RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Almere zaaknummer: 8541584 MC EXPL 20-3642 PM/45352 Vonnis van 23 juni 2021 inzake [eiser] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [eiser] , eisende partij, gemachtigde: Fazet B.V., tegen: 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] 2 [gedaagde sub 2] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [gedaagde sub 1] c.s., gedaagde partij, gemachtigde: mr. M.J. Jongste. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 28 april 2021; de akte uitlating van [eiser] . 1.
- Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
- In het tussenvonnis van 28 april 2021 (hierna: het tussenvonnis) is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over zijn bereidheid om nader bewijs te leveren van zijn stelling dat [gedaagde sub 1] c.s. niet de juiste sleutels heeft laten overhandigen. [eiser] heeft bij akte laten weten af te zien van de mogelijkheid om nader bewijs te leveren. Daarmee is niet vast komen te staan dat [gedaagde sub 1] c.s. de onjuiste sleutels heeft laten overhandigen, zodat de vordering van € 135,00 voor het vervangen van het slot niet toewijsbaar is. Ook de overige gevorderde herstel- en vervangingskosten (zie ro. 4.16 van het tussenvonnis) komen niet voor toewijzing in aanmerking. 2.
- Overeenkomstig het tussenvonnis (ro. 4.44.) luidt de slotsom als volgt. [gedaagde sub 1] c.s. dient aan [eiser] te voldoen € 2.195,21, zijnde de gematigde huur over de maanden mei, juni en juli 2020, vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf de eerste dag van die maanden tot de dag van de algehele voldoening. [eiser] dient aan [gedaagde sub 1] c.s. te voldoen € 731,73 zijnde de huurvermindering over de maanden februari t/m april 2021 en € 2.850,00 zijnde de waarborgsom. De vordering tot vergoeding van de wettelijke rente is door [gedaagde sub 1] c.s. niet onderbouwd en is daarom niet toewijsbaar. 2.
- Zoals reeds in het tussenvonnis onder 4.43 is overwogen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen. 3De beslissing De kantonrechter: in conventie, 3.
- veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van € 2.195,21 als gematigde huur voor de maanden mei, juni en juli 2020, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de eerste dag van die maanden tot de dag van de algehele voldoening; in reconventie, 3.
- veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde sub 1] c.s. van € 3.581,73; in conventie en in reconventie, 3.
- compenseert de proceskosten in die zin dat [eiser] en [gedaagde sub 1] c.s. ieder de eigen kosten dragen; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2021.