RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/706547-18 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1955] te [geboorteplaats] , thans verblijvende in PI Flevoland te Lelystad. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen (hierna: zitting(en)) van 16 juli 2019, 14 september 2019, 10 december 2019, 23 januari 2019, 10 april 2020, 23 juni 2020, 3 september 2020, 23 november 2020, 24 november 2020, 26 november 2020 en 14 januari 2021. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden op 23, 24 en 26 november 2020 en het onderzoek is op de zitting van 14 januari 2021 gesloten. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak alsmede de tegen verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) aanhangig gemaakte ontnemingsvordering is op voornoemde data, gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de strafzaak en ontnemingsvordering tegen medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), onder parketnummer 16/706546-18. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. D.M.A. van der Zwan en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.F.M. Oudijk, advocaat te Utrecht , naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht, en ook van hetgeen in het kader van het spreekrecht door of namens slachtoffers naar voren is gebracht 2TENLASTELEGGING Op de zitting van 10 december 2019 heeft de officier van justitie op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een aanpassing omschrijving tenlastelegging gevorderd, hetgeen door de rechtbank is toegewezen. De nadere omschrijving van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 1 maart 2017 tot en met 26 mei 2017 te Utrecht zich samen met een ander ten aanzien van de minderjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), geboren op [1999] , schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel; feit 2: in de periode van [2017] tot en met 30 september 2017 te Utrecht zich samen met een ander ten aanzien van [slachtoffer 1] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel; feit 3: in de periode van 1 april 2017 tot en met 27 september 2018 samen met een ander kinderpornografische foto’s en/of video’s/films van de minderjarige [slachtoffer 1] heeft gemaakt en/of verspreid en/of in zijn bezit gehad en/of zich tot dat kinderpornografische materiaal via een geautomatiseerd werk en/of door gebruikmaking van een communicatiedienst toegang heeft verschaft; feit 4: in de periode van 20 oktober 2017 tot en met 3 februari 2018 te Utrecht zich samen met een ander ten aanzien van de minderjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), geboren op [2000] , schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel; feit 5: in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 24 augustus 2018 te Utrecht zich samen met een ander ten aanzien van de minderjarige [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), geboren op [2000] , schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel; feit 6: in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 24 augustus 2018 te Utrecht tegen betaling seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer 3] , terwijl die [slachtoffer 3] op dat moment de leeftijd van zestien jaren, maar nog niet die van achttien jaren had bereikt; feit 7: in de periode van 1 september 2018 tot en met 16 november 2018 te Utrecht zich opzettelijk mondeling heeft geuit tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] (hierna [slachtoffer 4] ) en [slachtoffer 5] (hierna [slachtoffer 5] ), kennelijk om hun verklaringen ten overstaan van de politie te beïnvloeden; feit 8: in de periode van 1 maart 2018 tot en met 11 april 2018 te Utrecht zich samen met een ander ten aanzien van [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7] ) schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel; feit 9: in de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 maart 2019 te Utrecht en/of Hoofdorp en/of Amsterdam zich samen met een ander ten aanzien van [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5] ) schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel; feit 10: in de periode van 20 augustus 2017 tot en met 31 maart 2019 te Utrecht zich samen met een ander ten aanzien van [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ) schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel; feit 11: in de periode van [2017] tot en met 31 maart 2019 te Utrecht en/of Zwolle en/of Nijkerk zich samen met een ander ten aanzien van [slachtoffer 4] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel; feit 12: in de periode van [2017] tot en met 31 maart 2019 te Utrecht (telkens) die [slachtoffer 4] heeft verkracht dan wel subsidiair dat hij [slachtoffer 4] telkens heeft gedwongen tot het plegen en ondergaan ontuchtige handelingen. 3VOORVRAGEN 3.1 De geldigheid van de dagvaarding 3.1.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bij pleidooi aangesloten bij het verweer dat door de verdediging in de zaak van [medeverdachte] is aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van de mensenhandelfeiten partieel nietig dient te worden verklaard. In dat kader heeft de verdediging er op gewezen dat de tenlastelegging voor zover deze ziet op de subleden 1, 2, 4 en 9 van artikel 273f, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weinig specifiek en onduidelijk is omdat een feitelijke uitwerking van het ten laste gelegde ontbreekt. Zo ontbreekt volgens de verdediging een nadere feitelijke omschrijving van het in de subleden 6 en 8 opgenomen bestanddeel ‘voordeel trekken’, waaronder een tal van feitelijke handelingen van uiteenlopend karakter kunnen worden gebracht. Aldus is niet voldaan aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gestelde eis van opgave van het feit.. Indien de tenlastelegging zo moet worden begrepen dat de verfeitelijking opgenomen in de tenlastelegging ziet op alle daarvoor opgenomen subleden dient vrijspraak te volgen. Immers: niet is te bewijzen dat “op of omstreeks een zekere datum / periode ergens in Nederland tezamen en in vereniging of alleen iemand is geworven etc. met het oogmerk van seksuele uitbuiting” als dat niet verder verfeitelijkt is. 3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging geldig is omdat deze voldoet aan de eisen van de wet. 3.1.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van – kort gezegd – de mensenhandelfeiten en ook overigens voldoet aan de in artikel 261 Sv gestelde eisen. De steller van de tenlastelegging heeft er bij de mensenhandelfeiten telkens voor gekozen de verfeitelijking van de handelingen in één keer onder de subleden weer te geven en niet te specificeren per ten laste gelegde sublid van bedoeld artikelonderdeel. Dat de tenlastelegging op deze wijze moet worden gelezen, volgt uit de inhoud van de verfeitelijking. Duidelijk is dat de in de verfeitelijking opgenomen feiten en omstandigheden terugslaan op alle daarvoor genoemde subonderdelen. Zo is bijvoorbeeld het bestanddeel ‘voordeel trekken’ feitelijk weergegeven in de laatste twee gedachtestreepjes van deze verfeitelijking. Dat de tenlastelegging op deze wijze moet worden gelezen, moet gezien de inhoud van het dossier en het verhandelde te terechtzitting, voor de verdediging voldoende duidelijk zijn geweest, hetgeen overigens ook is gebleken uit het pleidooi van de verdediging, en de rechtbank niet is gebleken dat bij de verdachte verwarring bestond waartegen hij zich diende te verdedigen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de kennelijk door de verdediging voorgestelde wijze van ten laste leggen waarbij per sublid de verfeitelijking wordt weergegeven, zeer onoverzichtelijk zou worden, temeer daar meerdere zelfde soort feitelijkheden betrekking hebben op meerdere subleden.. 3.2 De overige voorvragen De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 ten laste gelegde, te weten tegen betaling seks hebben met de minderjarige [slachtoffer 3] . De overige ten laste gelegde feiten kunnen volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden. Bij de ten laste gelegde mensenhandelfeiten en het vervaardigen van kinderpornografische filmpjes en foto’s van [slachtoffer 1] is er volgens de officier van justitie telkens sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [verdachte] en aldus van medeplegen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten niet bewezen kunnen worden en heeft dan ook integrale vrijspraak bepleit. De verdediging heeft met betrekking tot de mensenhandelfeiten – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte de vermeende slachtoffers weliswaar heeft begeleid en dat hij daarvoor 20% van de inkomsten ontving, maar dat geen sprake is geweest van zogenaamde harde dwangmiddelen of dat sprake is geweest van middelen, zoals misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiende overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. De vermeende slachtoffers konden zelf beslissen wanneer zij werkten en zij werden geenszins beperkt in hun bewegings- of keuzevrijheid. De jongens konden stoppen met het werk als zij dat wilden en werden niet belemmerd in hun vrijheid om op te houden met prostitutie. Ook is er gelet op de afgedragen percentages van de inkomsten geen sprake van een uitbuitingssituatie. Ten aanzien van de verweten beïnvloeding van getuigen heeft de verdediging gesteld dat er bij verdachte geen sprake was van opzet op beïnvloeding. Ook ontbreekt bewijs dat verdachte [slachtoffer 5] zou hebben beïnvloed en dat hij een mail heeft gestuurd aan de politie op naam van [slachtoffer 5] . Tenslotte stelt de verdediging dat er geen bewijs is dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer 4] . 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Vrijspraak feiten 4, 6 en 12 Het onderzoek 03Yukon heeft geleid tot twaalf aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de verklaringen en bevindingen in het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van de feiten 4, 6, en 12. Nu bewijs voor het plegen van deze feiten ontbreekt, zal de rechtbank verdachte van deze feiten vrijspreken. Bij de bespreking van deze feiten zal de rechtbank deze vrijspraken nader motiveren. 4.3.2 Inleidende opmerkingen Hieronder zullen eerst – na een weergave over de aanleiding van het onderzoek en de aan te halen bewijsmiddelen – achtereenvolgens het juridisch kader met betrekking tot mensenhandel, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de vermeende slachtoffers, de gehanteerde modus operandi en een overweging omtrent het medeplegen worden weergegeven. Vervolgens zal de rechtbank per slachtoffer in het kort weergeven welke feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen zijn gebleken en wat zij hieruit concludeert ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. De bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn – voor de leesbaarheid van dit vonnis – als bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.3 Aanleiding van het onderzoek Bij de politie, afdeling Team Mensenhandel en Migratiecriminaliteit, kwam in de zomer van 2017 de melding binnen dat op de [adres] te [woonplaats] een escortbedrijf zou zijn gevestigd. De eigenaar van dit bedrijf was volgens de melding [verdachte] . [verdachte] zou minderjarige jongens voor zich hebben werken en in het bezit zijn van kinderporno. Op 22 januari 2018 heeft er een gesprek plaatsgevonden met [verdachte] . Hij is toen geconfronteerd met de ingekomen informatie dat hij vermoedelijk bezig zou zijn met escortwerkzaamheden in de jongensprostitutie, waarbij hij minderjarige jongens voor zich zou laten werken. [verdachte] ontkende zich hieraan schuldig te maken en zou niets meer doen met minderjarigen vanwege zijn verleden. Door de verdenking van illegale prostitutie heeft de gemeente [woonplaats] de woning van [verdachte] aan de [adres] in [woonplaats] geobserveerd. Op 16 maart 2018 kwam via de wijkagent een klant in beeld. Deze was met zijn auto vertrokken van de woning aan de [adres] . Tijdens de controle verklaarde deze klant dat hij een mannelijke prostitué had bezocht en dat zich vijf jongens prostitueerden op het adres. Hij verklaarde al twee jaar naar dat adres te gaan. In mei 2018 werd bij de politie gemeld dat in de woning aan de [adres] twee oude mannen met escortjongens aanwezig zouden zijn. De escortjongens zouden de leeftijd hebben van 17 tot 20 jaar. De [adres] betreft het adres van [medeverdachte] . In de nacht van 4 juni 2018 werden [medeverdachte] en [verdachte] aangetroffen in [woonplaats] . Tijdens de controle viel op dat een ongeveer 18-jarige jongen op de achterbank van de auto zat. Op 20 september 2018 werd in het kader van mogelijke illegale prostitutie een bestuursrechtelijke controle gehouden op het adres [adres] in [woonplaats] . Op dit adres waren namelijk klantbewegingen waargenomen. In de woning werden toen een klant en een prostitué aangetroffen. [verdachte] werd in de woning op de bank onder een dekentje aangetroffen. De klant verklaarde onder meer dat hij eerder al twee keer een betaalde seksafspraak had gehad op het adres [adres] te [woonplaats] . In de woning werd de laptop van [medeverdachte] door de gemeente ter controle meegenomen en nadat hierop volgens de gemeente veel belastend materiaal werd aangetroffen, is de laptop op 27 september 2018 aan de politie overgedragen. Na een scan door de politie werd een dag later, op 28 september 2018, het strafrechtelijk onderzoek onder de naam 03Yukon opgestart. Onder leiding van de rechter-commissaris vonden vervolgens doorzoekingen plaats in de woningen van de verdachten en werden veel digitale goederen (telefoons), aantekeningen en spullen die voor seks bedoeld waren in beslag genomen. Nadien werden er onder meer vele verklaringen door aangevers en de verdachten afgelegd, zijn er diverse getuigen gehoord en heeft de politie (digitaal) onderzoek verricht aan inbeslaggenomen goederen. 