RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/231171-18 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 28 januari 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1959] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] te [woonplaats] 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 januari 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer en van hetgeen verdachte en mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Eindhoven, en het slachtoffer [slachtoffer] naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte primair: op 31 oktober 2018 te Nieuwegein als bestuurder van een vrachtauto zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval op de weg A2 heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht dan wel zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair: op 31 oktober 2018 te Nieuwegein als bestuurder van een vrachtauto door zijn gedragingen op de weg A2 gevaar op de weg heeft veroorzaakt dan wel het verkeer heeft gehinderd. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het rijgedrag van verdachte als ‘aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend’ moet worden beschouwd voor wat betreft de mate van schuld van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Voor een black out van verdachte zijn te weinig aanknopingspunten. Wel zou sprake zijn geweest van ‘momentane onoplettendheid’. Het enkel over het hoofd zien van een op zich goed waarneembare verkeersdeelnemer is volgens de Hoge Raad onvoldoende om van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet te kunnen spreken. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde zou, aldus de raadsman, wel een veroordeling kunnen volgen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Bewijsmiddelen Het ongeval Op woensdag 31 oktober 2018, omstreeks 16:58 uur, vond een verkeersongeval plaats op de A2 te Nieuwegein. [verdachte] , bestuurder van een trekker met oplegger, rijdend over rijstrook 4 van de rijksweg A2, komende uit de richting van Vianen en gaande in de richting van Amsterdam/Den Haag, botste tegen de achterzijde van de Ford Fiesta, kenteken [kenteken] , bestuurd door [slachtoffer] . De rijbaan was verdeeld in 5 rijstroken. De rijstroken 1 t/m 3 waren bestemd voor het rechtdoor gaande verkeer. De rijstroken 4 en 5 waren bestemd voor het rechts afslaande verkeer. De bestuurder van voertuig 1 (de rechtbank begrijpt: verdachte) reed met zijn voertuig met hoge snelheid tegen de achterzijde van voertuig 2. Voertuig 2 stond stil of nagenoeg stil als laatste voertuig in een (nagenoeg) stilstaande file op rijstrook 4. Vervolgens bleef voertuig 1 door rijden en drukte voertuig 2 tegen voertuig 4. Voertuig 4 werd tegen voertuig 3 gedrukt. Voertuig 3 werd tegen voertuig 8 gedrukt. Vervolgens bleef voertuig 1 door rijden waarbij voertuig 2 gehaakt bleef. Beide voertuigen reden/gleden schuin naar links over de gehele rijbaan en kwamen na ongeveer 90-100 m verder tot stilstand tegen de geleiderails in de middenberm. De bestuurders van de voertuigen 5, 6 en 7 zijn voor de voertuigen 1 en 2 naar links uitgeweken. De voertuigen 5 en 6 werden daarbij nog geraakt door voertuig 1. Kennelijk remde de bestuurder van voertuig 1 niet, maar verminderde de snelheid geleidelijk, doordat voertuig 2 aan de voorzijde van voertuig 1 gehaakt bleef. Verbalisant [verbalisant] zag in de gegevens van tachograaf registratie van voertuig 1 vóór het tijdstip van de sterke snelheidsvermindering dat de snelheid van voertuig 1 gedurende ongeveer 1 minuut constant hoger lag dan 80 km/h. Hij zag dat de snelheid zelfs ongeveer 10 seconden 90-91 km/h was. Op de plaats van het incident gold een maximum toegestane snelheid van 50 km/h, aangegeven door de elektronische signaleringsborden op de portalen bij 66,68 en 66,13. Ongeveer 500 m voor de plaats van het incident (66,68) stonden de elektronische signaleringsborden ingesteld op “50” met knipperen. De bestuurder heeft zijn snelheid niet verminderd naar de maximum toegestane snelheid van 50 km/h. Vervolgens bleek nergens uit dat hij na de botsing met voertuig 2 getracht heeft zijn voertuig zo snel mogelijk tot stilstand te brengen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard: ‘Het klopt dat ik die dag een vrachtauto bestuurde, dat ik reed op de rijbaan die in het dossier rijbaan 4 wordt genoemd en dat ik tegen de auto van mevrouw [slachtoffer] ben gebotst. Ik kan niet verklaren hoe dat is gebeurd. Het kan kloppen dat ik harder dan 80 km/h reed. Ik herinner me nog wel dat ik de vrachtauto van [getuige 1] rechts passeerde.’ Getuige [getuige 1] heeft verklaard: ‘De matrixborden voor rijbanen vier en vijf stonden op 50. Ik zag dat het verkeer op rijbaan 4 zo goed als stil stond. Ik reed zelf ongeveer 70 kilometer per uur op de derde rijbaan. Ik zag ineens een vrachtwagen aankomen die mij van rechts inhaalde. Dit ging met een behoorlijke vaart. De bestuurder raakte de blauwe auto.’ Getuige [getuige 2] heeft verklaard: ‘Ik zag dat het verkeer op rijstrook 4 en 5 stil stond. Ik ben ook aangesloten. Ik stond ongeveer 6 a 7 seconden stil op rijstrook 4. Plotseling hoorde ik een harde knal. De klap moet van achteren gekomen zijn.’ De gevolgen Uit een geneeskundige verklaring blijkt het volgende: [slachtoffer] was opgenomen van 31-10-2018 tot en met 15-11-2018 op de Intensive Care & Medium Care Algemene & Acute Neurochirurgie voor het specialisme Neurochirurgie. Conclusie Hoog energetisch trauma 31-10 (auto versus vrachtwagen) met daarbij1. Multipele contusiehaarden cerebellair (de rechtbank begrijpt: (een) hersenkneuzing(en))2. Impressiefractuur occipitaal (de rechtbank begrijpt: een schedelfractuur)3. Carotis dissectie (de rechtbank begrijpt: een gescheurd bloedvat in de hals)4. Sinustrombose (de rechtbank begrijpt: trombose in de hersenen)5. Longcontusie (de rechtbank begrijpt: een longkneuzing)6. Perifere facialis parese (de rechtbank begrijpt: aangezichtsverlamming) 7. Gehoorverlies In een schriftelijke slachtofferverklaring van 12 januari 2021 schrijft [slachtoffer] : ‘Ik ben tot en met 14 december 2018 klinisch opgenomen geweest, vervolgens heb ik tot en met 8 maart 2019 poliklinisch gerevalideerd. Ik heb aan de aanrijding blijvend niet aangeboren hersenletsel overgehouden. Ik heb last van vermoeidheidsklachten, concentratieproblemen, mijn evenwicht en gehoor.’ 4.3.2 Bewijsoverweging In het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet dient te worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden, dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van artikel 6 van de Wegenverkeerswet houdt in, dat voor strafbaarheid tenminste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voor ‘schuld’ is dus meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en onoplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Met inachtneming van het hiervoor omschreven juridisch kader, overweegt de rechtbank ten aanzien van de schuld van verdachte als volgt. Er zijn geen aanwijzingen dat de file heel plotseling is ontstaan. Met matrixborden werd al 500 meter voor de locatie van het ongeval aangegeven dat de maximaal toegestane snelheid ter plaatse op dat moment 50 km/h was. Uit de verkeersongevalanalyse blijkt dat verdachte op het moment van de aanrijding met een snelheid hoger dan 80 km/h heeft gereden en dat hij niet heeft geremd, noch voorafgaand aan, noch tijdens de aanrijding. Het passeren van [getuige 1] weet verdachte zich nog te herinneren, zo blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting. [getuige 1] verklaart dat het verkeer op de rijbaan van verdachte op dat moment al zo goed als stil stond. Verdachte reed op dat moment al zeker een minuut harder dan 80 km/h. Alle voorwaarden om een aanrijding te veroorzaken (en niet meer te kunnen afwenden) waren op dat moment al geschapen. Verdachte reed op rijstrook vier. Volgens de getuigenverklaring van [getuige 2] stond het verkeer op die rijstrook al enige seconden stil. Verdachte is vervolgens op een zich recht voor hem bevindende, goed zichtbare, (nagenoeg) stilstaande auto gebotst. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het voorgaande - anders dan de verdediging heeft bepleit - niet gezegd worden dat enkel sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid of het enkel over het hoofd zien van een andere verkeersdeelnemer. Mede in aanmerking genomen dat verdachte een ervaren vrachtwagenchauffeur is, dat hij vanuit zijn hoge positie in de vrachtwagencabine een goed zicht had op de weg, alsmede dat hij zich in een (zware) vrachtauto voortbewoog over de snelweg die voor hem goed bekend is, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aanmerkelijke mate van onoplettendheid en onvoorzichtigheid. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende is komen vast te staan dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: op 31 oktober 2018 te Nieuwegein als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van eenmotorrijtuig (een vrachtauto), daarmee rijdende over de voor het openbaarverkeer openstaande weg, te weten de A2, komende uit de richting van Vianen engaande in de richting van Amsterdam/Den Haag, zich zodanig heeft gedragen dateen aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,- terwijl op de voor hem, verdachte, gelegen rijbaan van die A2 zich langzaam rijdende en/of stilstaande voertuigen bevonden (file), - onvoldoende acht te slaan op de voor hem, verdachte, gelegen rijbaan en het zich voor hem, verdachte, bevindende langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer op die rijbaan en- onvoldoende afstand te houden van het voor hem, verdachte, bevindende verkeer en- de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet zodanig aan te passen dat hij in staat was om zijn, verdachtes, motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg/rijbaan kon overzien en deze vrij was en- met onverminderde te hoge snelheid (ongeveer 83 km/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.