen besluit genomen. Uit de notulen van de ALV van 18 juli 2018 blijkt dat het bestuur van de VvE er toen van uitging dat het vervangen van de zonweringen per appartementsrecht € 1.525 inclusief btw ging kosten. Ook is toen gesproken over de mogelijkheid van huurkoop door de leden van de VvE. Tijdens de ALV van 29 augustus 2018 is besloten dat de zonweringen van alle 500 appartementen op [naam appartementencomplex] moesten worden vervangen. De VvE heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij op 29 augustus 2018 opdracht gegeven aan een zonweringsbedrijf voor een bedrag van in totaal € 768.350 inclusief btw. Per appartement is dat € 1.537. Uit de notulen van de ALV van 29 augustus 2018 blijkt dat het bestuur alle leden zou gaan vragen om de daarvoor bestemde bijdrage in één keer te betalen. Verder blijkt uit die notulen dat is besloten dat alle appartementseigenaren die dat wilden, met uitzondering van de groot-eigenaren, voor deze investering een kredietfaciliteit zouden kunnen krijgen met een looptijd van 15 jaar (hierna: de kredietfaciliteit). Daarna zijn alle zonweringen vervangen. Naar aanleiding van het verzoek van het bestuur van de VvE hebben alle eigenaren hiervoor € 1.536 per appartementsrecht in één keer betaald, met uitzondering van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . In haar akte van 4 november 2020 heeft de VvE [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] aangeboden om gebruik te maken van de kredietfaciliteit, dat wil zeggen dat zij gedurende 15 jaar elke maand een bedrag betalen waarmee aan het einde van deze looptijd € 1.536 per zonwering zal zijn betaald. 3.30. Primair stellen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zich op het standpunt dat zij de VvE niets hoeven te betalen voor de aan hun 10 appartementsrechten aangebrachte nieuwe zonweringen. Zij vinden dat niet is komen vast te staan dat de kosten van de zonweringen
- a)onderdeel uitmaken van de gemeenschappelijke schulden en kosten zoals bedoeld in artikel 17 van de splitsingsakte, en
- b)geen onderdeel uitmaken van de oorspronkelijke bijdrage in de renovatie van € 26.909 per appartementsrecht. Subsidiair, indien er voor zover er een rechtsgrond bestaat voor het doorbelasten van deze kosten, betwisten [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat zij € 1.536 per zonwering verschuldigd zijn omdat niet vaststaat dat de VvE in totaal € 768.350 voor de nieuwe zonweringen heeft betaald. De VvE heeft namelijk geen facturen en betalingsbewijzen in het geding gebracht. Meer subsidiair wensen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gebruik te maken van de kredietfaciliteit. 3.31. De primaire en subsidiaire verweren van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] slagen niet. Uit het verslag van de ALV van 29 augustus 2018 blijkt dat het vervangen van de zonweringen nieuw was ten opzichte van de oorspronkelijk geplande renovatie en dat de hiervoor bestemde kosten niet vielen in de oorspronkelijke begroting. Daarnaast vindt de rechtbank dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] onvoldoende hebben onderbouwd dat de VvE zou moeten aantonen dat er per appartement € 1.536 is betaald voor zonwering. Zij betwisten niet dat alle eigenaren dat € 1.536 hebben betaald voor de zonweringen. Uit het onderzoek van [A] is kennelijk ook niet naar voren gekomen dat € 1.536 als prijs voor het aanbrengen van zonwering bij een appartement te hoog zou zijn. De omstandigheid dat de VvE geen facturen en betalingsbewijzen in het geding heeft gebracht vindt de rechtbank daarom niet relevant. 3.32. [eiser sub 1] is dus voor de zonweringen € 12.288 aan de VvE verschuldigd (8 x € 1536). Voor de twee appartementsrechten van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gezamenlijk zijn zij € 3.072 aan de VvE verschuldigd (2 x € 1.536). De kredietfaciliteit 3.33. De VvE vindt het goed dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gebruik maken van de kredietfaciliteit, en [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] willen dat ook. In haar akte van 4 november 2020 is de VvE uitgegaan van een termijnbetaling van € 1278,75 per maand voor de 8 appartementsrechten van [eiser sub 1] respectievelijk de twee appartementsrechten van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gezamenlijk. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben er in hun antwoordakte terecht op gewezen dat hier sprake moet zijn van een rekenfout. Als je € 15.360 deelt door 15 (de looptijd van 15 jaar) kom je uit op het door de VvE genoemde bedrag van € 1.278,75 per jaar, en niet per maand. En uit de akte van de VvE blijkt dat zij aan de kredietfaciliteit de voorwaarde van maandelijkse betaling stelt. Daarvan uitgaande komt de rechtbank erop uit dat [eiser sub 1] per maand € 68,27 moet betalen en dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gezamenlijk per maand € 17,06 moeten betalen. 