RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Locatie: Utrecht Zaaknummer/rekestnummer: 525778 / HA RK 21-193 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 10 augustus 2021 op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van: [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , (verder te noemen: verzoekster). 1De procedure 1.
- Verzoekster heeft op 3 augustus 2021 ter zitting een verzoek ingediend tot wraking van mr. I.L. Gerrits, politierechter, in de zaak met parketnummer 16.218893-
- Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 1.
- De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling. 2De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek 2.
- Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Op grond van artikel 513 Sv moet het verzoek worden gemotiveerd en worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoekster bekend zijn geworden, en dienen alle feiten of omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. 2.
- Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verzoekster haar wrakingsverzoek niet heeft gemotiveerd en de zittingszaal direct na het indienen van haar wrakingsverzoek heeft verlaten. Uit het proces-verbaal van de zitting leidt de wrakingskamer af dat de politierechter verzoekster voor haar vertrek heeft verzocht om nog in de zittingszaal te blijven zodat in het proces-verbaal kon worden vastgelegd wat de reden van haar wrakingsverzoek was, maar dat verzoekster toch de zittingszaal verlaten heeft. De wrakingskamer leidt ook uit het proces-verbaal van de zitting af dat de politierechter daarna de bode nog aan verzoekster heeft laten vragen of zij wederom in de zittingzaal wilde verschijnen om alsnog de feiten en omstandigheden, waarop haar verzoek tot wraking was gegrond, te noemen, maar dat verzoekster daar geen gevolg aan gegeven heeft. Naar het oordeel van de wrakingskamer laat het voorgaande geen andere conclusie toe dan dat verzoekster er op dat moment welbewust voor gekozen heeft geen motivering van haar verzoek tot wraking te geven. Verzoekster heeft weliswaar op 5 augustus 2021 alsnog per e-mail een motivering van het verzoek aan de wrakingskamer doen toekomen, maar dat is gelet op het bepaalde in artikel 513, lid 1 jo lid 2, Sv te laat. Inmiddels waren sinds de zitting van 3 augustus 2021 twee dagen verstreken. De wrakingskamer zal die motivering dan ook buiten beschouwing laten en moet er bij de beoordeling van uit gaan dat het wrakingsverzoek van verzoekster ongemotiveerd is gebleven. Voor de wrakingskamer bestaat des meer aanleiding om in deze zin te beslissen, nu verzoekster haar motivering pas aan de wrakingskamer heeft toegezonden na het toezenden aan haar, verzoekster, van het proces-verbaal van de zitting van 3 augustus 2021, waarin staat dat verzoekster - zoals hiervoor omschreven – ondanks aandringen van de politierechter, haar wrakingsverzoek ongemotiveerd heeft gelaten. Nu met het ontbreken van een motivering van het wrakingsverzoek niet wordt voldaan aan het vereiste van artikel 513 lid 2 Sv is verzoekster niet ontvankelijk in haar wrakingsverzoek. 2.
- Op grond van paragraaf 2.4 sub 2c van het wrakingsprotocol van deze rechtbank kan een mondelinge behandeling van het verzoek daarom achterwege blijven. 3De beslissing De wrakingskamer: 3.
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek; 3.
- draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de rechter tegen wie het verzoek tot wraking is gericht, andere betrokken partijen, de voorzitter van het team strafrecht, waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank; 3.
- bepaalt dat de procedure met parketnummer 16.218893-16 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en mr. D. Wachter als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus
- de griffier de voorzitter is buiten staat de beslissing te ondertekenen Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. Te vinden op: https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Midden-Nederland/Regels-en-procedures/Paginas/default.aspx