RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/005082-21 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1993] te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek), thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (hierna: P.I.) Vught te Vught, hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 april 2021 (pro forma) en 24 juni 2021 (inhoudelijk). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1 op 1 januari 2021 te [plaats] heeft geprobeerd [slachtoffer 1] , al dan niet met voorbedachten rade, te doden (primair), dan wel [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (subsidiair), door hem meermalen malen met een mes, althans een dergelijk scherp (steek)voorwerp, in de rug te steken met een klaplong, waarvoor een drain is geplaatst, en/of een gebroken rib tot gevolg; feit 2 op 1 januari 2021 te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (primair), te weten (derdegraads) brandwonden op de borst en/of hals, althans het (boven)lichaam, door hete olie over het lichaam te gooien, dan wel een poging daartoe (subsidiair); feit 3 op 1 januari 2021 te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (primair), te weten oogletsel bestaande uit een te hoge oogdruk op de oogbolling en/of bloedingen in de oogbollen en/of een beschadiging aan de traanbuis, door met kracht met duimen in de ogen te drukken, dan wel een poging daartoe (subsidiair). 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft de officier onder meer naar voren gebracht dat er sprake is van ‘voorbedachte raad’. Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het oogletsel van de heer [slachtoffer 2] is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van de onder 1 primair, dan wel subsidiair en onder 2 primair, dan wel subsidiair ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’. De verdediging heeft hierbij verwezen naar het telefoongesprek dat verdachte voorafgaand aan het incident met zijn moeder had. Verdachte praatte tijdens dat telefoongesprek niet kalm en rustig, maar hij schreeuwde. Dat verdachte niet kalm en rustig was blijkt volgens de raadsman ook uit de camerabeelden, waarop te zien is dat hij onrustig heen en weer loopt. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat er geen stukken in het dossier zitten over het letsel van de heer [slachtoffer 2] , waardoor vrijspraak dient te volgen van het onder 3 primair ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak ten aan zien van feit 3 primair – geen zwaar lichamelijk letsel De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig aan te duiden. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank acht hierbij de verklaring van mr. Kubatsch, gemachtigde van beide slachtoffers, ter terechtzitting van belang. Uit deze verklaring valt af te leiden dat het oogletsel van [slachtoffer 2] is hersteld en dat hij inmiddels halve dagen werkt. Verder volgt uit het dossier dat medisch ingrijpen niet noodzakelijk is geweest. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het door de verdachte toegebrachte oogletsel bij [slachtoffer 2] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Verdachte zal daarom van het onder 3 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen feiten 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair De hierna weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten. Verklaring verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2021, zakelijk weergegeven: Die dag, 1 januari, had ik heel veel stemmen in mijn hoofd. Het ging niet goed met mij. Ik heb iets gedaan wat niet mag. Het is niet goed. U vraagt mij wat ik heb gedaan. Ik heb hete olie in het gezicht van die meneer gegooid en ik heb hem gestoken met een mes. Bij die andere meneer heb ik geprobeerd zijn ogen uit te krabben. Ik bedoel indrukken eigenlijk. (…) U houdt mij voor het telefoongesprek dat ik met mijn moeder heb gevoerd vanuit de P.I. U houdt mij voor dat ik in dat telefoongesprek tegen mijn moeder zeg: ‘Ik ga hem neersteken, ik ga hete olie gooien’. Ja, dat klopt wel ongeveer. Ik heb heel veel negatieve dingen gezegd tegen haar. U vraagt mij of het dus een plan was. Ja, maar ik heb heel veel gezegd. Ik ben fout geweest. U vraagt of ik heb gezegd: ‘Ik ga ze dood maken’? Ja, dat heb ik gezegd. Ik had een mes, een klein wit mes in mijn hand. Dat had ik geleend in de PI. U vraagt mij waarom ik dat mes had geleend. Om te doen wat er is gebeurd. Ik stak hem één of twee keer. