RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 19/4007- V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2021 op het verzet van [opposant] , te [plaats] , opposant. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven van 2 augustus
- In de uitspraak van 16 oktober 2020 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de uitspraak van 16 oktober 2020 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant te laat beroep heeft ingesteld. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 16 oktober 2020 niet juist was.
- Opposant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank van 16 oktober
- Daarom heeft hij verzet ingesteld. De rechtbank vindt dat de uitspraak van 16 oktober 2020 in stand kan blijven. Zij legt hierna uit waarom.
- Een verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat de uitspraak van de rechtbank is verzonden. In dit geval is de uitspraak van 16 oktober 2020 door de rechtbank verzonden op 20 oktober
- Het verzetschrift had dus uiterlijk op 1 december 2020 ingediend moeten zijn. De rechtbank heeft het verzetschrift ontvangen op 21 december
- Dat is te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het verzetschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar opposant niets aan kan doen.
- De rechtbank heeft opposant op 2 februari 2021 een aangetekende brief gestuurd en gevraagd waarom hij zijn verzetschrift te laat heeft ingediend. Opposant heeft hier met een brief van 9 februari 2021 op gereageerd. Hij schrijft dat hij door intensieve behandelingen bij Altrecht en medicijngebruik niet helder genoeg kon nadenken om de juiste prioriteiten te stellen. Ook werd hij geteisterd door angsten waardoor hij niemand zijn sleutel toevertrouwt om zijn post te controleren. Daarnaast geeft opposant aan dat hij alle brieven negeerde omdat hij zeer bang was en zijn brieven niet open durfde te maken.
- De rechtbank begrijpt dat opposant een moeilijke periode heeft doorgemaakt, maar dit zijn geen geldige redenen die maken dat het opposant niet valt te verwijten dat hij te laat was met het instellen van verzet. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverweging 5 van haar uitspraak van 16 oktober 2020 en vult hierbij aan dat van opposant mocht worden verwacht dat hij de termijn voor het indienen van (pro forma) verzet in de gaten zou houden, zo nodig met inschakeling van hulp van derden, of van rechtskundige bijstand.
- De conclusie is dat het verzet van opposant niet-ontvankelijk is, omdat hij te laat was met het indienen van zijn verzetschrift. De uitspraak van de rechtbank van 16 oktober 2020 blijft in stand.
- Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.