RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/4728 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2021 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. L.A.M. van der Geld), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder(gemachtigde: R.W. van Manen). Procesverloop In het besluit van 16 december 2020 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een urgentieverklaring afgewezen. Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
- De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Spoedeisend belang
- De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek tot voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemprocedure niet. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
- Verzoeker heeft over het spoedeisend belang aangevoerd dat hij dakloos dreigt te worden. De verhuurder wil de woning aan de [adres] in [plaats] , waar verzoeker woont, uiterlijk op 30 april 2021 ontruimen omdat de woning verkocht gaat worden. Verzoeker kan nergens heen en zijn enige uitweg is een urgentieverklaring.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van spoedeisend belang. Verzoeker heeft op 6 januari 2021 bezwaar ingediend tegen het bestreden besluit. Verweerder moet daar volgens artikel 7:10, eerste lid, van de Awb binnen zes weken op beslissen, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Nu verzoeker pas op 30 april 2021 zijn huurwoning moet verlaten, valt niet in te zien dat de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden. Er is immers niet bij voorbaat gebleken dat verweerder niet binnen de wettelijke beslistermijn een beslissing op bezwaar zal nemen. Evident onrechtmatigheid
- Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden. Belangenafweging
- Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen. Conclusie
- Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 26 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.