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1]: Ik ben werkzaam bij de penitentiaire inrichting te [plaats] . Op 1 januari 2021 liep ik mijn zogenaamde “op leven checken" ronde. Een geschrift, te weten de letselrapportage Forensische Geneeskunde GGD regio Utrecht: Naam: [slachtoffer 1] Op het moment van onderzoek was de situatie van de klaplong de afgelopen tijd verslechterd. De inbreng van een borstdrain (kunststofslang) was daardoor noodzakelijk. Het letsel bestaat uit brandwonden, steekwonden en door het laatste tevens inwendig letsel in de zin van een klaplong en een ribbreuk. Beschrijving: Aan de voorzijde van het lichaam vanaf de onderzijde van de kin naar de rechteroksel via het midden van beide tepels richting linker schouder naar de nek een rode grillig gevormde huidverkleuring scherp begrensd. Soort: brandwond Toelichting: het betreft een verse tweedegraads brandwond, ontstaan door contact van de huid met een hete vloeistof. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2]: Die gedetineerde is op mij terecht gekomen. Hij pakte mijn hoofd vast en begon met zijn beide duimen mijn ogen in te drukken. Op de een of andere manier ben ik in de worsteling nog een keer onder hem terecht gekomen. Die gedetineerde had nog een hand vrij en ging vervolgens met zijn duim wederom mijn linkeroog indrukken. Ik ben senior penitentiaire inrichtingswerker op de reguliere gevangenisafdeling. Ik was gewoon senior die dag. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2]: Voornamen: [slachtoffer 2] Achternaam: [slachtoffer 2] Uitwendig waargenomen letsel: monocle hematoom links (de rechtbank begrijpt: een bloeduitstorting in/rond de oogkas) oedeem periorbitaal bdz (de rechtbank begrijpt: verdikking rond de ogen/oogleden beiderzijds). Contusio bulbi (de rechtbank begrijpt: oogkneuzing). Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] : De gesprekken die gevoerd waren op 1 januari 2021 door [verdachte] waren in het Spaans. Onderstaand betreft de uitwerking van de gesprekken door een vertaler. Gesprek 08775370 2021-01-01 13-24-47 | NN-vouw (mamma) met NN-man ( [naam] ) NN-man: ik ga die klootzak hete olie in zijn gezicht gooien en ik ga hem ook neersteken. Ik ga het nu doen. NN-man: Ik ga hem hete olie gooien, ik ga hem steken nu. NN-man: Ik ga hem ook gelijk steken. NN-man: En ik ga hem nu verbranden (opmerking tolk: betrokkene gebruikt het woord "quemar" wat letterlijk verbranden betekent. De figuurlijke betekenis van het woord is "doden"). NN-man: Mamma ik heb het me al ingeprent dat ik die klootzak ga dood maken. Met voorbedachten rade De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vrijspraak bepleit van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'met voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend. Tijdens het telefoongesprek dat verdachte voorafgaand aan het incident met zijn moeder had, heeft hij herhaaldelijk gezegd dat hij hete olie over die man ging gooien en hem ging neersteken. Ook heeft hij gezegd dat hij de man ging doodmaken. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij het mes in de P.I. had geleend om te doen wat hij heeft gedaan. Uit het telefoongesprek met zijn moeder en het lenen van het mes leidt de rechtbank af dat verdachte enige tijd voorafgaand aan het incident wist wat hij wilde doen. Hij heeft een mes geleend bij de P.I. met als doel het slachtoffer te doden door hem te steken. Uit het telefoongesprek met zijn moeder merkt de rechtbank voorts op dat verdachte niet alleen het plan had om het slachtoffer te doden door hem met een mes te steken, maar ook om hete olie tegen hem aan te gooien. Uiteindelijk heeft verdachte zijn voornemen ook uitgevoerd, in die zin dat hij heeft gedaan wat hij vooraf heeft aangegeven. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daden, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daden en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat de psychische conditie van verdachte op 1 januari 2021 zodanig slecht was, dat van beraad als hiervoor bedoeld, geen sprake meer is. Van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan is ook niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en zal verdachte dan ook veroordelen voor dit bestanddeel. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 1 primair op 1 januari 2021 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, - meerdere malen met een mes in de rug van die [slachtoffer 1] heeft gestoken (met een klaplong waarvoor een drain is geplaatst en een gebroken rib tot gevolg), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2 primair op 1 januari 2021 te [plaats] aan een ambtenaar, [slachtoffer 1] , gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten brandwonden op de borst en hals heeft toegebracht door hete olie op/tegen die [slachtoffer 1] te gooien; feit 3 subsidiair op 1 januari 2021 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, [slachtoffer 2] , gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen bovenop die [slachtoffer 2] is gaan zitten en (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en meerdere malen met de duimen,(met kracht) op/in de ogen van die [slachtoffer 2] heeft gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: feit 1 primair poging tot moord; feit 2 primair zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; feit 3 subsidiair poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Over verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt: een Pro Justitia rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum over verdachte van 29 juli 2020, uitgebracht door T.W.D.P. van Os, psychiater en P.E. Geurkink, GZ-psycholoog; een aanvullend rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum over verdachte van 14 april 2021, uitgebracht door T.W.D.P. van Os, psychiater en P.E. Geurkink, GZ-psycholoog. Het rapport van 29 juli 2020 is opgesteld in het kader van een andere strafzaak, waarbij verdachte werd verdacht van een poging tot zware mishandeling (subsidiair mishandeling) van een hem onbekend persoon, door deze persoon van de scooter te trekken en bij deze persoon met kracht de ogen in te drukken. Het rapport houdt onder meer het volgende in. Ondanks dat verdachte niet volledig meewerkte, was er voldoende informatie om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Er werd een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken en een lichte stoornis in gebruik van alcohol vastgesteld. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens had de gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed en had een doorwerking in het ten laste gelegde in die strafzaak gehad. De rapporteurs hebben geadviseerd verdachte het ten laste gelegde in die strafzaak in verminderde mate toe te rekenen. Op basis van de klinische indrukken en de analyse van de risicotaxatie instrumenten kon geconstateerd worden dat er bij verdachte sprake was van hoog risico op een agressief delict. Gezien de uitkomsten van het onderzoek waren rapporteurs van mening dat - ter voorkoming van recidive - een klinische behandeling in een gespecialiseerde gestructureerde forensische gesloten setting geïndiceerd was, gericht op personen met een lichte verstandelijke beperking. Op basis van de aard en ernst van de stoornissen, de complexiteit van de problematiek en de beperkte leerbaarheid werd ingeschat dat er een behandel/begeleidingstraject van jaren nodig was. Om zeker te weten dat een klinisch traject afgerond zou worden, met nadien een langdurig ambulant kader, adviseerden rapporteurs om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel) met dwangverpleging op te leggen. Een hoog beveiligingsniveau van een forensisch psychiatrisch centrum was noodzakelijk, zeker in het begin van de behandeling, omdat niet duidelijk was hoe hij kon reageren als hij onder druk kwam te staan, met andere woorden hoe hij zou reageren als zijn vermijdend gedrag doorbroken werd. Het rapport van 14 april 2021 houdt onder meer het volgende in. Er is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van een verstandelijke beperking, licht van ernst, een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken en een ziekelijke stoornis der geestvermogens in de zin van een stoornis gebruik van alcohol, licht van ernst. Deze gecombineerde psychopathologie was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde waarbij het onduidelijk is of betrokkene toen onder invloed was van middelen. De rapporteurs kunnen geen advies geven of verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate kan worden toegerekend, omdat verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek en rapporteurs hem derhalve niet hebben gesproken. Dat er bij verdachte sprake is van gecombineerde psychopathologie is volgens de rapporteurs duidelijk, maar een goede analyse van het ten laste gelegde is niet mogelijk nu veel onduidelijk is over de psychische conditie van verdachte en de situationele factoren ten tijde van het ten laste gelegde. Daarnaast is door een gebrek aan eigen onderzoek een goede risicoanalyse niet mogelijk. Wel stellen de rapporteurs vast, dat indien het huidige ten laste gelegde bewezen wordt geacht, er sprake is van recidive van ernstig geweldsincidenten met bizarre en berekenende componenten. De huidige ten laste gelegde feiten vertonen op sommige punten overeenkomsten met het ten laste gelegde waarvoor betrokkene ter onderzoek was opgenomen in het Pieter Baan Centrum in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.