RECHTBANK MIDDEN NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/2934 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2021 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. R.H. Bouwman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder Procesverloop In het besluit van 17 mei 2021 (primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiser ingetrokken met ingang van 6 mei 2021. Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Bij brief van 19 juli 2021 heeft de rechtbank aan de gemachtigde van verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang van deze zaak met nadere stukken te onderbouwen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Bij brief van 19 juli 2021 is daarom door de griffier gevraagd om nadere onderbouwing van de financiële situatie van verzoeker, waarbij is verzocht om kopieën van bankafschriften, kopieën van aanmaningen indien sprake is van schulden en eventuele stukken met betrekking tot huisuitzetting. Verzoeker heeft op deze brief niet gereageerd. Er is dus geen enkele onderbouwing van de gestelde financiële noodsituatie. De conclusie is daarom dat er geen enkel spoedeisend belang is. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Schuman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 20 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. de griffier is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.