RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/3902-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2021 op het verzet van [opposant], te [woonplaats], opposant, (gemachtigden: mr. E.D. van Tellingen en A. [A]). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (verweerder) van 17 augustus
- In de uitspraak van 14 januari 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei
- Opposant is niet verschenen, zijn gemachtigden wel. Verweerder is met telefonisch bericht van verhindering niet verschenen. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 januari 2021 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant geen geldige reden had voor het te laat indienen van zijn beroepschrift. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 14 januari 2021 niet juist was.
- Tussen partijen is niet in geschil dat het beroepsschrift te laat is ingediend. Enkel de vraag of er sprake is van verschoonbaarheid van deze te late indiening is in geschil. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door opposant naar voren gebrachte omstandigheden, de medische situatie van opposant alsook zijn verblijf in Vietnam, niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van opposant, maar de rechtspraak hierover is heel streng. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat is de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, heeft beslist dat als iemand door zijn medische situatie niet in staat is om op tijd beroep te maken, van diegene kan worden verwacht dat hij iemand inschakelt die zijn belangen kan behartigen. Als iemand dat niet doet, komt dat voor zijn risico. Alleen in zeer bijzondere gevallen, als iemand aannemelijk kan maken dat hij geen mogelijkheid had om een belangenbehartiger in te schakelen, kan een uitzondering worden gemaakt. Ter zitting is duidelijk geworden de heer [A] de post van opposant heeft verzorgd en dat hij ook het besluit op 19 augustus 2020 heeft ontvangen. Dat de heer [A] opposant vervolgens niet kon bereiken om te overleggen over het instellen van beroep komt voor risico van opposant. De rechtbank onderschrijft dan ook rechtsoverweging 4 van de uitspraak van 14 januari
- De rechtbank heeft terecht besloten om de uitspraak van 14 januari 2021 op grond van artikel 8:54 van de Awb zonder een zitting te doen, omdat er geen twijfel over de uitkomst van de zaak was.
- Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 14 januari 2021 in stand blijft.
- Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.