3.34. Toelichting: [eiser sub 1] moet gedurende de looptijd van 15 jaar € 819,20 per jaar betalen (€ 12.288 : 15). Per maand is dat € 68,27 (819,20 : 12). [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moeten gezamenlijk gedurende de looptijd van 15 jaar € 204,80 betalen (€ 3.072:15). Per maand is dat € 17,06 (204,80 : 12). Aangezien in de notulen van de ALV van 29 augustus 2018 én in de akte van de VvE niets staat over rente, gaat de rechtbank ervan uit dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de hiervoor genoemde bedragen mogen betalen zonder dat zij daarnaast rente verschuldigd zijn. Conclusie over de zonweringen 3.35. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [eiser sub 1] veroordelen tot betaling aan de VvE € 12.288, te voldoen in maandelijkse termijnen van € 68,27 met ingang van 1 mei 2021 (de eerste maand volgend op die waarin dit vonnis is gewezen). [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zullen gezamenlijk worden veroordeeld tot betaling aan de VvE van € 3.072, te voldoen in maandelijkse termijnen van € 17,06 met ingang van 1 mei 2021. Buitengerechtelijke incassokosten 3.36. De VvE vordert als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten € 1.319,73 van [eiser sub 1] en € 522,96 van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gezamenlijk. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat de VvE voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde bedragen aan buitengerechtelijke incassokosten zijn, gelet op de bedragen die zijn betaald na de aanmaningen van 2 januari 2020, lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en zullen worden toegewezen. Proceskosten 3.37. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van VvE bedrag op € 1.802,50 voor salaris advocaat (2,5 punten × factor 1 × tarief € 721). De nakosten en de wettelijke rente over de proceskoeten en de nakosten zullen worden toegwezen op de manier zoals is bepaald onder 4. Hoofdelijkheid [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] 3.38. Alle veroordelingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gezamenlijk zullen hoofdelijk zijn. Dat wil zeggen dat indien een van hen een bedrag aan de VvE betaalt, de ander dat bedrag niet ook aan de VvE hoeft te betalen. 4De beslissing De rechtbank in conventie 4.1. verklaart voor recht dat het besluit van de ALV van 29 februari 2020, inhoudend de benoeming van accountantskantoor [onderneming 3] in [plaatsnaam 3] voor het opstellen van rapporten van feitelijke bevindingen ten aanzien van de jaarrekeningen van de VvE, nietig is, 4.2. verklaart voor recht dat de besluiten van de ALV tot goedkeuring van de jaarrekeningen 2016 tot en met 2018 van de VvE nietig zijn, 4.3. veroordeelt de VvE om te bewerkstelligen binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis door een accountant controles worden uitgevoerd van de jaarrekeningen van de VvE over 2016 tot en met 2020, resulterend in controleverklaringen, 4.4. veroordeelt de VvE in de proceskosten, aan de zijde van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] tot op heden begroot op € 1.536,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, met de bepaling dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet via omslag in de door hen te betalen servicekosten of anderszins hoeven bij te dragen aan deze proceskosten, 4.5. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de onder 4.3 en 4.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, 4.6. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie met betrekking tot [eiser sub 1] 4.7. veroordeelt [eiser sub 1] om aan VvE te betalen een bedrag van € 19.280,88 (negentienduizendtweehonderdtachtig euro en achtentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 8 april 2020 tot de dag van volledige betaling, 4.8. veroordeelt [eiser sub 1] om aan VvE te betalen een bedrag van € 12.288 (twaalfduizend tweehonderdachtentachtig euro), te voldoen in maandelijkse termijnen van € 68,27 met ingang van 1 mei 2021, 4.9. veroordeelt [eiser sub 1] om aan VvE te betalen een bedrag van € 1.319,73 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, Met betrekking tot [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gezamenlijk 4.10. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoofdelijk om aan VvE te betalen een bedrag van € 3.072 (drieduizendtweeënzeventig euro), te voldoen in maandelijkse termijnen van € 17,06 met ingang van 1 mei 2021, 4.11. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoofdelijk om aan VvE te betalen een bedrag van € 522,96 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, 4.12. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van VvE tot op heden begroot op € 1.802,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 4.13. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 4.14. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.15. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021. coll: AvR