← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:2434

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/155 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder (gemachtigde: mr. M. Kleijbeuker). Procesverloop In het besluit van 7 oktober 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiser een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) opgelegd. In het besluit van 30 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2021 via Skype for Business. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. Naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) heeft verweerder bepaald dat eiser een EMA moet volgen. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij vindt dat een lichtere maatregel (de zogenoemde LEMA), meer aangewezen is gezien zijn persoonlijke omstandigheden. Verder vindt eiser dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven vanwege de fouten die erin staan. De rechtbank vindt dat eiser procesbelang heeft bij het ingediende beroep. Hoewel eiser de EMA al betaald heeft, kan eiser met het beroep nog wel bereiken dat er een lichtere maatregel aan hem wordt opgelegd. De kosten voor deze lichtere maatregel zijn lager dan die van de EMA. Eiser heeft daarom belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 26 augustus 2020 met een alcoholgehalte van 495 ug/l in zijn bloed is aangehouden door de politie. Hij bestuurde op dat moment een snorfiets. Deze feiten blijken ook uit het proces-verbaal van diezelfde datum. Tussen partijen is evenmin in geschil dat deze feiten hebben geleid tot de melding als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw

  1. Op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 en artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid moet verweerder dan overgaan tot het opleggen van een EMA. Deze artikelen zijn dwingendrechtelijk geformuleerd, wat betekent dat er voor verweerder geen ruimte is om rekening te houden met de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden. De fouten die in het bestreden besluit staan, maken dit niet anders. Deze fouten zijn te betreuren, maar zoals verweerder heeft toegelicht zijn dit kennelijke verschrijvingen. Dit geldt ook voor de in het bestreden besluit opgenomen passage dat eiser een beginnend bestuurder is. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat het bij eiser aangetroffen alcoholpromillage ook het maximaal toegestane promillage voor ervaren bestuurders overstijgt. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat in het primaire besluit en in het proces-verbaal van de politie een en ander juist staat vermeld. In het bestreden besluit is bepaald dat het primaire besluit in stand wordt gelaten. Dat er fouten staan in het bestreden besluit maakt dan ook niet dat de geconstateerde feiten op 26 augustus 2020 anders zijn.
  2. Het beroep is ongegrond.
  3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 1 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. Griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.