4.3.4 De overwegingen I. Het juridisch kader van artikel 273f Sr Mensenhandel houdt in dat er een ernstige inbreuk wordt gepleegd op fundamentele rechten als menselijke waardigheid, de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid. In Nederland is mensenhandel strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Uit de totstandkoming van dat artikel en de relevante jurisprudentie volgt dat de strafbaarstelling van mensenhandel is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij beperkt worden uitgelegd. In het tweede lid van artikel 273f Sr formuleert de wetgever wat zij in ieder geval onder uitbuiting verstaat. Met betrekking tot onderhavige zaak is van belang dat uitbuiting tenminste uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting omvat. Bij mensenhandel moet altijd uitgegaan worden van de intentie van de dader, niet van het slachtoffer. Dat het slachtoffer de mogelijkheid had zich aan de uitbuitingssituatie te onttrekken, wil in zijn algemeenheid overigens niet zeggen dat er geen sprake van een uitbuitingssituatie was. Daarbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat wanneer het slachtoffer door andere dan fysieke maatregelen in de greep van haar uitbuiter wordt gehouden, en onttrekking praktisch gezien wel mogelijk zou zijn, de subjectieve beoordeling door het slachtoffer van de situatie een beletsel kan vormen om zich aan de uitbuitingssituatie te onttrekken. (Oogmerk van) uitbuiting Het strafbare feit van artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr bevat de volgende bestanddelen: gedragingen, dwangmiddelen en het oogmerk van uitbuiting. De strafwaardigheid van het feit wordt in de kern bepaald door het oogmerk een ander uit te buiten. De Hoge Raad heeft in jurisprudentie overwogen dat het niet nodig is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit. Het volstaat dat de uitbuiting de verdachte voor ogen stond, ook al heeft de uitbuiting zich niet gerealiseerd. De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘oogmerk van uitbuiting’ in de zin van dit artikel, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft geoordeeld – voor zover in de onderhavige zaak relevant – dat bij de beantwoording van die vraag onder meer betekenis toekomt aan de aard en duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Daarbij gaat het om een alomvattende weging van de hiervoor genoemde en eventuele andere relevante factoren. De dwangmiddelen (misbruik van een kwetsbare positie en van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht) In de in artikel 273f, lid 1, sub 1 genoemde dwangmiddelen komt tot uitdrukking dat met de strafbaargestelde gedragingen onder die omstandigheden de vrije keuze van het slachtoffer in het geding is. In zijn algemeenheid kan worden vastgesteld dat de dwangmiddelen ‘misbruik van een kwetsbare positie’ en ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ de wil van het slachtoffer beïnvloeden, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waaronder ook valt het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Met betrekking tot het dwangmiddel ‘misbruik van een kwetsbare positie’ geldt dat in artikel 273f, lid 6 Sr is bepaald dat daaronder mede wordt begrepen: ‘een situatie waarin een persoon geen andere daadwerkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan’. Een kwetsbare situatie kan onder andere een gevolg zijn van bijvoorbeeld een verslaving of schulden. De omstandigheid dat het slachtoffer reeds eerder bij prostitutie betrokken was, vormt op zich geen aanwijzing inzake vrijwilligheid. Met betrekking tot het dwangmiddel ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ geldt dat misbruik kan worden verondersteld, indien de betrokkene in een situatie verkeert of komt te verkeren, die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige tewerkgestelde/prostitué pleegt te verkeren. Het misbruik van ‘uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ kan veelal uit de omstandigheden worden afgeleid. Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat tussen de begrippen ‘misbruik van een kwetsbare positie’ en ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ geen essentieel verschil lijkt te bestaan en dat zij elkaar min of meer overlappen. Bewijs van opzet op het gebruik van voornoemde dwangmiddelen Het is vaste rechtspraak dat voor het bewijs van het opzet op het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien. Voorwaardelijk opzet met betrekking tot die omstandigheden moet in die zin aanwezig zijn. Datzelfde geldt in gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer. Ten aanzien van de hieronder genoemde feiten moet dan ook worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de omstandigheden die het vorenbedoeld overwicht of de kwetsbare positie vormen. Bescherming minderjarige slachtoffers Omdat de bescherming van minderjarigen centraal staat bij de sub-onderdelen 2, 5 en 8 van artikel 273f Sr, is voor een bewezenverklaring hiervan – in tegenstelling tot bij de sub-onderdelen 1, 3, 4, 6 en 9 van artikel 273f Sr – niet vereist dat komt vast te staan dat sprake is geweest van gebruik van dwangmiddelen. Bij minderjarigen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Een eventuele instemming van de minderjarige is dan ook irrelevant. Evenmin is van belang dat een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, nu de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is. Door het tewerkstellen van minderjarigen in de prostitutie is er in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige. Reeds indien bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft verricht ten opzichte van een minderjarige, waarbij in het algemeen aan de exploitatie van prostitutie van minderjarigen misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht inherent is, is sprake van uitbuiting. Het begrip ‘uitbuiting’ moet dan ook niet als bestanddeel in artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 5 en 8 Sr, worden ingelezen en afzonderlijk worden bewezen (vgl. HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1823). II. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de slachtoffers De rechtbank zal zich ambtshalve uitlaten over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers. In dat kader stelt de rechtbank voorop dat in zijn algemeenheid zorgvuldig omgegaan moet worden met verklaringen van getuigen in strafzaken, zoals in casu de verklaring van slachtoffers en/of aangevers. Met name in mensenhandelzaken is bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de waardering van de verklaringen van vermeende slachtoffers en/of aangevers behoedzaamheid op zijn plaats. De betrouwbaarheid van zowel belastende als ontlastende verklaringen in mensenhandelzaken kan onder druk staan of negatief beïnvloed worden door angst, maar ook door gevoelens van voortdurende loyaliteit. De vermeende slachtoffers en/of aangevers hebben ten overstaan van de politie een verklaring afgelegd en in meerdere gevallen zijn zij later nogmaals door de politie gehoord. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 3] zijn gehoord door de rechter-commissaris. De verdediging heeft toen ook de gelegenheid gehad deze vermeende slachtoffers en/of aangevers te ondervragen. Omtrent de verklaringen van de vermeende slachtoffers en/of aangevers overweegt de rechtbank dat zij, hoewel niet altijd hetzelfde, wat betreft de kern van het verwijt tegen [verdachte] consistent en gedetailleerd hebben verklaard. Bovendien worden hun verklaringen (deels) ondersteund in tal van andere bewijsmiddelen, zoals de vele (whatsApp)berichten, de inhoud van de laptop van [medeverdachte] , de inhoud van de telefoons van [medeverdachte] en [verdachte] , getuigenverklaringen en andere onderzoeksbevindingen. Daarnaast verklaren aangevers op meerdere, specifieke punten hetzelfde ten aanzien van de werkwijze van [medeverdachte] en [verdachte] (modus operandi), hetgeen hierna nader uiteen wordt gezet. Voor zover er in hun verklaringen sprake is van inconsistenties, betreffen deze niet de kern verwijt. Indien de verschillende verklaringen van de betreffende vermeende slachtoffers en/of aangevers in hun onderling verband worden bekeken is geenszins sprake van zodanige tegenstrijdigheden dat deze de betrouwbaarheid van de (kern van
- de)verklaringen aantasten. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de verklaringen van de slachtoffers en/of aangevers betrouwbaar en zal de rechtbank deze gebruiken voor het bewijs. III. Modus operandi (werkwijze) Voor de modus operandi verwijst de rechtbank naar de bewijsmiddelen die voor de mensenhandelfeiten van de verschillende slachtoffers zijn opgenomen en die betrekking hebben op de hierna te bespreken modus operandi. In aanvulling daarop verwijst de rechtbank naar de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in het bewijsmiddelenoverzicht onder het kopje ‘modus operandi’. Deze modus operandi dient ook als bewijsmiddel in aanvulling op de bewijsmiddelen die hierna per slachtoffer zijn uitgewerkt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is van de navolgende gebruikelijke werkwijze van [medeverdachte] en [verdachte] : Via het internet en voornamelijk via de website van [website] , een chatsite voor gays, werden jonge, kwetsbare jongens door [medeverdachte] en [verdachte] benaderd. De kwetsbare jongens die werden benaderd waren vaak net of nog net geen 18 jaar oud. Uit de verklaringen van de jongens blijkt dat hoe jonger en kinderlijker zij eruit zagen, hoe beter het verkocht. Nadat hiermee was gechat volgde een afspraak. Tijdens deze afspraak of kort hierna werden de jongens gevraagd of bewogen om als zogenaamde payboy prostitutiewerkzaamheden te verrichten. In het wervingsprocesvond er een proefdate plaats om te kijken of de jongen geschikt was voor prostitutiewerkzaamheden. Bij deze proefdate was [medeverdachte] de ‘klant’ en keek [verdachte] veelal toe. Deze proefdate was bedoeld om te bezien of de betreffende jongen goed met klanten kon omgaan en te beoordelen of hij wel in staat was om seksuele handelingen met mannen te verrichten. [verdachte] maakte ook foto’s en/of filmpjes van de jongens, welke foto’s later bewerkt werden door [medeverdachte] . Van de jongens werden profielen met seksadvertenties geplaatst op de website [website] , waarbij tegen betaling seks met hen werd aangeboden. Ook werd er een nickname voor de jongens bedacht. Deze advertenties werden door [medeverdachte] en/of [verdachte] aangemaakt en beheerd. De jongens kregen een werktelefoon. [verdachte] en/of [medeverdachte] regelden (deels) de communicatie met de klanten. Uit de uitgelezen chats tussen [medeverdachte] en [verdachte] blijkt dat zij ook geregeld onderling contact hadden over het aanbieden van de jongens. Als betaling voor het gebruik maken van de woning van [medeverdachte] werden de jongens door [verdachte] ertoe bewogen seks te hebben met [medeverdachte] . Ook verklaren meerdere jongens dat zij met [verdachte] moesten tongzoenen als vorm van betaling voor zijn diensten. Voor een seksdate, waar de jongens tegen betaling seksuele handelingen moesten ondergaan of verrichten bij mannelijke klanten, diende volgens vaste afspraak € 150,- per uur te worden gevraagd. Van dat bedrag moest 20% afgestaan te worden. Deze 20% was bedoeld voor de aanschaf van onder meer condooms, glijmiddel, massage olie en poppers. Uit het onderzoek is gebleken dat bij voorkeur afspraken werden gemaakt voor dates van meer dan 1 uur, kennelijk om daarmee de kosten te verlagen en daarmee de winst te vergroten. Deze afspraken worden bevestigd in de (vele) uitgelezen chatberichten. Het oogmerk van deze werkwijze was er van meet af aan in gelegen om de jongen zich te laten prostitueren en op die manier geld en (seksuele) voordelen voor zichzelf te vergaren. Vrijwel alle jongens verklaren dat er een standaardtarief van150 euro per uur en 300 euro voor twee uur bij de klant in rekening werd gebracht. Van dat bedrag moesten de jongens 20% afdragen. Deze afspraken worden bevestigd in de (vele) uitgelezen chatberichten. IV. Medeplegen In de hiervoor omschreven modus operandi van [medeverdachte] en [verdachte] , ziet de rechtbank een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden. Niet alleen houden verdachten elkaar op de hoogte van waar met welke payboy dates waren geregeld, ook vervulden zij beiden in deze vaste werkwijze elk een rol van aanzienlijk gewicht. V. De feiten per slachtoffer A. [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2) Uit de bewijsmiddelen volgt onder meer dat [slachtoffer 1] geboren is op [1999] . In april 2017 heeft [slachtoffer 1] , die dan dus nog 17-jaar is, [medeverdachte] leren kennen via de site [website] . De naam die [slachtoffer 1] op die site gebruikte was [werknaam] . Op 29 april 2017 heeft [slachtoffer 1] met [medeverdachte] afgesproken in diens woning aan de [adres] te [woonplaats] en hebben dan zoals zij vooraf besproken hadden seks met elkaar. Voor deze seksdate heeft [slachtoffer 1] € 100,- betaald gekregen van [medeverdachte] . Op de laptop van [medeverdachte] staan 2 foto’s met de titels “ [titel 1] ” en “ [titel 1] .” Op de foto’s is