RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/2532 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2021 in de zaak tussen [eiser] H.O.D.N. [bedrijf] , te [vestigingsplaats] , eiser (gemachtigde: mr. M. Koolhoven), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: M. van Mourik). Inleiding
- Eiser drijft een eenmanszaak. Op 21 april 2020 heeft hij bij verweerder een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW1.0).
- Met het besluit van 24 april 2020 (het primaire besluit) is de aanvraag voor een tegemoetkoming in de loonkosten afgewezen, omdat eiser geen loonkosten heeft gehad in de maanden januari 2020 en november
- Met het besluit van 26 mei 2020 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
- Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
- Op 24 juli 2020 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar (het bestreden besluit 2) genomen. In dit nieuwe besluit heeft verweerder besloten dat eiser mogelijk wel recht heeft op een tegemoetkoming bij de definitieve berekening, maar niet op een voorschot. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
- Het beroep is behandeld op de Skype-zitting van 6 november
- Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Namens eiser is [A] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiser. Het geschil
- Het gaat in deze zaak om de vraag of eiser in aanmerking komt voor een voorschot voor loonkostensubsidie op grond van de NOW1.
- Dit betreft de subsidieverlening. Het gaat in deze procedure dus niet over de subsidievaststelling.
- De partijen zijn het erover eens dat voor de loonkosten over januari 2020 aanvankelijk een nul-aangifte is gedaan en dat de correctieaangifte voor die maand na 15 maart 2020 is gedaan. Het geschil beperkt zich tot de vraag of de nul-aangifte voor januari 2020 van eiser gelijk moet worden gesteld met de situatie dat de loonsom niet bekend is, waardoor uitgegaan moet worden van de loonkosten in aangiftetijdvak november
- Beoordeling door de rechtbank Beoordelingskader
- Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Uit artikel 10, tweede lid, van de NOW1.0 volgt dat voor de berekening van de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening wordt uitgegaan van het loon over het eerste aangiftetijdvak van 2020, inhoudende januari. Indien er geen loongegevens zijn over dat tijdvak, wordt overeenkomstig het derde lid van dat artikel uitgegaan van het loon over november
- Op grond van artikel 10, vijfde lid, van de NOW1.0 worden de gegevens uit de loonaangifte van de werkgever beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 maart 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. Dit wordt ook wel de peildatum genoemd. Nieuwe besluitvorming
- Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 van 26 mei 2020 beroep ingesteld. Naar aanleiding van een wijziging van de NOW1.0 heeft verweerder tijdens de beroepsprocedure op 24 juli 2020 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarmee het bestreden besluit 1 is vervangen. Uit het bestreden besluit 2 volgt dat eiser nog steeds geen recht heeft op een voorschot, maar mogelijk een tegemoetkoming krijgt bij de definitieve berekening. Bij de vaststelling zal worden gekeken naar de loonsom in de maanden maart, april en mei
- De rechtbank overweegt dat aangezien het nieuwe besluit niet volledig tegemoet komt aan het beroep van eiser, het beroep van rechtswege mede is gericht tegen dit nieuwe besluit. Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Procesbelang bij het bestreden besluit 1 van 26 mei 2020
- De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit op bezwaar van 26 mei
- Het procesbelang is het belang dat eiser heeft bij de uitkomst van de procedure, dus wat hij in concreto met zijn beroep wil bereiken. De rechtbank stelt vast dat het nieuwe besluit op bezwaar van 24 juli 2020 in de plaats is gekomen van het besluit op bezwaar van 26 mei
- Eiser heeft niet gesteld dat hij nog belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar van 26 mei
- Hiervan is ook niet gebleken. De rechtbank verklaart het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk, vanwege het ontbreken van procesbelang. Beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit 2 van 24 juli 2020
- Eiser voert aan dat over januari 2020 geen loongegevens beschikbaar waren. Door een interne fout van de salarisadministrateur is een nul-aangifte gedaan voor de loonheffing in januari
- De aangifte loonheffing moet worden gedaan binnen een maand na afloop van de kalendermaand waarop deze betrekking heeft, dus uiterlijk 29 februari
- Eiser moest aan zijn wettelijke verplichting tegenover de Belastingdienst voldoen en heeft dit ook gedaan. De correctieaangifte is na 15 maart 2020 gedaan. Over de maand november 2019 waren echter wel gegevens beschikbaar. De aangifte voor de loonheffing van november 2019 is op 30 december 2019 gedaan. De voorschotberekening had daarom op de loongegevens van november 2019 gebaseerd moeten worden, omdat de nul-aangifte voor januari 2020 gelijk moet worden gesteld met de situatie dat de loonsom niet bekend is.
- Verweerder brengt naar voren dat alleen kan worden uitgeweken naar het tijdvak november 2019, indien er in het geheel geen loonaangifte over het tijdvak januari 2020 is gedaan. In het geval van eiser is wel aangifte over de maand januari 2020 gedaan, alleen was dit een nul-aangifte. Daarom is een voorschot van de NOW-regeling terecht afgewezen.
- De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de tekst van voornoemde bepalingen ziet de rechtbank geen aanleiding om het standpunt van eiser te volgen dat het doen van een nul-aangifte gelijkgesteld moet worden met het nalaten van het doen van loonaangifte en dat daarom moet worden uitgegaan van het loon over de maand november van het jaar
- Ook uit de toelichting bij de NOW1.0 volgt dat uit moet worden gegaan van de loongegevens zoals die op de peildatum beschikbaar zijn in de polisadministratie van verweerder. Alleen als er geen gegevens bekend zijn bij verweerder over januari 2020, mag uitgeweken worden naar november
- Daar is in deze zaak geen sprake van. Bij verweerder was ten tijde van de peildatum bekend dat eiser over het tijdvak januari 2020 een nul-aangifte heeft gedaan. Hoewel dat bij eiser kennelijk niet het geval was, kan een nul-aangifte ook betekenen dat er daadwerkelijk geen loonkosten waren in die maand. Een nul-aangifte kan daarom niet gelijk worden gesteld met de situatie dat de loonsom niet bekend is. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde verweerder daarom niet uit te gaan van de loongegevens van november
- Hoewel de rechtbank ziet dat het nadelig is voor eiser dat hij geen voorschot krijgt, is er naar haar oordeel in deze zaak geen aanleiding om anders te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie
- De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 van 26 mei 2020 niet- ontvankelijk. Omdat op de peildatum 15 maart 2020 een nul-aangifte bekend was, heeft verweerder het voorschot terecht op nul vastgesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 van 24 juli 2020 is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 van 26 mei 2020 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 van 24 juli 2020 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.A. Koeman, griffier. De beslissing is uitgesproken op 28 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Bijlage Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Artikel
- Berekening van de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening
- De hoogte van het bedrag van de subsidieverlening is de uitkomst van: A* x B* x 3 x 1,3 x 0,9 Hierbij staat: A* voor het percentage van de door de werkgever verwachte omzetdaling; B* voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met dien verstande dat het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan € 9.
- 2 Voor de loonsom, bedoeld in de omschrijving van de constante B*, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over het eerste aangiftetijdvak van het jaar 2020, met dien verstande dat indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent. 3 Indien er geen loongegevens zijn over het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgegaan van het loon over de maand november van het jaar
- Indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, wordt uitgegaan van het loon over het twaalfde aangiftetijdvak van het jaar 2019, waarbij de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent. 4 Indien er geen sprake is van een aangiftetijdvak van een maand of vier weken, wordt het loon per werknemer herleid naar een loon per aangiftetijdvak van een maand. 5 De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van constante B*, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 maart 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.