RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 20/2686 en UTR 19/5280 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2021 in de zaken tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres en Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. A.A. Wubs en J. Chattou). Procesverloop UTR 20/2686 In het besluit van 5 oktober 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder de zorgtoeslag van eiseres over belastingjaar 2017 definitief berekend. In het besluit van 23 januari 2021 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder procedurenummer UTR 20/2686 UTR 19/5280 In het besluit van 8 september 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder de zorgtoeslag van eiseres over belastingjaar 2016 definitief berekend. In het besluit van 23 januari 2021 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder procedurenummer UTR 19/
- De rechtbank heeft de beroepen op 22 juli 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen UTR 20/2686: berekeningsjaar 2017 Op de zitting is komen vast te staan dat het beroep van eiseres, anders dan verweerder veronderstelde, zich richt tegen de brief van verweerder van 6 december
- In deze brief is door verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij een betalingsachterstand heeft. Ten aanzien van de zorgtoeslag 2017 is daarin aangegeven dat het openstaande bedrag € 1.077,- bedraagt en dat er nog een bedrag à € 146,- aan openstaande kosten uitstaat. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het beroep van eiseres ontvankelijk is. De rechtbank oordeelt van niet. Allereerst is niet gebleken dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen deze brief. Verder is de rechtbank van oordeel dat er tegen deze brief geen mogelijkheid tot bezwaar of beroep openstaat, omdat de brief niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief is een feitelijke mededeling die niet op rechtsgevolg is gericht. De terugbetalingsverplichting is immers al eerder vastgesteld. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk zal beoordelen in deze uitspraak. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. UTR 19/5280: berekeningsjaar 2016
- Op de zitting is komen vast te staan dat het beroep van eiseres zich richt tegen het bestreden besluit II. In dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en omdat eiseres daarvoor geen verschoonbare reden heeft gegeven.
- De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep van eiseres ontvankelijk is. Het bestreden besluit II dateert van 23 januari
- Het beroep van eiseres is ingesteld op 13 december
- Dit is buiten de wettelijke beroepstermijn van zes weken. Eiseres heeft in haar brief van 5 augustus 2020 aangegeven dat de reden voor de late indiening is dat zij eerst documenten bij verweerder moest opvragen en dat dit lang duurde. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen verschoonbare reden. Zoals op de zitting ook aan eiseres is toegelicht had zij in dat geval pro forma beroep kunnen instellen. De gronden van beroep had zij dan op een later moment kunnen aanvullen.
- Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Ook dit beroep zal niet inhoudelijk worden beoordeeld in deze uitspraak.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat verweerder eiseres eerder duidelijkheid had kunnen geven over haar terugbetalingsverplichtingen en eiseres zich daardoor genoodzaakt zag beroep in te stellen, heeft verweerder wel ter zitting toegezegd de griffierechten van eiseres te zullen betalen. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 3 augustus 2021en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. De rechter is verhinderd Om de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.