te zien dat een blanke man met een buikje een andere man in zijn anus penetreert. Ook werd er een filmpje (nr. 35) aangetroffen waarop is te zien dat een blanke man met een buikje een andere man in zijn anus penetreert, waarbij penis en testikels van de andere man zichtbaar zijn. De foto’s en het filmpje zijn gemaakt op 29 april 2017. De lichaamsdelen op het filmpje tonen sterke overeenkomsten met de lichaamsdelen op de 2 aangetroffen foto’s. [medeverdachte] verklaart bij de politie dat hij op 29 april 2017 een filmpje heeft gemaakt van die eerste seksdate met [slachtoffer 1] en hij het filmpje heeft opgeslagen onder de titelmap ‘ [titel 1] ’. [medeverdachte] heeft na de date met [slachtoffer 1] contact gezocht met [verdachte] en die is toen naar de woning van [medeverdachte] gekomen. Hier heeft [verdachte] met [slachtoffer 1] besproken wat het werken als payboy inhield, welke afspraken daarbij horen en wat de verdiensten zouden zijn. [verdachte] zei toen ook dat er eerst een proefdate moest komen met [medeverdachte] . Alles geheel volgens de hiervoor weergegeven modus operandi. De minderjarige [slachtoffer 1] stemde met de voorwaarden in en de proefdate met [medeverdachte] heeft op 3 mei 2017 plaatsgevonden. Hiervoor heeft [slachtoffer 1] € 100,- betaald gekregen van [medeverdachte] , die dit bedrag weer van [verdachte] had gehad. Bij deze proefdate wilde [verdachte] toekijken en hij was dus ook aanwezig bij de seks tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte] . Er zijn toen door [verdachte] ook een foto en/of filmpje gemaakt van die date. Op de laptop van [medeverdachte] is een filmpje (nr. 36) aangetroffen waarop [medeverdachte] aan een andere man vraagt of hij wil dat hij doggy klaarkomt of op zijn rug. Dit filmpje is van 3 mei 2017 en vertoont sterke gelijkenissen met de foto’s op de laptop van [medeverdachte] van 29 april 2017. Een dag later, 4 mei 2017, stuurt [medeverdachte] een bericht aan [slachtoffer 1] waarin hij zegt: “pff is alweer 24 uur geleden en ik heb zoooooo fucking genoten…wordt ook nog steeds geil van het filmpje dat ik van de doggyneuk heb gemaakt.” Op het aan [verdachte] toegeschreven IP-adres is de eerste registratie geweest van het profiel van [slachtoffer 1] op [website] . . [verdachte] heeft die foto’s gemaakt voor de site [website] en het profiel voor [slachtoffer 1] aangemaakt. Op deze site had [verdachte] [slachtoffer 1] aangemeld onder zijn werknaam omdat hij de naam [werknaam] niet mooi vond en bij de advertentie stond ook een telefoonnummer vermeld. Dat telefoonnummer hoorde bij de werktelefoon, die [slachtoffer 1] van [verdachte] heeft ontvangen. De meeste klanten werden door [verdachte] geregeld en hij was ook degene die bepaalde hoeveel de klant moest betalen. [verdachte] had een starttarief van 150 euro voor een uur en 300 euro voor 2 uur. Dat tarief had hij volgens [slachtoffer 1] met alle jongens. Standaard moest er 20% aan [verdachte] afgedragen worden. [medeverdachte] heeft ook wel contacten onderhouden met klanten, heeft [slachtoffer 1] zijn profiel gewijzigd en had ook het password tot zijn account op [website] . Nog voor zijn 18e verjaardag heeft [slachtoffer 1] meerdere seksafspraken met klanten. Deze afspraken zijn geregeld door [verdachte] . De prostitutiewerkzaamheden verrichtte [slachtoffer 1] gedurende in totaal 27 dagen, onder meer in de woningen van [verdachte] en [medeverdachte] . Ook is door [verdachte] geregeld dat [slachtoffer 1] een klant in Amerika heeft bezocht. Als [slachtoffer 1] geen klanten wilden doen dan probeerde [verdachte] hem te pushen en pakte hij [slachtoffer 1] hard vast bij diens armen en zei dan: “doe het nou, doe het nou!” Uit informatie van de tante van [slachtoffer 1] , zijn voogd en [instelling 1] volgt dat [slachtoffer 1] overduidelijk een kwetsbare jongen was. Daar komt nog bij dat [slachtoffer 1] dit volgens zijn eigen verklaring zijn persoonlijke situatie ook met [verdachte] had besproken en [verdachte] hem is gevolgd naar zijn verblijf bij [instelling 1] , waarbij tralies aan de voorzijde van de woning te zien zijn. A.1 Oordeel met betrekking tot feit 3 De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde bewezen nu uit de beschikbare bewijsmiddelen valt af te leiden dat [medeverdachte] en [slachtoffer 1] 2 seksdates met elkaar hebben gehad, een op 27 april 2017 en een op 3 mei 2017. [slachtoffer 1] verklaart dat er een date is geweest waarbij [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) aanwezig was. Vast staat dat [verdachte] niet aanwezig was bij de date op 27 april 2017, zodat dit de date van 3 mei 2017 moet zijn geweest. Verder verklaart [slachtoffer 1] dat [verdachte] een foto of filmpje heeft gemaakt terwijl hij een date met [medeverdachte] had. Gelet op deze bewijsmiddelen en met verwijzing naar de modus operandi waarbij [verdachte] vaak aanwezig was bij proefdates en foto’s en filmpjes maakte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het kinderpornofilmpje nr. 36 heeft vervaardigd op 3 mei 2017. De rechtbank voegt hieraan dat hoewel [medeverdachte] geen herinnering heeft aan een filmpje gemaakt op 3 mei 2017, het gelet op de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien – en met name de verwijzing in de chats naar het doggy style neuken - niet anders dan dat het [medeverdachte] is die op het filmpje van 3 mei 2017 seks heeft met de 17-jarige [slachtoffer 1] . A.2 Oordeel met betrekking tot feit 1 De rechtbank baseert haar oordeel op de specifiek voor [slachtoffer 1] geldende bewijsmiddelen en de modus operandi. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] door [verdachte] en [medeverdachte] op 17-jarige leeftijd is geworven om zoals [medeverdachte] het stelt bij “de club” te komen werken als prostitué, waarbij zij het oogmerk hadden [slachtoffer 1] uit te buiten. Na de eerste date met [medeverdachte] is immers op initiatief van [medeverdachte] met [verdachte] besproken onder welke voorwaarden [slachtoffer 1] voor hen zou kunnen komen werken en wat de verdiensten zouden zijn. Eén van de afspraken die hierbij hoorde was een proefdate met [medeverdachte] , waarbij [verdachte] aanwezig was. Ook werden onder meer afspraken gemaakt omtrent het uurtarief en het percentage dat afgestaan diende te worden. Uit deze proefdate en de latere berichten met betrekking tot klanten volgt dat [slachtoffer 1] nog voor zijn 18e verjaardag door [medeverdachte] en [verdachte] ertoe is gebracht om zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling en dat deze seks tegen betaling met klanten ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. [verdachte] en [medeverdachte] hebben hieruit opzettelijk voordeel getrokken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen ook bij [slachtoffer 1] de vaste werkwijze tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Zoals hiervoor nader gemotiveerd is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. Wat betreft de periode stelt de rechtbank deze vast van 29 april 2017, zijnde de dag van de eerste date en het gesprek met [verdachte] , tot [2017] , zijnde de dag waarop [slachtoffer 1] 18 jaar is geworden. A.3 Oordeel met betrekking tot feit 2 Middelen Uit hetgeen onder feit 1 is geoordeeld blijkt dat [slachtoffer 1] 17 jaar – en dus per definitie kwetsbaar – was toen hij is geworven door [medeverdachte] en [verdachte] voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. Naast hetgeen is overwogen onder feit 1 is gebleken dat [slachtoffer 1] niet alleen zeer jong was op het moment dat hij met [medeverdachte] en [verdachte] in zee ging, maar dat hij daarnaast ook kwetsbaar was. Deze kwetsbaarheid moet, gelet op hetgeen getuigen daarover hebben verklaard, ook voor [medeverdachte] en [verdachte] kenbaar zijn geweest. [slachtoffer 1] heeft bovendien verklaard met [verdachte] uitgebreid zijn persoonlijke situatie te hebben besproken. [medeverdachte] en [verdachte] hebben van die kwetsbaarheid misbruik gemaakt. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris blijkt dat er ook sprake geweest van zogenaamde ‘harde dwang’. [verdachte] pakte [slachtoffer 1] af en toe hard bij diens arm pakte als hij een klant weigerde en zei “doe het nou, doe het nou!” Gedragingen Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] [slachtoffer 1] conform hun vaste werkwijze hebben geworven en vervoerd naar en van zijn klanten. De rechtbank zal ook bewijzen dat [slachtoffer 1] na zijn 18e is geworven, aangezien het niet zo kan zijn dat [slachtoffer 1] weliswaar op zijn 17e is geworven maar het enkele overschrijden van de minderjarige leeftijd zou maken dat [slachtoffer 1] voor de periode ná zijn 18e niet meer zou zijn geworven. Eens geworven blijft geworven, aldus de rechtbank. Oogmerk van uitbuiting Het oogmerk van [medeverdachte] en [verdachte] was van meet af aan gericht op het hebben van gewin uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 1] . Deze bestond niet alleen uit financieel gewin, maar ook uit het ondergaan van seksuele handelingen met [medeverdachte] en [verdachte] . Zo had [medeverdachte] seks met [slachtoffer 1] onder de noemer van een proefdate en verklaart [slachtoffer 1] – hetgeen steun vindt in de verklaringen van de andere jongens – dat [verdachte] altijd intiem wilde zoenen, iets wat hij helemaal niet wilde. Uit de uitgelezen chatberichten aangetroffen op de Wiko telefoon van [medeverdachte] blijkt dat hij hiervan op de hoogte was. Wat betreft het financiële gewin is al vanaf het eerste fysieke contact met [slachtoffer 1] gesproken over het percentage wat hij af diende te staan voor zijn werkzaamheden en uit de bewijsmiddelen blijkt duidelijk het de bedoeling was dat [slachtoffer 1] zo veel mogelijk klanten zou afwerken. Tekenend in dit kader is dat [verdachte] zo veel mogelijk zogenaamde 2-uursdates van € 300,- wilde omdat dat namelijk minder kosten met zich meebracht en dus meer winst opleverde. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het enkele percentage van 20% niet maakt dat sprake is van een uitbuitingsituatie. Van die 20% werden namelijk alle kosten betaald en het genoemde percentage is bovendien ook niet afwijkend van wat in de prostitutiebranche gebruikelijk is. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat jongens voor klanten ingepland werden en dat het ging om grote totaalbedragen, hetgeen het totaalbedrag aan winst ook aanzienlijk maakt. Daarbij komt dat [slachtoffer 1] zelf verklaart dat hij heel veel klanten, wel 200, heeft gehad, soms drie klanten op één dag. Verder wijst de rechtbank in dat licht ook op de analyse van de gesprekken tussen [medeverdachte] en [verdachte] waaruit ten aanzien van [slachtoffer 1] (werknaam [werknaam] ) blijkt dat hij een date had met een ‘hoge Belgische ambtenaar’ voor € 600,- en een nachtdate minimaal € 700,- moest kosten, maar dat ook wel kon oplopen tot € 1200,-. Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor ten aanzien van sub 1 is overwogen, kunnen ook het dwingen/bewegen tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van diensten (sub 4), het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting (sub 6) en het dwingen/bewegen van ander tot het bevoordelen van hem (sub 9) worden bewezen. B. [slachtoffer 2] (feit 4) B.1 Oordeel met betrekking tot feit 4 Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte in de ten laste gelegde periode betrokkenheid heeft gehad bij het opzetten of organiseren van escortwerk van [slachtoffer 2] . De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde en zal verdachte van dat feit dan ook vrijspreken. C. [slachtoffer 3] (feiten 5 en 6) Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 3] is geboren op [2000] . In juli 2018 is hij via de site [website] in contact gekomen met [verdachte] . In augustus 2018 spreken [verdachte] en [slachtoffer 3] met elkaar af. [verdachte] heeft [slachtoffer 3] toen naar de woning van [medeverdachte] gereden. Voor de woning hebben [verdachte] en [slachtoffer 3] nog even gewacht omdat [slachtoffer 4] op dat moment in de woning nog bezig was met een klant. [verdachte] heeft [slachtoffer 3] toen die dag verteld hoe het werk ging. [verdachte] vertelde dat [slachtoffer 3] op een dag wel 2000 euro kon verdienen en dat 20% naar [verdachte] zou gaan. [verdachte] vertelde dat hij voor het vervoer zou zorgen. [verdachte] vertelde ook dat hij een proefdate moest doen. Deze proefdate met [medeverdachte] heeft een paar dagen later plaatsgevonden, waarbij [verdachte] aanwezig was en toekeek. Deze proefdate was volgens [slachtoffer 3] een soort rollenspel en hij heeft daarvoor van zowel [verdachte] als [medeverdachte] € 50,- gekregen. Ook zijn er foto’s van [slachtoffer 3] gemaakt. Alles geheel volgens voornoemde modus operandi. Hoewel het profiel van [slachtoffer 3] op [website] pas na zijn 18e verjaardag door [verdachte] online is gezet, heeft hij als 17-jarige al prostitutiewerkzaamheden verricht. Hij werd toen door [verdachte] namelijk al naar klanten gestuurd als andere jongens niet konden of ziek waren. Hij moest dan tegenover de klanten net doen alsof hij 18 jaar was. [slachtoffer 3] verklaart dat hij in ieder geval meer dan 6 klanten heeft gehad. Een deel van de inkomsten heeft hij volgens afspraak aan [verdachte] afgestaan. Op 14 augustus 2018 heeft [slachtoffer 3] een telefoon bij de politie ingeleverd. Deze telefoon was de zogenaamde werktelefoon van [slachtoffer 4] . Hierna heeft hij – enkele maanden – geen prostitutiewerkzaamheden meer verricht voor [verdachte] . Naast het feit dat [slachtoffer 3] nog minderjarig was heeft hij in zijn jeugd in verschillende instellingen gezeten omdat het thuis niet goed ging. Uit een bij de stukken gevoegd rapport is gebleken dat hij een IQ van 68 heeft, hetgeen past bij een persoon met een lichte verstandelijke handicap. C.1 Oordeel met betrekking tot feit 5 De rechtbank baseert haar oordeel op de specifiek voor [slachtoffer 3] geldende bewijsmiddelen en de modus operandi. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 3] door [verdachte] en [medeverdachte] op 17-jarige leeftijd is geworven om te komen werken als prostitué, waarbij zij het oogmerk hadden [slachtoffer 3] uit te buiten. De enkele vaststelling dat [slachtoffer 3] 17 was, is voldoende voor een bewezenverklaring, nu de tenlastegelegde periode tót [slachtoffer 3] zijn 18e jaar loopt. Ten overvloede en meer in het kader van de modus operandi merkt de rechtbank op dat [slachtoffer 3] niet alleen minderjarig, maar ook om andere redenen kwetsbaar was. Deze kwetsbaarheid blijkt niet alleen uit de in het procesdossier gevoegde rapporten, de verklaring van [slachtoffer 3] zelf, maar ook uit de verklaring van [slachtoffer 4] , die zag dat [slachtoffer 3] autistisch overkwam en een rugzakje had. Na het werven, waarbij de vaste werkwijze is besproken, heeft [slachtoffer 3] zich ook beschikbaar gesteld om te werken als prostitué en is hij als 17-jarige ook daadwerkelijk als prostitué gaan werken. Een deel van de opbrengst heeft hij aan [verdachte] af moeten staan en [medeverdachte] heeft seksuele gunsten verkregen door met [slachtoffer 3] een proefdate te hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de gebruikte bewijsmiddelen en de gehanteerde modus operandi, tussen [medeverdachte] en [verdachte] sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. [medeverdachte] heeft immers een essentiële rol gespeeld in het werven van [slachtoffer 3] door een proefdate met hem te hebben om te kijken of hij geschikt was voor prostitutiewerkzaamheden. Wat betreft de periode stelt de rechtbank deze vast van 1 augustus 2018, zijnde ongeveer de dag van de eerste ontmoeting en het gesprek met [verdachte] , tot 14 augustus 2018, zijnde de dag waarop [slachtoffer 3] de werktelefoon van [slachtoffer 4] heeft ingeleverd bij de politie. C.2 Oordeel met betrekking tot feit 6 Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder 6 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. [verdachte] zal dan ook van dat feit vrijgesproken worden. De rechtbank zal feit 7 op de tenlastelegging van [verdachte] - de beïnvloeding van getuigen - aan het eind van dit hoofdstuk bespreken. D. [slachtoffer 7] (feit 8) Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 7] in maart 2018 via [website] in contact is gekomen met [verdachte] . [slachtoffer 7] was op dat moment dakloos en had financiële problemen. [slachtoffer 7] had eerder ook al werk gedaan als escort. Kort na dat eerste contact hebben [slachtoffer 7] en [verdachte] afgesproken in een restaurant. [verdachte] heeft [slachtoffer 7] die dag verteld over de werkwijze. [slachtoffer 7] gaat onder deze omstandigheden akkoord en hierna volgt een toelatingstest, waarbij hij onder meer met [verdachte] lang moest tongzoenen en tepellikken. Ook de gebruikelijke proefdate met [medeverdachte] heeft plaatsgevonden om te laten zien of hij top en bottom was. Voor de proefdate kreeg hij € 50,-. Van [slachtoffer 7] zijn foto’s gemaakt en deze zijn conform de vaste werkwijze bewerkt door [medeverdachte] alvorens deze onder de profielnaam [profielnaam] op websites werden geplaatst. Op de telefoon van [verdachte] zijn naaktfoto’s en een kopie van het paspoort van [slachtoffer 7] aangetroffen. Ook op de telefoon van [medeverdachte] stonden naaktfoto’s van [slachtoffer 7] . De prostitutiewerkzaamheden verrichtte [slachtoffer 7] gedurende in totaal 12 dagen, onder meer in de woningen van [verdachte] als [medeverdachte] . Ook wordt in de chatgesprekken tussen [medeverdachte] en [verdachte] uitgelezen dat [medeverdachte] op 21 maart 2018 ‘ [werknaam] ’ (zijnde [slachtoffer 7] ) bericht dat hij een deel van de opbrengsten af moet staan. Voor zijn verblijf in de woning van [medeverdachte] moest hij ter vergoeding daarvan seks met [medeverdachte] hebben. Ook moest hij seksuele handelingen met [verdachte] dulden D.1 Oordeel met betrekking tot feit 8 De rechtbank baseert haar oordeel op de specifiek voor [slachtoffer 7] geldende bewijsmiddelen en de modus operandi. Middelen Om [slachtoffer 7] voor zich te laten werken hebben [medeverdachte] en [verdachte] misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin hij zich bevond. [slachtoffer 7] was eerder payboy geweest, hij was dakloos en hij had financiële problemen bij een Marokkaanse ‘vriend’. [verdachte] wist dat en bood hem onderdak en een goed verdienmodel. Onder die omstandigheden had [slachtoffer 7] geen werkelijke of aanvaardbare keuze dan zich te prostitueren in dienst van [medeverdachte] en [verdachte] . Gedragingen Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] [slachtoffer 7] conform hun vaste werkwijze hebben geworven en in hun woningen hebben gehuisvest om aldaar klanten te ontvangen. Oogmerk van uitbuiting Het oogmerk van [medeverdachte] en [verdachte] was van meet af aan gericht op het hebben van gewin uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 7] . Deze bestond niet alleen uit financieel gewin, maar ook uit het ondergaan van seksuele handelingen met [medeverdachte] en [verdachte] . Zo verklaart hij – net als andere jongens – dat hij [verdachte] moest tongzoenen als vorm van betaling en ook seks moest hebben met [medeverdachte] in de vorm van een proefdate en ter betaling van de huur. Wat betreft het financiële gewin is al vanaf het eerste fysieke contact met [slachtoffer 7] gesproken over het percentage wat hij dient af te staan voor zijn werkzaamheden en wat hij ook heeft afgedragen. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het enkele percentage van 20% niet maakt dat sprake is van een uitbuitingsituatie. Van die 20% werden namelijk alle kosten betaald en het genoemde percentage is bovendien ook niet afwijkend van wat in de prostitutiebranche gebruikelijk is. De rechtbank wijst hierbij naar hetgeen hierover opgenomen is bij [slachtoffer 1] . Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor ten aanzien van sub 1 is overwogen, kunnen ook het dwingen/bewegen tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van diensten (sub 4), het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting (sub 6) en het dwingen/bewegen van ander tot het bevoordelen van hem (sub 9) worden bewezen. E. [slachtoffer 5] (feit 9) Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 5] rond juli 2018 in contact is gekomen met [verdachte] , omdat hij op dat moment geen geld had en werk zocht als payboy. Ook gebruikte hij in die periode speed. [verdachte] reageerde al snel op de advertentie, waarbij de werkwijze, zoals genoemd in de modus operandi aan [slachtoffer 5] werd uitgelegd. Kort daarna heeft een afspraak plaatsgevonden waarbij [medeverdachte] opeens als proefdate verscheen. Hij had seks met [medeverdachte] terwijl [verdachte] toekeek. Er werden naaktfoto’s gemaakt, die door [medeverdachte] werden bewerkt, [medeverdachte] en [verdachte] gingen het profiel opstellen en het profiel ging online. Tijdens de bestuurlijke controle op 20 september 2018 werd [slachtoffer 5] aangetroffen in de woning van [medeverdachte] terwijl hij op dat moment een paydate had met een vaste klant. Op de telefoon van [verdachte] zijn naaktfoto’s van [slachtoffer 5] aangetroffen. De prostitutiewerkzaamheden verrichtte [slachtoffer 5] tot ongeveer de periode van de bestuurlijke inval. Voor zijn verblijf in de woning van [medeverdachte] moest [slachtoffer 5] ter vergoeding seks hebben met [medeverdachte] . Dat is meerdere keren voorgekomen. Ook moest hij met [verdachte] zoenen. E.1 Oordeel met betrekking tot feit 9 De rechtbank baseert haar oordeel op de specifiek voor [slachtoffer 5] geldende bewijsmiddelen en de modus operandi. Middelen Om [slachtoffer 5] voor zich te laten werken hebben [medeverdachte] en [verdachte] misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin hij zich bevond. [slachtoffer 5] , net 18 jaar oud, die niet meer thuis woonde gebruikte speed, van welk gebruik [medeverdachte] en [verdachte] op de hoogte waren. Dit laatste wordt ondersteund in de uitgelezen taps van [verdachte] waarin wordt gesproken over een speedverslaving. [slachtoffer 5] verklaart dat hij geld nodig had, onder meer om in zijn drugsgebruik te voorzien. Dat [verdachte] pas na afloop erachter kwam dat [slachtoffer 5] speed gebruikte acht de rechtbank gelet op de verklaring van [slachtoffer 5] en de taps ongeloofwaardig. Daarnaast heeft [verdachte] verklaard dat [slachtoffer 5] een kennis van [slachtoffer 4] was en zij samen in een huis in [woonplaats] hadden gewoond. Nu [slachtoffer 4] [verdachte] had verteld dat hij begeleid woonde, moet [verdachte] dat ook van [slachtoffer 5] hebben geweten. [slachtoffer 5] bevond zich om meerdere redenen dan ook in een kwetsbare positie waar [medeverdachte] en [verdachte] misbruik van hebben gemaakt. Onder die omstandigheden had [slachtoffer 5] geen werkelijke of aanvaardbare keuze dan zich te prostitueren in dienst van [medeverdachte] en [verdachte] . Gedragingen Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] [slachtoffer 5] conform hun vaste werkwijze hebben geworven en vervoerd naar en van zijn klanten Oogmerk van uitbuiting Het oogmerk van [medeverdachte] en [verdachte] was van meet af aan gericht op het hebben van gewin uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 5] . Deze bestond niet alleen uit financieel gewin, maar ook uit het ondergaan van seksuele handelingen met [medeverdachte] en [verdachte] . Wat betreft het financiële gewin is al voor het eerste fysieke contact met [slachtoffer 5] gesproken over het percentage wat hij dient af te staan voor zijn werkzaamheden. Dit geld heeft [slachtoffer 5] ook daadwerkelijk afgestaan. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het enkele percentage van 20% niet maakt dat sprake is van een uitbuitingsituatie. Van die 20% werden namelijk alle kosten betaald en het genoemde percentage is bovendien ook niet afwijkend van wat in de prostitutiebranche gebruikelijk is. De rechtbank wijst hierbij naar hetgeen hierover opgenomen is bij [slachtoffer 1] . Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor ten aanzien van sub 1 is overwogen, kunnen ook het dwingen/bewegen tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van diensten (sub 4), het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting (sub 6) en het dwingen/bewegen van ander tot het bevoordelen van hem (sub 9) worden bewezen. F. [slachtoffer 6] (feit 10) Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 6] is in augustus 2017 met [medeverdachte] in contact gekomen doordat hij op [website] reageerde op een advertentie waarin escorts werden gezocht. [medeverdachte] heeft toen een intakegesprek met [slachtoffer 6] gevoerd waarin aan [slachtoffer 6] werd uitgelegd wat het voor hem zou betekenen om als escort voor [medeverdachte] te werken. [slachtoffer 6] zat destijds in de schulden en dat was voor [medeverdachte] vanaf het begin af aan duidelijk. [medeverdachte] en [slachtoffer 6] hebben met elkaar afgesproken en een proefdate gehad, waarbij [slachtoffer 6] werd goedgekeurd. [medeverdachte] heeft toen foto’s van [slachtoffer 6] gemaakt, de foto’s bewerkt, een profiel opgesteld en de seksadvertentie van [slachtoffer 6] online gezet. Uit de verklaringen en chatgesprekken volgt dat [medeverdachte] zich intensief bemoeide met de klanten die zich voor [slachtoffer 6] meldden en hij bood [slachtoffer 6] ook aan aan klanten. [medeverdachte] gaf aan welke prijs [slachtoffer 6] kon vragen, vertelde [slachtoffer 6] op welke locatie hij klanten kon ontvangen en [medeverdachte] vervoerde [slachtoffer 6] ook naar klanten. Van donderdag tot zondag verbleef [slachtoffer 6] bij [medeverdachte] . [slachtoffer 6] stond 10 á 15 euro per klant af aan [medeverdachte] . Ook uit de chatgesprekken blijkt dat [slachtoffer 6] geld moest afdragen aan [medeverdachte] en/of [verdachte] . Uit de verklaringen en chatgesprekken blijkt eveneens de aanwezige rol van [verdachte] . Zo leerde [slachtoffer 6] [verdachte] een week na [medeverdachte] kennen. [verdachte] wist ook dat [slachtoffer 6] in de schulden zat. Er staan naaktfoto’s van [slachtoffer 6] in de telefoon van [verdachte] . [slachtoffer 6] verklaart dat hij van [verdachte] klanten moest ontvangen en [verdachte] erop aandrong dat [slachtoffer 6] nog een klant nam terwijl hij dat soms niet wilde. [slachtoffer 6] kon ook op de [adres] terecht voor klanten en [verdachte] heeft hem ook opgehaald van Schiphol toen de trip naar [A] niet doorging. [verdachte] gaf [slachtoffer 6] een werktelefoon. [slachtoffer 6] moest ook dulden dat [verdachte] met hem zoende, hem bij zijn penis pakte en een vinger in zijn kont stak. Verder blijkt uit de chatgesprekken dat er overleg plaatsvindt tussen [verdachte] en [medeverdachte] over de werkzaamheden van [slachtoffer 6] . F.1 Oordeel met betrekking tot feit 10 De rechtbank baseert haar oordeel op de specifiek voor [slachtoffer 6] geldende bewijsmiddelen en de modus operandi. Middelen Om [slachtoffer 6] voor zich te laten werken hebben [medeverdachte] en [verdachte] misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin [slachtoffer 6] zich bevond. [slachtoffer 6] is een jonge jongen die in de schulden zat en naar manieren zocht om van zijn schulden af te komen. [verdachte] en [medeverdachte] waren hiervan op de hoogte en hebben hierop ingespeeld. Gedragingen Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] [slachtoffer 6] conform hun vaste werkwijze hebben geworven. Uit de chatgesprekken blijkt duidelijk dat [slachtoffer 6] is geworven door [medeverdachte] en het ritueel van de proefdate heeft ook plaatsgevonden. Dat [verdachte] een week later ten tonele verscheen doet niet af aan de modus operandi waarbij een van beide verdachten contact zoekt met een jongen, een proefdate plaatsvindt en waarna zowel [medeverdachte] als [verdachte] profiteren van de jongen. [slachtoffer 6] is ook vervoerd naar klanten en is bij [medeverdachte] een gedeelte van de week gehuisvest. Oogmerk van uitbuiting Het oogmerk van [medeverdachte] en [verdachte] was van meet af aan gericht op het hebben van gewin uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 5] . Deze bestond niet alleen uit financieel gewin, maar ook uit het ondergaan van seksuele handelingen met [medeverdachte] in de vorm van een proefdate en overige seks met [medeverdachte] en het ondergaan van ontuchtige handelingen door [verdachte] . Dat [slachtoffer 6] instemde met de seks met [medeverdachte] maakt niet dat geen sprake is van uitbuiting. Wat betreft het financiële gewin blijkt [slachtoffer 6] geld heeft afgestaan [medeverdachte] en/of [verdachte] . [slachtoffer 6] zelf ontkent bij de rechter-commissaris dat hij aan [medeverdachte] geld heeft afgedragen, maar de rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. De rechtbank hecht meer waarde aan zijn verklaring bij de politie waarin hij aangeeft wel geld te hebben afgestaan. Deze laatste verklaring vindt namelijk steun in andere bewijsmiddelen als chatgesprekken en de modus operandi. Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor ten aanzien van sub 1 is overwogen, kunnen ook het dwingen/bewegen tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van diensten (sub 4), het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting (sub 6) en het dwingen/bewegen van ander tot het bevoordelen van hem (sub 9) worden bewezen. overweegt daartoe als volgt. G. [slachtoffer 4] (feit 11 en 12) Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 4] met [verdachte] in contact is gekomen omdat hij thuis ruzie had en hij op [website] vroeg of hij bij iemand kon slapen voor € 100,-, ook voor seks. Al snel daarna is door [verdachte] aan [slachtoffer 4] de vaste werkwijze uitgelegd, zoals genoemd onder het kopje modus operandi, en hierop is dan ook een proefdate met [medeverdachte] gevolgd. Voor deze proefdate kreeg [slachtoffer 4] € 100,- betaald. Hierna is door [verdachte] en [slachtoffer 4] een account gemaakt op [website] . Voor dit account zijn de door [verdachte] gemaakte en door [medeverdachte] bewerkte foto’s gebruikt. Het account van [slachtoffer 4] , met de werknaam [werknaam] , is aangemaakt op 16 augustus 2018 via het IP adres dat toegeschreven kan worden aan [verdachte] en het eveneens aan [slachtoffer 4] toegeschreven account met de naam toverhond is op 14 september 2017 aangemaakt op hetzelfde IP adres en verwijderd op 21 september 2018. Op zowel de laptop van [medeverdachte] als de telefoon van [verdachte] zijn naaktfoto’s van [slachtoffer 4] aangetroffen. Conform de vaste afspraken werd er € 150,- voor een uur gevraagd en werd er 20% afgestaan. Het vervoer, het regelen van de klanten en het bepalen van de prijzen werd gedaan door [verdachte] . Ook moest [slachtoffer 4] van [verdachte] seks hebben met [medeverdachte] omdat zij voor het ontvangen van klanten zijn huis mochten gebruiken, hetgeen ook gebeurde. In totaal heeft [slachtoffer 4] op basis van de analyse van gesprekken tussen [medeverdachte] en [verdachte] 24 dagen gewerkt. [slachtoffer 4] heeft ook verklaard dat hij seksuele handelingen met [verdachte] moest verrichten en ondergaan. G.1 Oordeel met betrekking tot feit 11 De rechtbank baseert haar oordeel op de specifiek voor [slachtoffer 4] geldende bewijsmiddelen en de modus operandi. Middelen [slachtoffer 4] had thuis, bij zijn begeleid wonen, ruzie en was zodoende op zoek naar een slaapplaats, in welk kader hij bereid was om seksuele handelingen te verrichten. Op basis van deze (zoek)vraag is [verdachte] met [slachtoffer 4] in contact gekomen. [slachtoffer 4] heeft verklaard aan het begin van de contacten met [verdachte] en [medeverdachte] over zijn jeugd en opvoeding te hebben gesproken en dat hij hen heeft verteld dat hij zelfstandig op een kamer woonde met begeleiding en een zogezegd internaatkind was. Dit in combinatie met het feit dat [slachtoffer 4] pas net 18 jaar oud was, maakt dat [slachtoffer 4] geen werkelijke of aanvaardbare keuze had dan zich te prostitueren. Door [slachtoffer 4] voor zich te laten werken is misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin hij zich bevond, welke positie bij zowel [verdachte] als [medeverdachte] kenbaar was. Handelingen Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] conform hun vaste werkwijze [slachtoffer 4] hebben geworven en in hun woningen hebben gehuisvest om aldaar klanten te ontvangen. Oogmerk van uitbuiting Het oogmerk van [medeverdachte] en [verdachte] was van meet af aan gericht op het hebben van gewin uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 4] . Deze bestond niet alleen uit financieel gewin, maar ook uit het ondergaan van seksuele handelingen met [medeverdachte] en [verdachte] . Zo verklaart hij – net als andere jongens – dat hij [verdachte] moest tongzoenen als vorm van betaling. Ook vroeg [verdachte] hem seks te hebben met [medeverdachte] als tegenprestatie voor het gebruiken van zijn woning voor seksdates en heeft [slachtoffer 4] een proefdate met [medeverdachte] gehad. Wat betreft het financiële gewin is al vanaf het begin met [slachtoffer 4] gesproken over het percentage wat hij diende af te staan voor zijn werkzaamheden en hetgeen hij ook heeft afgestaan. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het enkele percentage van 20% niet maakt dat sprake is van een uitbuitingsituatie. Van die 20% werden namelijk alle kosten betaald en het genoemde percentage is bovendien ook niet afwijkend van wat in de prostitutiebranche gebruikelijk is. De rechtbank wijst hierbij naar hetgeen hierover opgenomen is bij [slachtoffer 1] . Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor ten aanzien van sub 1 is overwogen, kunnen ook het dwingen/bewegen tot het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van diensten (sub 4), het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting (sub 6) en het dwingen/bewegen van ander tot het bevoordelen van hem (sub 9) worden bewezen. Pleegperiode De rechtbank acht bewezen dat het bewezen verklaarde is gepleegd in de periode van [2017] , zijnde de week na zijn 18de verjaardag tot en met 21 september 2018, zijnde de dag dat het profiel van [slachtoffer 4] is verwijderd van de site [website] . G.2 Oordeel met betrekking tot feit 12 De rechtbank acht het onder 12 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van [slachtoffer 4] dat verdachte met zijn vinger in zijn anus is binnengedrongen vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Daarnaast verklaart [slachtoffer 4] ten overstaan van de rechter-commissaris, anders dan eerder bij de politie, niet dat [verdachte] wel eens heeft gedreigd dat hij minder klanten zou krijgen en [slachtoffer 4] om die reden onderging dat [verdachte] seksueel bij hem binnendrong. H. Het oordeel met betrekking tot feit 7 Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de ten laste gelegde telefoongesprekken met de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] heeft gevoerd en dat verdachte zich in die gesprekken zo heeft uitgelaten in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] dat hij daarmee kennelijk hun verklaring wilde beïnvloeden. De rechtbank acht het onder 7 ten laste gelegde, voor zover betrekking hebbend op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] , wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken voor zover het ten laste gelegde ziet op de – kort gezegd – beïnvloeding van de verklaring [slachtoffer 5] omdat de verklaring van [slachtoffer 5] hieromtrent onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1. in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 26 mei 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, A) een ander, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [1999] telkens heeft geworven en vervoerd, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die ander, te weten [slachtoffer 1] , met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, zijnde en/of hebbende verdachte en zijn mededader telkens: - via [website] en/of Whatsapp contact gezocht en/of gehad en/of gehouden met die [slachtoffer 1] en - via [website] een afspraak gemaakt met die [slachtoffer 1] en - een proefdate met [slachtoffer 1] gehad, waarbij [slachtoffer 1] seksueel contact tegen betaling moest hebben met zijn mededader en - afspraken met die [slachtoffer 1] gemaakt over seksuele contacten met derden/klanten en/of over de hoogte van de betaling voor die seksuele contacten en/of over de locaties van die seksafspraken en/of over het vervoer van en naar die afspraken en - een werktelefoon en/of een telefoonnummer voor de werktelefoon geregeld voor [slachtoffer 1] en - een profiel aangemaakt en onderhouden op [website] voor [slachtoffer 1] en - klanten geregeld voor [slachtoffer 1] en - ruimte aangeboden aan die [slachtoffer 1] waar die [slachtoffer 1] tegen betaling seks kon hebben met een daar aanwezige klant (gelegen aan de [adres] en/of de [adres] ) en condooms en glijmiddel verschaft en - die [slachtoffer 1] opgehaald met de auto en hem daarmee vervoerd (naar de woning gelegen aan de [adres] en/of [adres] ) en/of naar andere werklocaties in binnen- en buitenland en - reistickets en/of visa geboekt en/of geregeld voor die [slachtoffer 1] en - die [slachtoffer 1] meegenomen naar een pand (gelegen aan de [adres] en/of [adres] ) en/of andere werklocaties waar die [slachtoffer 1] tegen betaling seks had met een daar aanwezige klant en - een deel van het geld dat die [slachtoffer 1] voor die seksafspraken kreeg van die [slachtoffer 1] gekregen of door die [slachtoffer 1] aan hem, verdachte en/of zijn mededader laten afgeven en -als gunst voor verdachte en/of zijn mededader van [slachtoffer 1] verlangd dat hij ontuchtige handelingen door verdachte en/of zijn mededader zou ondergaan waaronder seksueel binnendringen van zijn, [slachtoffer 1] , lichaam. 2. in de periode van [2017] tot en met 30 september 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, A) een ander, te weten [slachtoffer 1] , telkens door dwang en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie - heef geworven ent vervoerd met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 1°) en - heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandigheden handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte en verdachtes mededader wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en B)telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die ander, te weten die [slachtoffer 1] , zijnde en/of hebbende verdachte en zijn mededader telkens terwijl die [slachtoffer 1] zich op dat moment in een kwetsbare positie bevond, - via [website] en/of Whatsapp (en/of op andere wijze) contact gezocht en/of gehad en/of gehouden met die [slachtoffer 1] en/of - via [website] en/of Whatsapp (en/of op andere wijze) een afspraak gemaakt met die [slachtoffer 1] en/of - aan die [slachtoffer 1] voorgehouden dat hij, [slachtoffer 1] , veel geld kon verdienen met escort/paydates en/of - een proefdate met [slachtoffer 1] gehad, waarbij [slachtoffer 1] seksueel contact (al dan niet tegen betaling) moest hebben met zijn mededader verdachte en/of zijn mededader en/of - afspraken met die [slachtoffer 1] gemaakt over seksuele contacten met klanten en over de hoogte van de betaling voor die seksuele contacten en over de locaties van die seksafspraken en over het vervoer van en naar die afspraken en - een werktelefoon en/of een telefoonnummer voor de werktelefoon geregeld en/of gegeven voor/aan [slachtoffer 1] en/of - een profiel aangemaakt en onderhouden op [website] en/of soortgelijke sites voor [slachtoffer 1] en - klanten geregeld voor [slachtoffer 1] en - ruimte aangeboden aan die [slachtoffer 1] waar die [slachtoffer 1] tegen betaling seks kon hebben met een daar aanwezige klant (gelegen aan de [adres] en de [adres] ) en condooms en glijmiddel verschaft en - die [slachtoffer 1] opgehaald met de auto en hem daarmee vervoerd naar de woning gelegen aan de [adres] en/of [adres] en naar andere werklocaties in binnen- en buitenland en - reistickets en/of visa geboekt en/of geregeld voor die [slachtoffer 1] en - die [slachtoffer 1] meegenomen naar een pand (gelegen aan de [adres] en [adres] )en/of andere werklocaties waar die [slachtoffer 1] tegen betaling seks had met een daar aanwezige klant en - een deel van het geld dat die [slachtoffer 1] voor die seksafspraken kreeg van die [slachtoffer 1] gekregen en/of door die [slachtoffer 1] aan hem, verdachte en/of zijn mededader laten afgeven en/of het geld dat die klant(
