RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/2951 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2021 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: B. de Jong) en de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerlanden, verweerder. Procesverloop Op 8 februari 2020 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 61,
- In de uitspraak op bezwaar van 16 juli 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de Skypezitting van 29 januari
- De gemachtigde van eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerlanden [A] (verweerder) hebben deelgenomen aan de zitting. Met instemming van verweerder heeft de gemachtigde van eiser na sluiting van het onderzoek de op zitting getoonde foto alsnog aan de rechtbank verstrekt. Overwegingen
- Op 8 februari 2020 heeft eiser zijn auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan het [locatie] in [plaats] . Er geldt daar betaald parkeren. De auto stond geplaatst op een parkeervak met daarbij twee wielen op de trottoirband. Eiser heeft geen parkeerbelasting voldaan. Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Het bedrag bestaat uit € 0,90 naheffing parkeerbelasting en € 61,- boetekosten naheffing. Standpunten van partijen
- Eiser voert aan dat verweerder de naheffingsaanslag parkeerbelasting niet had mogen opleggen, omdat er geen sprake was van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet. Volgens eiser is er sprake van overtreding van artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), omdat zijn auto niet op de openbare weg, maar deels op een trottoirband stond. Er kan alleen een boete worden opgelegd op grond van de Wet Mulder.
- Volgens verweerder is de naheffingsaanslag terecht opgelegd, omdat eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan en er wel degelijk sprake was van parkeren. Eiser stond namelijk geparkeerd op een gefiscaliseerde parkeerplek. Voor zover eisers auto op de trottoirband zou staan, was dit slechts met een klein gedeelte. Misbruik van recht?
- Op zitting heeft de rechtbank de vraag aan de orde gesteld of sprake is van misbruik van de aan eiser toegekende bevoegdheid om beroep in te stellen bij de belastingrechter, omdat het de rechtbank gebleken is dat eiser bij de rechtbank en andere gerechten meerdere soortgelijke procedures aanhangig heeft gemaakt.
- De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd verklaard dat het klopt dat eiser doelbewust zijn auto deels op het trottoir heeft geparkeerd en een administratieve sanctie (verkeersboete) van € 95,- heeft geriskeerd, om zijn argument over het parkeren te kunnen aanvoeren zodra aan hem een naheffingsaanslag parkeerbelasting werd opgelegd. Hij is namelijk principieel van oordeel is dat geen sprake is van parkeren in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet. Eiser hoopt uiteindelijk te bereiken dat de Hoge Raad zijn standpunt bevestigt. Verder heeft de gemachtigde van eiser erop gewezen dat er zwaarwegende redenen aanwezig moeten zijn om misbruik van recht aan te nemen. Hiervan is geen sprake. Het aannemen van misbruik van recht zou niet rijmen met het inhoudelijk standpunt van verweerder over parkeren. Als verweerder namelijk vindt dat er sprake is van parkeren, dan moet eiser zich daar ook (in bezwaar en beroep) tegen kunnen verweren. Verweerder heeft laten weten dat hij in zijn voorbereiding voor de zitting heeft stilgestaan bij misbruik van recht, maar dat hij uiteindelijk ervoor heeft gekozen om het misbruik van recht niet in zijn verweerschrift aan de orde te stellen.
- De rechtbank heeft kennis genomen van de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 maart 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:1103), waarin de beroepen van eiser in soortgelijke zaken niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens misbruik van recht. De rechtbank ziet echter in deze enkele op zichzelf staande zaak onvoldoende grond om hiertoe over te gaan en zal het beroep hieronder inhoudelijk beoordelen. Inhoudelijke beoordeling
- Partijen zijn het erover eens en ook de rechtbank stelt op basis van de foto’s in het dossier vast dat eisers auto met het linker voor- en achterwiel op de trottoirband stond. Uit de foto’s blijkt namelijk dat eiser met zijn auto ook het parkeervak bezette. De auto stond namelijk voor het overgrote deel geparkeerd binnen het parkeervak. Hij heeft hiermee zijn auto op zodanige wijze geparkeerd dat het voor andere weggebruikers niet meer mogelijk was om nog van dit parkeervak gebruik te maken, zodat er sprake was van parkeren in de zin van de Gemeentewet. De rechtbank wordt in dit oordeel gesteund door de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:759). Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het belastbaar feit zich heeft voorgedaan, zodat eiser parkeerbelasting verschuldigd was. Nu vaststaat dat eiser de verschuldigde belasting niet heeft voldaan, heeft verweerder de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J. Naus, griffier. De beslissing is uitgesproken op 12 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.