RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/2367 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2021 op het verzet van [opposante] , te [woonplaats] , opposante, (gemachtigde: mr. A.K.S.R. Manniesing). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van verweerder van 15 mei
- In de uitspraak van 23 oktober 2020 heeft de rechtbank beroep ongegrond verklaard. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari
- Opposante is verschenen, samen met haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen (met bericht van verhindering). Overwegingen
- De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 oktober het beroep ongegrond verklaard, omdat zij van oordeel is dat verweerder het bezwaarschrift van opposante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2020 niet juist was.
- Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2020 niet juist omdat het bezwaarschrift ook gericht is tegen het besluit van 12 februari
- Het beroepschrift is daarom ontvankelijk. Ter zitting voert opposante aan dat dat het besluit van 15 mei 2015 en het besluit van 12 februari 2020 een enorme samenhang heeft met elkaar en dat daaruit moet blijken dat het beroep is gericht tegen beide besluiten. Verder handhaaft opposante haar standpunt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding wat betreft het beroep gericht tegen het besluit van 15 mei 2015 welk verband houdt met haar persoonlijke situatie.
- De rechtbank volgt de uitspraak van 23 oktober 2020 waarin zij oordeelt dat het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 2 juli 2015 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Opposante heeft in verzet geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat er wél sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij gedurende een periode van ruim 4,5 jaar niet in staat was om bezwaar te maken. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 oktober 2020 verder ook terecht opgemerkt dat zij ook hulp had kunnen vragen bij het maken van bezwaar.
- Ook in verzet is de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift niet zo gelezen kan worden dat dit mede gericht is tegen het besluit van 12 februari
- In de gronden onder acht heeft opposant onder verwijzing naar het besluit van 12 februari 2020 verzocht om gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van het boetebedrag. Op deze mogelijkheid is opposant gewezen in de toelichting bij het besluit van 12 februari
- Niet blijkt dat opposant haar bezwaar ook mede heeft gericht tegen de rechtmatigheid van de in het besluit van 12 februari 2020 neergelegde invordering. Een verzoek om kwijtschelding is iets anders en kan ook los van een bezwaarprocedure worden gedaan. Het bezwaarschrift betreft het besluit van 2 juli 2015, de boeteoplegging, waarvan opposant vernietiging vraagt.
- Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2020 in stand blijft. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart
- De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.