RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/555 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: C. Van Abbe ), en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder (gemachtigde: B.A. Schras). Procesverloop In de beschikking van 28 februari 2019 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] te [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op € 1.262.000,- naar de waardepeildatum 1 januari
- Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. In de uitspraak op bezwaar van 20 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend met een taxatiematrix. De zaak is behandeld op een Skype-zitting van 20 januari
- Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [taxateur] , taxateur. Overwegingen
- Het object is een vrijstaande woning uit 1932 met een garage en twee dakkapellen. De woning heeft een kaveloppervlakte van 1.007 m
- De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.
- Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde van de woning niet hoger dan de waarde in het economisch verkeer heeft vastgesteld. De waarde in het economisch verkeer wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen. Dit volgt uit de artikelen 17 en 18 van de Wet WOZ, de Uitvoeringsregeling en de rechtspraak in WOZ-zaken.
- Verweerder handhaaft in beroep de door hem vastgestelde waarde van € 1.262.000,-. Eiser bepleit een waarde van € 1.050.000,-. Ter onderbouwing heeft verweerder in beroep een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning is vergeleken met de volgende drie, alle in [woonplaats] gelegen, referentiewoningen: [adres 2] , verkocht in augustus 2017 voor € 1.232.500,-, [adres 3] , verkocht op 7 december 2018 voor € 1.800.000,- en [adres 4] , verkocht op 18 april 2019 voor € 1.185.000,-.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven, aannemelijk heeft gemaakt dat € 1.262.000,- als waarde van de woning niet te hoog is. Uit deze taxatiematrix blijkt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met referentiewoningen van hetzelfde type, waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Daarmee maakt verweerder aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning wat betreft onder meer gebruiks- en perceeloppervlakte. Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
- Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
- Eiser voert aan dat [adres 5] en [adres 6] aantonen dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld.
- De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft onderbouwd waarom de referentieobjecten [adres 5] en [adres 6] minder goed bruikbaar zijn. [adres 5] is een naoorlogse woning van 1952 en van een afwijkend type. Omdat er betere referenties zijn, geeft verweerder er de voorkeur aan die betere referentie te gebruiken in plaats van deze rietgedekte jaren vijftig woning. [adres 6] is wel vooroorlogs maar wijkt qua type woning wat af en verkeerde ten tijde van de verkoop in een matige staat. Er zit een erg groot verschil tussen de vraagprijs (€ 1.389.000,-) en de verkoopprijs (€ 1.100.000,-). De woning is binnen drie maanden verkocht voor dit lagere bedrag, wat er in de huidige markt volgens verweerder op duidt dat er omstandigheden zijn die de lagere verkoopprijs hebben veroorzaakt. Deze verkoop doet niet af aan de in de matrix gepresenteerde referentiewoningen. De beroepsgrond slaagt niet.
- Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de gedateerde voorzieningen in de woning.
- De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen dat gelet op de huidige woningmarkt, de prijsklasse waarin de woning valt en de gerealiseerde verkoopprijzen niet de conclusie kan worden getrokken dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de gedateerde voorzieningen in de woning. Volgens verweerder is de keuken 15 jaar en de badkamer 10 jaar en daarmee nog niet oud genoeg om aftrek toe te passen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet gemotiveerd onderbouwd waarom het voorzieningenniveau lager dan gemiddeld moet worden gekwalificeerd. De beroepsgrond slaagt niet.
- Verder voert eiser aan dat de in beroep overgelegde taxatiematrix van verweerder onjuistheden bevat voor wat betreft de correcties van de prijs per eenheid.
- Verweerder geeft aan dat parallel met het versturen van de uitspraak op bezwaar een waarde matrix is meegezonden. Deze matrix bevat onjuiste gegevens. De gepresenteerde secundaire kenmerken in de matrix sluiten niet aan bij de daadwerkelijke registratie. Vooral bij de geregistreerde situatie op het moment van verkoop leidt dit tot onjuistheden. Ten tijde van de verkoop gedateerde woningen staan nu niet als zodanig in de matrix geregistreerd. Daarnaast zijn de indexeringen naar de waardepeildatum gebaseerd op de leveringsdatum in plaats van de voorlopige verkoopdatum. In de matrix ten behoeve van het verweerschrift staan de correcte gegevens gepresenteerd. Slechts de vastgestelde eindwaarde staat ter discussie. De taxatieopbouw in elementen dient slechts als hulpmiddel bij de waardebepaling. Met het verstrekte taxatieverslag, de matrix, de mondelinge toelichting van de taxateur tijdens de hoorzitting en de gemotiveerde uitspraak op bezwaar heeft de gemeente voldoende gemotiveerd aangetoond dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
- De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat verweerder in iedere fase van de procedure de vastgestelde WOZ-waarde nader mag onderbouwen. Daardoor kan een taxatieverslag in de beroepsfase op onderdelen afwijken van een taxatieverslag in bezwaar. Dit is toegestaan, indien de getaxeerde eindwaarde overeenkomt met de vastgestelde WOZ-waarde. De taxatie onderdelen dienen hierbij als hulpmiddel om de eindwaarde inzichtelijk te maken.
- De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat de eindwaarde te hoog is vastgesteld. In de taxatiematrix heeft verweerder voldoende onderbouwd hoe de gemiddelde eenheidsprijs per kubieke meter tot stand is gekomen en hoe dat verschil kan worden verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.
- Ter zitting voert eiser aan dat [adres 3] volgens de verkoopadvertentie 1.646 m3 heeft, terwijl de taxatiematrix van verweerder uitgaat van 1.070 m
- Verweerder heeft op zitting toegelicht dat hij graag eerder van eiser had vernomen dat hij een afwijking in het aantal kubieke meters heeft geconstateerd bij de woning [adres 3] . Dan had verweerder daar een bouwtekening van kunnen overleggen. Volgens verweerder is, zelfs als met de door eiser gehanteerde kubieke meters wordt gerekend, deze referentiewoning met een gecorrigeerde kubieke meterprijs van € 760,- keurig in lijn met de rest. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt. De beroepsgrond slaagt niet.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.A. Koeman, griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. ECLI:NL:GHLEE:2004:AO
- ECLI:NL:RBNNE:2020:1640.