vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Amersfoort zaaknummer / rolnummer: C/16/524912 / KG ZA 21-418 Vonnis in kort geding van 13 augustus 2021 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende te [woonplaats 1] , 2. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats 2] , eisers, advocaten mr. E.K. Ditvoorst en mr. J.H.N. Vogelsang, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde, advocaten mr. P.C.M. Ouwens en mr. S.A. Jansen. Partijen zullen hierna [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding, met producties genummerd 1 tot en met 15; de akte vermeerdering feitelijke grondslag van [eiser sub 1] c.s., met bijlage; de aan de zijde van [gedaagde] toegezonden producties, genummerd 1 tot en met 9; de aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. nagezonden producties, genummerd 16 tot en met 24; de pleitnota van [eiser sub 1] c.s.; de pleitnota van [gedaagde] . 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 10 augustus 2021. Bij de mondelinge behandeling waren de heer [eiser sub 1] en de heer [eiser sub 2] , bijgestaan door mr. [A] en mevrouw [B] , kantoorgenoot, niet zijnde advocaat, van mr. Vogelsang, aanwezig. Namens [gedaagde] was de heer [C] samen met mr. Ouwens en mr. Jansen aanwezig. Door en namens beide partijen zijn hun standpunten verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. In verband met het spoedeisend karakter van de zaak is op 13 augustus 2021 een verkort vonnis gewezen. Medegedeeld is dat de uitwerking - de gronden waarop de beslissing in dit vonnis berust - daarvan volgt op de normale vonnistermijn in kort geding. Het onderstaande is deze uitwerking. 2Het geschil Achtergrond 2.1. De onderhavige zaak vloeit voort uit een langlopend geschil tussen enerzijds [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) en anderzijds [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) Eiser sub 1 was tot 15 december 2015 bestuurder van [bedrijfsnaam 1] en eiser sub 2 tot 22 juni 2018. 2.2. Het geschil gaat – kort weergegeven – over het niet nakomen van betalingsafspraken door [bedrijfsnaam 2] en het overdragen van een octrooiaanvraag door [bedrijfsnaam 1] aan [bedrijfsnaam 2] . Vanaf 2007 zijn tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] (en later, na cessie, [gedaagde] ) hierover vele procedures gevoerd. De rechtbank Den Haag heeft in een vonnis van 15 juli 2015 [bedrijfsnaam 1] veroordeeld tot betaling van € 112.701,00. Het hof Den Haag heeft, na een door [gedaagde] ingesteld hoger beroep, bij arrest van 8 mei 2018 het vonnis van de rechtbank Den Haag vernietigd en geoordeeld dat [bedrijfsnaam 1] € 1.131.341,00 diende te betalen aan [gedaagde] . 2.3. Na het arrest van 8 mei 2018 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser sub 1] c.s. diverse conservatoire beslagen gelegd. In opdracht van [eiser sub 1] c.s. is vervolgens door Van Lanschot N.V. op 27 september 2019 ten behoeve van [gedaagde] een bankgarantie verstrekt voor een bedrag van € 1.375.970,00. 2.4. Nadat was gebleken dat [bedrijfsnaam 1] geen verhaal bood is [gedaagde] een procedure tegen [eiser sub 1] c.s. begonnen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 29 juni 2021 (hierna: het arrest) waarin [eiser sub 1] c.s. is veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van € 323.708,81. [gedaagde] is overgegaan tot tenuitvoerlegging van het arrest. 2.5. Beide partijen zijn voornemens tegen het arrest cassatie in te stellen. Standpunt en vordering van [eiser sub 1] c.s. 2.6. [eiser sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] geen gerechtvaardigd belang heeft om tot tenuitvoerlegging van het arrest over te gaan. [eiser sub 1] c.s. voert in dat verband aan dat door hem aan [gedaagde] een bankgarantie is verstrekt voor een bedrag van € 1.375.970,00. De bankgarantie is geldig voor de duur van 10 jaar en kan vervolgens artikel 5 van de garantie worden verlengd door (de advocaat van) [gedaagde] indien daartoe aanleiding is. Met deze bankgarantie heeft [gedaagde] zekerheid dat bij een kracht van gewijsde gegane uitspraak (of overeenkomst tussen partijen) zij op eerste verzoek aanspraak kan maken op betaling uit hoofde van de bankgarantie tot het daarin genoemde maximum bedrag. 2.7. [eiser sub 1] c.s. stelt dat er bovendien sprake is van een wezenlijk restitutierisico aan de zijde van [gedaagde] . De bedoeling van de bankgarantie was daarom volgens [eiser sub 1] c.s. niet alleen om zekerheid te geven voor uitbetaling op het moment van een kracht van gewijsde gegane uitspraak, maar ook om een restitutierisico voor [eiser sub 1] c.s. te voorkomen. 2.8. [eiser sub 1] c.s. heeft verder aangevoerd dat de bankgarantie destijds is verstrekt ter opheffing van door [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen en ter voorkoming van het leggen van verdere beslagen. Volgens [eiser sub 1] c.s. is tijdens de tussen partijen gevoerde onderhandelingen over de bankgarantie ook gesproken over de executoriale fase en het feit dat de bankgarantie ook is bedoeld als zekerheid in die fase. [eiser sub 1] c.s. stelt dat [gedaagde] met die wetenschap de bankgarantie heeft aanvaard. Nu er nog geen sprake is van een onherroepelijke uitspraak en [eiser sub 1] c.s. heeft aangegeven in cassatie te gaan tegen het arrest, dient [gedaagde] volgens [eiser sub 1] c.s. de executie te staken tot het moment er definitief op de vordering zal zijn beslist. 2.9. [eiser sub 1] c.s. stelt voorts dat de tenuitvoerlegging van het arrest moet worden geschorst omdat het oordeel van het hof is gebaseerd op een kennelijke misslag. [eiser sub 1] c.s. voert in dat verband aan dat het hof ten onterechte door [eiser sub 1] c.s. aangeboden bewijs heeft gepasseerd en eveneens ten onterechte de bewijslast heeft omgekeerd. Daarnaast heeft het hof volgens [eiser sub 1] c.s. op een onjuiste grondslag hem hoofdelijk veroordeeld tot betaling van genoemd bedrag aan [gedaagde] en is er door het hof een rekenfout gemaakt. 2.10. Gezien het voorgaande vordert [eiser sub 1] c.s. – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair, de executie van het arrest en de reeds door [gedaagde] gelegde executoriale beslagen schorst, en subsidiair, voor zover de executie niet wordt geschorst, [gedaagde] gebiedt om tegenover betaling door [eiser sub 1] c.s. van het bij het arrest toegewezen bedrag deugdelijke zekerheid te verstrekken aan [eiser sub 1] c.s. in de vorm van bankgarantie door een Nederlandse grootbank, op straffe van een dwangsom van € 400.000,00 en met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten vermeerderd met de wettelijke rente. 2.11. [eiser sub 1] c.s. grondt zijn spoedeisend belang daarop dat [gedaagde] het arrest heeft betekend en is begonnen met de tenuitvoerlegging daarvan zonder dat [gedaagde] , ondanks het aanwezige restitutierisico, bereid is een contragarantie te verstrekken. Standpunt en verweer van [gedaagde] 2.12. [gedaagde] stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat nimmer tussen partijen is overeengekomen dat een uitvoer bij voorraad verklaard arrest niet ten uitvoer zou mogen worden gelegd en dat het [gedaagde] niet is toegestaan om nieuwe executoriale beslagen te leggen. Volgens [gedaagde] volgt het resultaat van de onderhandelingen tussen partijen uit de considerans van de bankgarantie, waarin staat dat de garantie is gesteld ter opheffing van reeds gelegde en voorkoming van nieuwe conservatoire beslagen. [gedaagde] stelt voorts dat het feit dat zij beschikt over een bankgarantie niet maakt dat zij geen belang heeft bij de tenuitvoerlegging van het Arrest. De bankgarantie stelt [gedaagde] namelijk niet nu in de gelegenheid om vrijelijk over de haar toekomende gelden te beschikken, terwijl het uitwinnen van executoriale beslagen dat wel doet. Volgens [gedaagde] is het van belang dat zij op korte termijn over deze gelden kan beschikken omdat door de gedragingen van [eiser sub 1] c.s. haar investeringsmogelijkheden grotendeels zijn weggenomen. Zij wenst de gelden aan te wenden voor de aanschaf van klassieke auto’s om deze vervolgens op te knappen en met winst te verkopen. Iets dat nu niet mogelijk is omdat het haar aan investeringsvermogen ontbreekt. [gedaagde] betwist dat er sprake is van een restitutierisico. Voor zover de door [gedaagde] genomen en te nemen executiemaatregelen tot onherroepelijke rechtsgevolgen zouden leiden is dat volgens [gedaagde] een uitvloeisel van het systeem dat een uitvoer bij voorraad verklaarde uitspraak in beginsel ten uitvoer kan worden gelegd. Gezien het voorgaande dient een belangenafweging volgens [gedaagde] in haar voordeel uit te vallen. Voorts is er volgens [gedaagde] geen sprake van een kennelijke misslag in het arrest. De door [eiser sub 1] c.s. aangevoerde bezwaren behoren volgens [gedaagde] thuis in een cassatieprocedure. Van een evidente fout is volgens haar geen sprake. Nu aan de subsidiaire vordering tot zekerheidsstelling dezelfde belangenafweging ten grondslag ligt, en volgens [gedaagde] die belangenafweging in haar voordeel uitvalt, concludeert [gedaagde] tot afwijzing van de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. 3De beoordeling Spoedeisend belang 3.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de gevraagde voorziening. Dit wordt ook niet als zodanig door [gedaagde] betwist. Het toetsingskader 3.2. In dit kort geding wordt gevorderd de executie van het arrest te schorsen. Voorheen gold voor een dergelijke vordering op grond van Hoge Raad 22 april 1983 (ECLI:NL:HR:1983:AG4575) als toetsingskader dat schorsing slechts aan de orde kon zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berustte of als de executie op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand deed ontstaan. Sinds het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) geldt in een executiegeschil ex artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) het volgende: a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.