- en)betaalden voor seksuele handelingen met die [slachtoffer 1] geïnd en een deel ervan aan die [slachtoffer 1] gegeven en -als gunst voor verdachte en/of zijn mededader van [slachtoffer 1] verlangd dat hij ontuchtige handelingen door verdachte en/of zijn mededader zou ondergaan waaronder seksueel binnendringen van zijn, [slachtoffer 1] , lichaam. 3. hij op 3 mei 2017 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander afbeeldingen, te weten een film heeft vervaardigd, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,te weten telkens [slachtoffer 1] geboren op [1999] , welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het met de penis anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, filmpje 36. 5. in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 14 augustus 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, A) een ander, te weten [slachtoffer 3] , geboren op [2000] telkens heeft geworven en vervoerd met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 3] , terwijl die [slachtoffer 3] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling , terwijl die [slachtoffer 3] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die ander, te weten [slachtoffer 3] , met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer 3] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, zijnde en/of hebbende verdachte en zijn mededader telkens: - via [website] contact gezocht met die [slachtoffer 3] en - via [website] een afspraak gemaakt met die [slachtoffer 3] en - aan die [slachtoffer 3] voorgehouden dat hij, [slachtoffer 3] , veel geld kon verdienen met escort/paydates en - een proefdate met [slachtoffer 3] gehad, waarbij [slachtoffer 3] seksueel contact tegen betaling moest hebben met zijn mededader en - afspraken met die [slachtoffer 3] gemaakt over seksuele contacten met derden/klanten en over de hoogte van de betaling voor die seksuele contacten en over de locaties van die seksafspraken en over het vervoer van en naar die afspraken en - een werktelefoon en/of een telefoonnummer voor de werktelefoon geregeld en/of gegeven voor/aan [slachtoffer 3] en - een profiel / meerdere profielen aangemaakt en/of onderhouden op (onder andere) [website] voor [slachtoffer 3] en - klanten geregeld voor [slachtoffer 3] en - ruimte aangeboden aan die [slachtoffer 3] waar die [slachtoffer 3] tegen betaling seks kon hebben met een daar aanwezige klant (gelegen aan de [adres] en/of de [adres] ) en condooms en glijmiddel verschaft en- die [slachtoffer 3] opgehaald met de auto en hem daarmee vervoerd (naar de woning gelegen aan de [adres] en/of [adres] ) en - die [slachtoffer 3] meegenomen naar een pand waar die [slachtoffer 3] tegen betaling seks had met een daar aanwezige klant en - een deel van het geld dat die [slachtoffer 3] voor die seksafspraken kreeg van die [slachtoffer 3] gekregen en door die [slachtoffer 3] aan hem, verdachte en/of zijn mededader(
- s)laten afgeven en -als gunst voor verdachte van [slachtoffer 3] verlangd dat hij ontuchtige handelingen door zijn mededader zou ondergaan waaronder seksueel binnendringen van zijn, [slachtoffer 3] , lichaam. 7. hij in de periode van ongeveer 5 november 2018 tot en met 14 november 2018 in Nederland, telkens opzettelijk mondeling zich jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten ten overstaan van een ambtenaar van politie een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door in een telefoongesprek tegen die [slachtoffer 1] te zeggen (zakelijk weergegeven): dat [slachtoffer 1] tegen de politie moet zeggen dat [slachtoffer 1] 18 was toen hij [verdachte] ontmoette en dat het klikte en dat toen zijn ze samen op vakantie zijn gegaan (naar Spanje) dat het contact is nu verwaterd en dat [slachtoffer 1] op oudere mannen valt en dat [slachtoffer 1] niet in de escort werkt en dat hoe minder [slachtoffer 1] verklaart hoe beter het is, en door in een telefoongesprek tegen die [slachtoffer 4] te zeggen (zakelijk weergegeven): dat [slachtoffer 4] zo min mogelijk moet zeggen en dat [slachtoffer 4] zo min mogelijk namen noemen en dat [slachtoffer 4] soms gewoon keihard moet ontkennen en dat [slachtoffer 4] moet ontkennen dat hij seks met hun heeft gehad en dat [slachtoffer 4] moet benadrukken geen seks en boven de 18. 8. in de periode van 1 maart 2018 tot en met 11 april 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander A) een ander , te weten [slachtoffer 7] telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of door misbruik van een kwetsbare positie - heeft geworven en vervoerd, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die naam [slachtoffer 7] (sub 1°) en - heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 7] , zijnde en/of hebbende verdachte en zijn mededader telkens: terwijl [slachtoffer 7] zich op dat moment in een kwetsbare positie bevond, - via [website] contact gezocht gehad en/of gehouden met die [slachtoffer 7] enen - via [website] een afspraak gemaakt met die [slachtoffer 7] en - een proefdate met [slachtoffer 7] gehad, waarbij [slachtoffer 7] seksueel contact moest hebben met verdachte en zijn medeverdachte en waarbij (seks)foto's werden gemaakt en - afspraken met die [slachtoffer 7] gemaakt over seksuele contacten met derden/klanten en/of over de hoogte van de betaling voor die seksuele contacten en/of over de locaties van die seksafspraken en/of over het vervoer van en naar die afspraken en - een werktelefoon geregeld voorMilton en - onderdak aangeboden aan die [slachtoffer 7] en - een profiel aangemaakt en onderhouden op [website] en [website] en [website] voor [slachtoffer 7] en - klanten geregeld voor [slachtoffer 7] en/of contact(
- en)met klanten onderhouden voor/namens [slachtoffer 7] en - ruimte aangeboden aan die [slachtoffer 7] waar die [slachtoffer 7] tegen betaling seks kon hebben met een daar aanwezige klant (gelegen aan de [adres] en/of de [adres] en/of elders) en - die [slachtoffer 7] opgehaald met de auto en hem daarmee vervoerd naar en/of van (een) woning(
- en)van mannen/klanten en/of naar (een) hotel(s), alwaar [slachtoffer 7] tegen betaling seks had met (een) daar aanwezige klant(
- en)en - condooms en/of glijmiddel en/of poppers en/of kleding verstrekt aan die [slachtoffer 7] ten behoeve van een seksafspraak met (een) klant(
- en)en - een deel van het geld dat die [slachtoffer 7] voor die seksafspraken kreeg van die [slachtoffer 7] gekregen en/of door die [slachtoffer 7] aan hem, verdachte en/of zijn mededader(
- s)laten afgeven en - als gunst voor zijn mededader van [slachtoffer 7] verlangd dat hij ontuchtige handelingen door zijn mededader zou ondergaan waaronder seksueel binnendringen van zijn, [slachtoffer 7] , lichaam. 9. in de periode van 1 juli 2018 tot en met 20 september 2018 te Utrecht elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander A) een ander, te weten [slachtoffer 5] telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of doormisbruik van een kwetsbare positie - heeft geworven en vervoerd, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die naam [slachtoffer 5] en - heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 5] , zijnde en/of hebbende verdachte en zijn mededader telkens: terwijl [slachtoffer 5] zich op dat moment in een kwetsbare positie bevond, - via [website] en/of Whatsapp en/of op andere wijze contact gezocht en/of gehad en/of gehouden met die [slachtoffer 5] en - via [website] en/of Whatsapp en/of op andere wijze) een afspraak gemaakt met die [slachtoffer 5] en - een proefdate met [slachtoffer 5] gehad, waarbij [slachtoffer 5] seksueel contact moest hebben met verdachte en waarbij (seks)foto's werden gemaakt en - afspraken met die [slachtoffer 5] gemaakt over seksuele contacten met derden/klanten en over de hoogte van de betaling voor die seksuele contacten en over de locaties van die seksafspraken en over het vervoer van en naar die afspraken en - een profiel aangemaakt en onderhouden op [website] voor [slachtoffer 5] en - klanten geregeld voor [slachtoffer 5] en contact(
- en)met klanten onderhouden voor [slachtoffer 5] en - ruimte aangeboden aan die [slachtoffer 5] waar die [slachtoffer 5] tegen betaling seks kon hebben met een daar aanwezige (klant (gelegen aan de [adres] en/of de [adres] en/of elders) en - die [slachtoffer 5] opgehaald met de auto en hem daarmee vervoerd naar en/of van (een) woning(
- en)van klanten, alwaar [slachtoffer 5] tegen betaling seks had met een daar aanwezige klanten en - condooms en glijmiddel en poppers en kleding verstrekt aan die [slachtoffer 5] ten behoeve van een seksafspraak met (een) klant(
- en)en - een deel van het geld dat die [slachtoffer 5] voor die seksafspraken kreeg van die [slachtoffer 5] gekregen en/of door die [slachtoffer 5] aan hem, verdachte en/of zijn mededader laten afgeven en - als gunst voor verdachte en/of zijn mededader van [slachtoffer 5] verlangd dat hij ontuchtige handelingen door verdachte en zijn mededader zou ondergaan waaronder seksueel binnendringen van zijn, [slachtoffer 5] , lichaam. 10. hij in de pleegperiode van 20 augustus 2017 tot en met 31 maart 2019 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander A) een ander, te weten [slachtoffer 6] telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of door misbruik van een kwetsbare positie - heeft geworven, vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die naam [slachtoffer 6] en - heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die ander, te weten [slachtoffer 6] , zijnde en/of hebbende verdachte en/of zijn mededader telkens: terwijl [slachtoffer 6] zich op dat moment in een kwetsbare positie bevond, - via [website] en/of Whatsapp contact gezocht en/of gehad en/of gehouden met die [slachtoffer 6] en - via [website] en/of Whatsapp (en/of op andere wijze) een afspraak gemaakt met die [slachtoffer 6] en - een proefdate met [slachtoffer 6] gehad, waarbij [slachtoffer 6] seksueel contact moest hebben met verdachte of zijn medeverdachte en/of waarbij (seks)foto's werden gemaakt en - afspraken met die [slachtoffer 6] gemaakt over seksuele contacten met derden/klanten en/of over de hoogte van de betaling voor die seksuele contacten en/of over de locaties van die seksafspraken en/of over het vervoer van en naar die afspraken en - een werktelefoon en/of een telefoonnummer voor de werktelefoon geregeld en/of gegeven voor/aan [slachtoffer 6] en - een profiel aangemaakt en/of onderhouden op [website] en/of andere website voor [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 6] geholpen met het aanmaken van dit profiel en/of - klanten geregeld voor [slachtoffer 6] en - ruimte aangeboden aan die [slachtoffer 6] waar die [slachtoffer 6] tegen betaling seks kon hebben met een daar aanwezige (derde) man/klant (gelegen aan de [adres] en/of de [adres] ) en - die [slachtoffer 6] opgehaald met de auto en hem daarmee vervoerd naar en/of van (een) woning(
- en)van mannen/klanten en/of naar (een) hotel(s), alwaar [slachtoffer 6] tegen betaling seks had met (een) daar aanwezige klant(
- en)en - condooms en/of glijmiddel en/of poppers verstrekt aan die [slachtoffer 6] ten behoeve van een seksafspraak met (een) klant(
- en)en - een deel van het geld dat die [slachtoffer 6] voor die seksafspraken kreeg van die [slachtoffer 6] gekregen en/of door die [slachtoffer 6] aan hem, verdachte en/of zijn mededader(
- s)laten afgeven en - als gunst voor verdachte en/of zijn mededader van [slachtoffer 6] verlangd dat hij ontuchtige handelingen door verdachte en/of zijn mededader zou ondergaan waaronder seksueel binnendringen van zijn, [slachtoffer 6] 's, lichaam. 11. in de periode van [2017] tot en met 21 september 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander A) een ander, te weten [slachtoffer 4] telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of door misbruik van een kwetsbare positie - heeft geworven, vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 4] en - heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 4] , zijnde en/of hebbende verdachte en/of zijn mededader telkens: terwijl [slachtoffer 4] zich op dat moment in een kwetsbare positie bevond, - via [website] contact gezocht en - via [website] een afspraak gemaakt met die [slachtoffer 4] en - een proefdate met [slachtoffer 4] gehad, waarbij [slachtoffer 4] seksueel contact moest hebben met één van beide verdachten en waarbij de andere verdachte toekeek en/of foto's maakte en - afspraken met die [slachtoffer 4] gemaakt over seksuele contacten met derden/klanten enover de hoogte van de betaling voor die seksuele contacten en over de locaties van die seksafspraken en over het vervoer van en naar die afspraken en - een werktelefoon eneen telefoonnummer voor de werktelefoon geregeld voor [slachtoffer 4] en- een profiel aangemaakt en onderhouden op [website] voor [slachtoffer 4] en - klanten geregeld voor [slachtoffer 4] en - ruimte aangeboden aan die [slachtoffer 4] waar die [slachtoffer 4] tegen betaling seks kon hebben met een daar aanwezige klant (gelegen aan de [adres] en/of de [adres] ) en - die [slachtoffer 4] meegenomen naar de werkruimtes (gelegen aan de [adres] en/of [adres] ), waar die [slachtoffer 4] tegen betaling seks had met een daar aanwezige klant en - die [slachtoffer 4] opgehaald met de auto en hem daarmee vervoerd naar en/of van woningen van klanten en naar hotels, alwaar [slachtoffer 4] tegen betaling seks had met een daar aanwezige klant en - condooms en glijmiddel en poppers en kleding verstrekt aan die [slachtoffer 4] ten behoeve van een seksafspraak met klanten en - een deel van het geld dat die [slachtoffer 4] voor die seksafspraken kreeg van die [slachtoffer 4] gekregen en door die [slachtoffer 4] aan hem, verdachte en/of zijn mededaderlaten afgeven en - als gunst voor verdachte en/of zijn mededader van [slachtoffer 4] verlangd dat hij ontuchtige handelingen door zijn mededader zou ondergaan waaronder seksueel binnendringen van zijn, [slachtoffer 4] , lichaam. