RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/736 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser (gemachtigde: C. van Abbe), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder (gemachtigde: R. Janmaat). Procesverloop In de beschikking van 29 februari 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan het [adres 1] te [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 459.000,-- naar de waardepeildatum 1 januari
- Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 11 januari 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 2 juli
- Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [taxateur] , taxateur. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- De rechtbank geeft hiervoor de volgende uitleg.
- Eiser voert ter zitting aan dat er betere referenties zijn, zoals [adres 2] , die verkocht is na de waardepeildatum. Daarmee wordt een goed beeld van de markt gegeven. Met de gecorrigeerde verkoopcijfers van de referentiewoningen van verweerder, allen verkocht vóór de waardepeildatum, kan eiser de vastgestelde WOZ-waarde niet plaatsen.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de taxatiematrix, en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Uit de taxatiematrix blijkt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met drie referentiewoningen aan het [straat] , waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Zoals eiser ter zitting heeft bevestigd, is verweerder vrij in zijn keuze om referenties te kiezen om de WOZ-waarde te onderbouwen. Dat er in de ogen van eiser betere referentiewoningen zijn, zoals het [adres 2] , doet aan die keuzevrijheid niet af.
- De rechtbank oordeelt dat verweerder met de taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning door voor de woning de laagste prijs per vierkante meter (woningwaarde) te hanteren. Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt. Dat eiser de WOZ-waarde op basis van de gecorrigeerde verkoopcijfers van de referentiewoningen niet kan plaatsen, betekent niet dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. In de gecorrigeerde verkoopcijfers zijn immers nog niet de verschillen in kavel- en gebruiksoppervlak van de referentiewoningen verdisconteerd. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank dus niet tot een ander oordeel.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.