RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/380 en UTR 21/381 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2021 in de zaken tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. I.P.M. Boelens), en het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen, verweerder (gemachtigde: mr. V.V. Tuchkova) Procesverloop Bij besluit van 27 oktober 2020 (primair besluit 1) heeft verweerder eisers recht op bijstand beëindigd met ingang van 1 oktober
- Verder heeft verweerder het recht op bijstand over de periode van 1 september 2020 tot 1 oktober 2020 ingetrokken. Op 29 oktober 2020 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt een boete op te leggen en is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop zijn zienswijze te geven. Bij besluit van 2 november 2020 (primair besluit 2) heeft verweerder de verleende bijstand over de periode van 1 september 2020 tot 1 oktober 2020 tot een bedrag van € 1.006,08 van eiser teruggevorderd. Bij besluit van 18 november 2020 (primair besluit 3) heeft verweerder aan eiser een boete van € 502,04 opgelegd omdat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Bij besluit van 13 januari 2021 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit 1 en primair besluit 2 ongegrond verklaard. Bij besluit van eveneens 13 januari 2021 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit 3 ongegrond verklaard. Wel heeft verweerder aanleiding gezien te volstaan met het opleggen van een schriftelijke waarschuwing. Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep, gericht tegen bestreden besluit 1, staat bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer UTR 21/
- Het beroep, gericht tegen bestreden besluit 2, staat bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer UTR 21/
- Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 1 juni
- Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Overwegingen
- De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. UTR 21/381 – intrekking en terugvordering bijstand
- Door inwilliging van de nieuwe aanvraag om bijstand heeft eiser feitelijk onafgebroken bijstand gehad.
- Het procesbelang in deze zaak is daarom enkel nog gelegen in het verzoek om een vergoeding van de proceskosten in bezwaar.
- Er is alleen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in bezwaar op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als sprake is van een aan het bestuur te wijten onrechtmatigheid op grond waarvan het primaire besluit moet worden herroepen.
- In dit geval kon verweerder zich op het moment dat hij de primaire besluiten nam op het standpunt stellen dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht had geschonden. Verweerder had op 30 september 2020 informatie opgevraagd waarover eiser redelijkerwijs kon beschikken en die relevant was bij het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand. Verweerder heeft gevraagd om een bewijs van de Rabobankrekening op eisers naam en om informatie over eisers PayPal rekening. Anders dan eiser stelt, blijkt niet dat eiser voor 16 oktober 2020 gegevens over zijn PayPal rekening en zijn Rabobankrekening aan verweerder heeft overgelegd. Daarmee heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat bij het primaire besluit sprake is van een (aan verweerder te wijten) onrechtmatigheid. Er bestond voor verweerder dus ook geen aanleiding om de proceskosten in bezwaar te vergoeden. UTR 21/380 – de schriftelijke waarschuwing
- Nu er sprake is van schending van de inlichtingenverplichting door eiser en er geen benadelingsbedrag is, heeft verweerder op grond van de wet en zijn beleid de bevoegdheid een schriftelijke waarschuwing op te leggen. UTR 21/380 en UTR 21/381
- De beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.