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen onder 1, 2 3, 5, 7, 8, 9, 10 en 11 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert volgens de wet telkens het volgende strafbare feit op: de voortgezette handeling van: mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. en mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen Het onder 5 bewezen verklaarde levert volgens de wet telkens het volgende strafbare feit op: mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Het onder 8, 9, 10 en 11 bewezen verklaarde levert volgens de wet telkens het volgende strafbare feit op: mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Het onder 3 bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: medeplegen van een afbeelding bevattende een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt vervaardigen Het onder 7 bewezenverklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid m een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van het voorarrest, en aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel) met dwangverpleging op te leggen. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht aan verdachte een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij heeft de verdediging er ook op gewezen dat de redelijke termijn is geschonden. Met betrekking tot de gevorderde TBS-maatregel heeft de verdediging te kennen gegeven dat voor het opleggen van een dergelijke maatregel het bestaan van een psychische stoornis noodzakelijk is. Dat van een psychische stoornis ten tijde van de feiten sprake was valt op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet vast te stellen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd [verdachte] heeft zich, terwijl hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, opnieuw schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] , waarbij hij telkens nauw samenwerkte met [medeverdachte] . [medeverdachte] en [verdachte] handelden via een vaste werkwijze, waarbij allereerst via een chatsite op het internet werd gezocht naar jonge, kwetsbare homoseksuele jongens. Aan deze minderjarige en/of in een kwetsbare positie verkerende jongens werd voorgesteld om prostitutie werkzaamheden te verrichten, waarbij werd voorgespiegeld dat goed geld kon worden verdiend. De prijzen en de af te dragen percentages werden echter door [medeverdachte] en [verdachte] bepaald. Voor de rest zou alles voor de jongens door [verdachte] en [medeverdachte] geregeld worden. Eerst diende echter wel een proefdate plaats te vinden, waardoor [verdachte] en [medeverdachte] konden zien of de potentiële prostitué wel geschikt was voor prostitutiewerkzaamheden. Deze proefdate, waarbij [medeverdachte] telkens seks had met de potentiële prostituee, was duidelijk niet enkel bedoeld voor het ronselen van het slachtoffer met het oog op financieel gewin, maar ook voor het seksuele genot van [medeverdachte] en [verdachte] . Ook na deze proefdate moesten de jonge jongens meermaals seksuele handelingen verrichten met en/of dulden van [medeverdachte] en [verdachte] . Zowel de financiële uitbuiting als het vragen en/of genieten van dit voordeel in natura waartoe de jongens zich gedwongen voelden, rekent de rechtbank [verdachte] ernstig aan. Zoals eerder is overwogen, heeft de rechtbank de rol van [verdachte] als medepleger gekwalificeerd. In het kader van de strafmaat houdt zij ten aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] er in het nadeel van verdachte rekening mee dat uit het dossier blijkt dat het vooral [verdachte] is geweest die voor deze jongens de seksdates met klanten regelde en aan wie het geld moest worden afgedragen. Ook ervaren zij het zo dat het met name [verdachte] was die hen heeft uitgebuit. [verdachte] heeft zich met zijn handelen in de richting van deze jonge slachtoffers, die door hun leeftijd dan wel en/of in combinatie met hun persoonlijke situatie in een kwetsbare positie verkeerden, ernstige inbreuk gemaakt op fundamentele rechten als menselijke waardigheid en persoonlijke vrijheid. Uit het dossier komt in dat licht ook het beeld naar voren dat [verdachte] hen ook zag als zijn bezit waarmee hij kon doen en laten wat hij wilde. Bij slachtoffers van mensenhandel en zedenfeiten kunnen lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid blijven bestaan, waardoor zij ernstig kunnen worden belemmerd in hun relaties en hun deelname aan het maatschappelijke verkeer. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen is ook gebleken hoeveel last de slachtoffers nog steeds ondervinden van hetgeen verdachte hen heeft aangedaan. Zo geven meerdere slachtoffers te kennen dat zij door toedoen van verdachte onder behandeling zijn of bij de hulpverlening lopen, dat zij een vertekend beeld van seks hebben gekregen, dat zij zich vies en misbruikt voelen en dat hetgeen verdachte hen heeft aangedaan hen nog lang zal achtervolgen. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nooit stilgestaan en de lichamelijke en geestelijke integriteit van de jonge jongens, van wie meerdere jongens zelfs minderjarig waren, volledig miskend, maar zich telkens laten leiden door financieel gewin of lustgevoelens. [verdachte] had zich hiervan ook bewust moeten zijn, gelet op zijn strafblad dat hierna nog uiteen zal worden gezet. Het was immers niet de eerste keer dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zedenfeiten met minderjarigen. Naast mensenhandel heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het vervaardigen van kinderporno. Dit is buitengewoon verwerpelijk, met name omdat bij de vervaardiging hiervan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Tenslotte heeft [verdachte] zich nog schuldig gemaakt aan het beïnvloeden van twee getuigen door hen op te bellen en te zeggen wat zij bij de politie moeten verklaren. Het doel van de beïnvloeding moet zijn geweest dat de getuigen een zo gunstige mogelijke verklaring over hem zouden afleggen dan wel hun eerdere verklaringen ten gunste van hem en [medeverdachte] zouden bijstellen. Het beïnvloeden van getuigen is een ernstig strafbaar feit. Iedereen die getuige is geweest van voor een strafzaak relevante feiten en omstandigheden, moet daarover ten overstaan van de politie of een rechter onbelemmerd kunnen verklaren. Beperkingen van deze vrijheid, van welke aard ook, ondermijnen de rechtsorde. [verdachte] heeft op onaanvaardbare wijze de uitkomst van een strafgeding proberen te beïnvloeden door de verklaringsvrijheid van de betrokken getuigen aan te tasten. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat [verdachte] ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten geen openheid van zaken heeft gegeven en dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen. Integendeel. [verdachte] legt de schuld van de feiten volledig neer bij de slachtoffers, die volgens [verdachte] allemaal leugenachtige verklaringen hebben afgelegd. De persoon van [verdachte] De rechtbank heeft kennisgenomen van het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 27 februari 2020. Hieruit volgt dat [verdachte] , zoals hiervoor ook al gemeld, in het verleden meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake soortgelijke feiten als hiervoor bewezen verklaard. Zo is [verdachte] in 1996 veroordeeld voor ontucht met een minderjarige en is aan hem in 2008 onder meer een TBS-maatregel met voorwaarden opgelegd voor een zestal zedenfeiten met minderjarigen. Deze TBS-maatregel is in april 2011 beëindigd. Hierna is [verdachte] in 2012 veroordeeld voor het vervaardigen van kinderporno en is hij in 2015 veroordeeld ter zake mensenhandel, waarbij sprake was van een minderjarig slachtoffer. Naast voornoemde TBS-maatregel zijn aan [verdachte] telkens ook (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen opgelegd. Deze eerdere veroordelingen, straffen en zelfs een voorwaardelijke TBS-maatregel hebben [verdachte] er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan zedenfeiten (met minderjarigen). Naar aanleiding van het consult strafrechtpleging heeft de rechter-commissaris op 28 juni 2019 mede gelet op de weigerachtige houding van [verdachte] bevolen dat verdachte ter observatie in het PBC werd opgenomen, welke beslissing door de rechtbank op 4 juli 2019 is bevestigd. Uit het rapport van de deskundigen van het PBC van 15 januari 2020 is gebleken dat [verdachte] zijn medewerking heeft geweigerd. Zodoende kon er geen psychologisch testonderzoek worden verricht. De beperkte collaterale informatie, de korte contactmomenten en de gedragsobservaties van de groepsleiders gaven een beperkt beeld over het functioneren van [verdachte] en boden onvoldoende onderbouwing om te kunnen komen tot diagnostische conclusies ten aan zien van zijn persoonlijkheid. De deskundigen hebben zich op basis van de observatie en hun eigen onderzoek dan ook niet kunnen uitlaten over bij [verdachte] bestaande stoornis(sen). De rechtbank overweegt dat, indien sprake is van een weigeraar, volgens vaste jurisprudentie gebruik kan worden gemaakt van informatie over de persoon van de verdachte uit oude gedragskundige adviezen. Oude rapportages kunnen informatie verschaffen en tevens een basis zijn voor het aannemen van een stoornis ten tijde van het ten laste gelegde. De deskundigen van het PBC hebben in hun rapport eerdere rapportages over [verdachte] aangehaald. Zo is in eerdere Pro Justitia rapportages gesproken over een (gemiddeld) intelligente man die een sterk opgeblazen gevoel van belangrijkheid heeft, arrogant is, misbruik maakt van anderen voor eigen doeleinden en een gebrek aan empathie heeft (Klumpenaar, 2008). Er werd toen bij [verdachte] een narcistische persoonlijkheidsstoornis met theatrale en psychotische trekken gediagnosticeerd. Psychiater Drost heeft in datzelfde jaar een vergelijkbare diagnose gesteld, namelijk een persoonlijkheidsstoornis met narcistische theatrale en antisociale trekken. In 2011 heeft psychiater Offermans gesteld dat toen alleen nog gesproken kon worden van een narcistische persoonlijkheidsstoornis, in milde vorm. Offermans stelde verder dat het seksuele gedrag van [verdachte] grensoverschrijdend genoemd kon worden. Het grensoverschrijdende zat hem (ook) in het feit dat de jongens met wie betrokkene seksueel contact had, soms licht verstandelijk beperkt waren of emotioneel nog onvolwassen. Zijn seksuele drang werd destijds geduid vanuit persoonlijkheidsproblematiek; als bevredigend voor [verdachte] in narcistische zin. De deskundigen van het PBC hebben in hun rapport opgemerkt dat de eerder vastgestelde narcistische persoonlijkheidsstoornis in 2011 weliswaar in milde vorm werd waargenomen, maar dat deze stoornis nog aanwezig was. De deskundigen hebben voorts opgemerkt dat, hoewel de ernst of invloed van een persoonlijkheidsstoornis gaandeweg het leven verbleken, de persoonlijkheidsstoornis zelf neigt een duurzaam patroon van afwijkende innerlijke ervaringen en gedragingen te vormen. De rechtbank begrijpt hieruit dat de persoonlijkheidsstoornis zelf dus gedurende het leven aanwezig blijft. In die zin is er sprake van een life time diagnose. Naast deze persoonlijkheidsstoornis merkt de psychologe in het PBC-rapport op dat hetgeen [verdachte] in het verleden over zijn seksuele voorkeuren en gedragingen heeft gezegd in combinatie met collaterale informatie – waaronder de veroordelingen ontucht plegen met iemand onder de 16 jaar en het plegen van zedenmisdrijven na een positief afgeronde TBS-behandeling – vragen oproept over het al dan niet bestaan van een seksuele stoornis. Hoewel wellicht niet pedofilie, kan het gedrag van betrokkene wel als seksueel deviant worden beschouwd. Terecht stellen de deskundigen dat, nu sprake is van een onvolledig beeld als gevolg van [verdachte] weigering om zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek, de diagnostische conclusies van 2008 en 2011 niet zomaar mogen worden overgenomen. Dat is ook niet wat de rechtbank doet, maar het staat de rechtbank wel vrij de bevindingen uit eerdere rapportages te betrekken in de gehele beoordeling van het onderhavige dossier waaruit is gebleken dat verdachte zich opnieuw – en gedurende een lange periode – schuldig heeft gemaakt aan dezelfde soort strafbare feiten als die waarvoor eerder rapportages zijn opgemaakt. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat door de verdediging de juistheid van de eerdere diagnoses met betrekking tot de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis niet heeft bestreden. De rechtbank stelt dan, gelet op de hiervoor genoemde oudere rapportages, de aard van de thans bewezen verklaarde feiten in combinatie met de delictpatronen uit het verleden en verdachte zijn ontkennende houding ten opzichte van die bewezenverklaarde feiten, vast dat verdachte nog steeds lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, namelijk een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Deze ziekelijke stoornis was naar het oordeel van de rechtbank ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten aanwezig. Gelet op dezelfde soort en aard van de bewezen verklaarde feiten als waarvoor verdachte eerder en meermalen is veroordeeld, en waarin seksueel misbruik van kwetsbare, jonge jongens een centrale rol speelt heeft de stoornis naar het oordeel van de rechtbank ook doorwerking gehad bij die gepleegde feiten. De rechtbank zal om die reden verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen. Strafkader Om er aan bij te dragen dat in dezelfde soort zaken een zelfde straf wordt opgelegd (rechtseenheid genoemd), heeft het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor verschillende strafbare feiten landelijke uitgangspunten (oriëntatiepunten genoemd) uitgewerkt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere feiten, waarbij het zwaartepunt in deze zaak ligt bij de bewezenverklaarde mensenhandel. In verband met het ontbreken van LOVS-oriëntatiepunten voor juist die feiten heeft de rechtbank bij de strafmaat gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, en in de straffen die voor dit soort feiten in soortgelijke situaties worden opgelegd. Zoals eerder vermeld zal de rechtbank er in het nadeel van [verdachte] rekening mee houden dat zijn rol als medepleger bij bepaalde mensenhandelfeiten groter was dan die van [medeverdachte] . Tot slot zal in de strafoplegging ten voordele van [verdachte] meewegen dat de rechtbank [verdachte] zal vrijspreken van drie aan hem tenlastegelegde feiten. Conclusie met betrekking tot de straf Gelet op al hetgeen hiervoor is overgewogen kan in dit geval niet worden volstaan met een andere straf dan oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Bij het opleggen van de duur van gevangenisstraf betrekt de rechtbank dat [verdachte] erbij gebaat is dat hij binnen een aanvaardbare termijn wordt behandeld. In hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht met betrekking tot de strafmaat ziet de rechtbank geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. De redelijke termijn is niet geschonden nu deze is gaan lopen op 1 april 2019 bij de aanhouding van verdachte. Maatregel De rechtbank is van oordeel dat de bij verdachte bestaande stoornis, mede gelet op de ernst van de gepleegde feiten en de veelvuldigheid aan veroordelingen ter zake (soortgelijke) misdrijven, zodanig is dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is de verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. De verdachte heeft, door in deze zaak te weigeren medewerking te verlenen aan het onderzoek naar zijn geestvermogens, iedere opening naar andere alternatieve, minder vergaande modaliteiten van beteugeling van het herhalingsgevaar onmogelijk gemaakt. Aan verdachte zal dan ook de TBS-maatregel worden opgelegd omdat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van die maatregel eist. In dat kader acht de rechtbank tekenend dat door de psychologe van het PBC wordt opgemerkt: “het grensoverschrijdende gedrag zit hem (ook) in het feit dat de jongens met wie betrokkene seksueel contact heeft, soms licht verstandelijk beperkt zijn of emotioneel onvolwassen zijn.” In eerdere rapportages werd het recidiverisico hoog geacht, wegens eerdere zedendelicten in combinatie met weinig zicht op het eigen functioneren en sterk externaliseren. Dat er bij verdachte nog steeds sprake is van een hoog recidiverisico ondanks de ondergane eerdere behandeling heeft (helaas) bevestiging gekregen in de bewezenverklaarde feiten. Gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert acht de rechtbank dwangverpleging noodzakelijk. De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten, feiten betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaren of meer is gesteld en dat daarmee ook in dat opzicht is voldaan is aan het vereiste van artikel 37a, eerste lid onder sub 1 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal bevelen dat [verdachte] van overheidswege zal worden verpleegd, daar het bewezenverklaarde misdrijven betreft die gevaar opleveren voor de lichamelijke integriteit van personen en de algemene veiligheid van personen of goederen die verpleging eist. Nu de maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, heeft dit gelet op artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht als gevolg dat deze maatregel niet gemaximeerd is en derhalve een periode van vier jaren te boven kan gaan. 9BENADEELDE PARTIJEN [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] EN [slachtoffer 4] In dit strafproces hebben zich nog 6 personen als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade en immateriële schade, die zij ten gevolge van het aan de verdachte ten laste gelegde hebben geleden. In de hieronder weergegeven tabel is achtereenvolgens weergegeven: de naam van de benadeelde partij, de gevorderde materiële schadevergoeding, de gevorderde immateriële schadevergoeding en het/de betreffende feit(en). Naam Materiële schade Immateriële schade Feit(
- en)[slachtoffer 1] € 3.530,- € 10.000,- 1 en 2 [slachtoffer 3] € 7.850,- € 10.000,- 5 [slachtoffer 7] € 1.250,- € 10.000,- 8 [slachtoffer 5] € 62.371,76 € 15.000,- 9 [slachtoffer 6] € 5.400,- € 10.000,- 10 [slachtoffer 4] € 6.630,- € 10.000,- 11 [slachtoffer 3] heeft naast de hierboven genoemde bedragen ook proceskosten gevorderd ten bedrage van € 136,02. [slachtoffer 5] heeft naast de hierboven genoemde bedragen als toekomstige schade een bedrag van € 89,99 aan nog te maken reiskosten en € 770,- aan eigen risico gevorderd. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen voldoende zijn onderbouwd en dat dit rechtstreekse schade betreft. Voor zover de vorderingen zien op het materiële deel (de afgedragen gelden), kunnen deze worden toegewezen overeenkomstig de bedragen genoemd in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel. De proceskosten in de zaak [slachtoffer 3] komen volgens de officier van justitie ook voor toewijzing in aanmerking. Wat betreft de immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd deze telkens toe te wijzen tot een bedrag van € 10.000,- en daarin niet te differentiëren. De officier van justitie heeft ten aanzien van de op te leggen schadevergoedingen gevorderd telkens de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f op te leggen. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd – dat indien bewezen is verklaard dat sprake is geweest van ‘medeplegen’ – de vorderingen hoofdelijk toe te wijzen. 9.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair, gelet op het gevoerde pleidooi tot vrijspraak op het standpunt gesteld dat die benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de vorderingen aanzienlijk te matigen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de benadeelde partijen al in de prostitutie werkten en er om die reden niet zonder meer sprake is van een causaal verband. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade Voor wat betreft de materiële schade stelt de rechtbank vast dat zij, zoals hiervoor reeds is vermeld, bewezen acht dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] . Met betrekking tot de materiële schade overweegt de rechtbank dat, nu een deugdelijke financiële administratie ontbreekt en de verdiensten op basis van de verklaringen niet duidelijk zijn geworden, de rechtbank de omzet zelf moet schatten en derhalve ook een schatting moet maken van het schadebedrag. De rechtbank zal bij deze stand van zaken uitgaan van de conservatieve berekeningen genoemd in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel. De aanpassingen die daarop gedaan zijn de volgende: Voor [slachtoffer 3] zal de rechtbank het geld van de proefdate á € 50,- afhalen, nu hij dit geld van verdachten heeft gehad. Voor [slachtoffer 4] klopt de optelsom gemaakt in het ontnemingsrapport niet, zodat de rechtbank van de juiste berekening uitgaat. Voor [slachtoffer 6] gaat de rechtbank niet uit van hetgeen in het ontnemingsrapport staat vermeld, maar wordt uitgegaan van zijn verklaring dat hij 10 á 15 euro per klant diende af staan. De rechtbank uitgaan van het gemiddelde van € 12,50 en komt dan uit op 54 x 12,50 = € 675,-. Dit betekent dat de rechtbank de vorderingen voor wat betreft het materiële deel zal toewijzen tot de volgende bedragen: € 1.300,- ( [slachtoffer 1] ); € 7.800,- ( [slachtoffer 3] ) + € 136,02 (diverse reiskosten) = € 7.936,02; € 1.250,- ( [slachtoffer 7] ); € 2.650,- ( [slachtoffer 5] ) + € 42,59 (reiskosten therapie) = € 2.692,59; € 675,- ( [slachtoffer 6] ) € 6.390,- ( [slachtoffer 4] ). De rechtbank zal de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Voor zover de gevorderde materiële schade van [slachtoffer 5] ziet op de opgelopen studievertraging, is de vraag of en in hoeverre tussen die studievertraging en het bewezen verklaarde feit een causaal verband bestaat. Het onderzoeken of en in hoeverre dit causaal verband bestaat vormt een te grote belasting voor het strafproces en wordt om die reden niet-ontvankelijk verklaard. Eveneens zal het deel van de materiële schade, bestaande uit toekomstige schade bestaande uit nog te maken reiskosten en nog te maken kosten eigen risico, niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor zover de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk is verklaard, geldt dat partijen dat deel desgewenst aan de orde kunnen stellen in een procedure bij de burgerlijke rechter. De door [slachtoffer 3] gevorderde ‘proceskosten’ ten bedrage van € 136,02 merkt de rechtbank aan als materiële schade. Nu dat bedrag voldoende is onderbouwd en niet is betwist door de verdediging wordt dit deel van de vordering als materiële schade toegewezen. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Deze toegewezen materiële schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. Nu de verdachte samen met zijn mededader aansprakelijk is voor deze door de benadeelde partijen geleden schade, zullen de genoemde bedragen hoofdelijk worden toegewezen conform artikel 6:102 BW, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf het einde van de bewezenverklaarde periode tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Immateriële schade De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. In het geval van mensenhandel, zoals bewezen verklaard in de zaken van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] brengen de aard en de ernst van de normschending mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De vorderingen lenen zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 10.000,- ( [slachtoffer 1] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ). Voor zover door de benadeelde partijen meer immateriële schade is gevorderd, wordt dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Nu de verdachte samen met zijn mededader aansprakelijk is voor deze door de benadeelde partijen geleden schade, zullen de genoemde bedragen hoofdelijk worden toegewezen conform artikel 6:102 BW, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf het einde van de bewezenverklaarde periode tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Schadevergoedingsmaatregel materiële en immateriële schadevergoeding Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank aan verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van de toegewezen bedragen, te vermeerderen met voornoemde wettelijke rente. Als door verdachte en/of zijn mededader niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met na te noemen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. 10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 56, 57, 285a, 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 11BESLISSING De rechtbank: Geldigheid dagvaarding - verklaart de dagvaarding geldig; Vrijspraak - verklaart het onder 4, 6 en 12 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart het onder 1, 2 3, 5, 7, 8, 9, 10 en 11 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het onder 1, 2, 3, 5, 7, 8, 9, 10 en 11 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaren; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Oplegging maatregel - gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd; Benadeelde partij [slachtoffer 1] wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 11.300,-; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 11.300,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2017 . tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 91 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [slachtoffer 3] wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van 17.936;- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2018 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 17.936,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2018 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 124 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [slachtoffer 7] wijst de vordering van [slachtoffer 7] toe tot een bedrag van € 11.250-; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 7] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2018 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 7] aan de Staat € 11.250 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2018 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 91 dagen gijzeling; - bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed; Benadeelde partij [slachtoffer 5] wijst de vordering van [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van € 12.692,59; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2018 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat € 12.692,59 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2018 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 98 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed. Benadeelde partij [slachtoffer 6] wijst de vordering van [slachtoffer 6] toe tot een bedrag van € 10.675,-; veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 6] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2019 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve v