← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:4218

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/4781-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2021 op het verzet van de staatssecretaris van Defensie, te Den Haag, opposante, (gemachtigde: mr. M. Wellenberg). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde van 17 november

  1. In de uitspraak van 11 maart 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Overwegingen
  2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 maart 2021 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het griffierecht niet (tijdig) heeft voldaan. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  3. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 11 maart 2021 niet juist was.
  4. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 11 maart 2021 niet juist omdat zij het griffierecht van € 360,- op 16 februari 2021 heeft betaald. Met de aangetekende brief van 21 februari 2021 ontving opposante een nieuwe nota met het verzoek om het griffierecht te betalen van € 354,-, omdat de rechtbank in de nota van 10 januari 2021 ten onrechte een bedrag van € 360,- had genoemd. Omdat dit bedrag reeds was betaald op 16 februari 2021 verkeerde opposante in de veronderstelling dat de rechtbank het teveel betaalde bedrag aan griffierecht van € 6,- zou verrekenen.
  5. De rechtbank volgt opposante in haar standpunt dat zij het griffierecht tijdig heeft voldaan. Uit intern onderzoek is inderdaad gebleken dat de rechtbank het griffierecht van € 360,- op 17 februari 2021 heeft ontvangen. De rechtbank licht in dit verband toe dat vaste werkwijze van de rechtbank is om een foutief geïnd bedrag terug te storten aan de eisende partij en opnieuw vervolgens opnieuw het juiste griffierecht bedrag te innen. Opposante is hier ook op gewezen in de brief van 18 februari
  6. Desondanks begrijpt de rechtbank dat dit verwarring heeft opgewekt bij opposante en dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de rechtbank het teveel betaalde bedrag van € 6,- zou verrekenen.
  7. Dit betekent dat opposante hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 11 maart 2021 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb).
  8. De rechtbank zal opposante opnieuw in de gelegenheid stellen om het griffierecht van € 354,- te voldoen. Opposante krijgt hierover nog bericht. Het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
  9. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposante. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is uitgesproken op 24 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.