RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/216247-20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 27 juli 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1993] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , thans gedetineerd in de [verblijfplaats] te [plaatsnaam 1] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 december en 21 december 2020 en 15 maart, 1 juni en 13 juli 2021. De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 juli 2021. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Lobregt en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.A.W. Knoester, advocaat te Den Haag, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer] en haar raadsvrouw mr. A.Y. Bleeker, advocaat te Amersfoort, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Op 26 augustus 2020 te Amersfoort [slachtoffer] heeft verkracht. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het verweer van de raadsman heeft zich met name gericht op de strafmaat: de persoon van verdachte en de toestand waarin hij verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Aangifte Op 26 augustus 2020 omstreeks 11.30 uur ben ik in mijn eigen huis, aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] te [plaatsnaam 2] , verkracht door mijn buurman van nummer [nummeraanduiding 2] . Ik verwachtte een pakketje. Ik hoorde de bel en deed de deur open. De buurman stond er. Hij duwde de deur naar binnen en duwde mij naar binnen. Hij zei: ik wil dat je de politie belt en zegt dat je verkracht bent. Mijn telefoon lag in het slaapgedeelte van mijn studio en ik wilde mijn wachtwoord invoeren. Hij was achter mij aan gegaan, hij pakte de telefoon uit mijn hand en gooide deze op bed. Hij zei: ik ga je toch verkrachten. Op dat moment zei hij dat ik mijn kleren uit moest trekken. Hij raakte mijn borsten aan en hij vroeg of ik zijn geslachtsdeel aan wilde raken. Die was stijf en stond naar voren. Hij had een mes bij zich, een lang keukenmes, met plastic-achtig handvat. Toen moest ik op bed gaan liggen en toen heeft hij mij verkracht, door zijn geslachtsorgaan bij mij naar binnen te brengen. Ik moest mijn benen wijd doen, zei hij, anders kon hij er niet bij. Hij zei dat als ik echt niet meewerkte, dat hij mij dan zou doodsteken. Toen hij klaar was, riep hij: wat heb ik gedaan. Overal zat bloed, ook op bed. Toen we bij het bed stonden, trok hij zijn broek en onderbroek uit. Het mes had hij de hele tijd in zijn rechterhand. Hij zei dat ik op bed moest liggen en mijn benen wijd moest houden. Hij kwam ook op bed en deed zijn geslachtsdeel met veel kracht bij mij naar binnen, dat deed heel veel zeer. Hij deed het echt heel bruut. Hij ging met zijn penis in mijn vagina, met kracht. Hij zei af en toe: werk mee! Hij bedreigde mij dat als ik niet meewerkte, hij mij dan zou neersteken. Hij zei dat toen het niet zo soepel verliep. Hij heeft dat wel drie keer gezegd. Bevindingen politie Wij, verbalisanten, kregen de opdracht te gaan naar de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] te [plaatsnaam 2] . Aldaar zou meldster verkracht zijn door haar buurman. Wij liepen de centrale toegangshal in waar zich twee liften en het trappenhuis bevinden. Ik, verbalisant, hoorde dat de deuren van de rechter lift open gingen. Ik zag een manspersoon de lift uitlopen. Ik zag de man ons aankijken. Ik hoorde hem zeggen: 'Je moet mij hebben'. Ik hoorde de man vervolgens zeggen: 'Het mes ligt in mijn woning'. We hebben de man aangehouden. De man, verdachte, bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [1993] . Verklaring getuige [getuige] (zus aangeefster) Toen vertelde zij dat hij een mes bij zich had. Dat hij had gedreigd om haar dood te maken als zij niet zou meewerken. Verklaring verdachte Ik heb bij haar aangebeld. Ik heb haar naar binnen geduwd. Ik heb gezegd dat ze haar telefoon moest pakken, de politie moest bellen en moest zeggen dat ik haar had verkracht. Ik heb haar telefoon uit haar handen gepakt. Ik heb gezegd dat ze op bed moest gaan liggen. Ik had een mes in mijn hand. Ik heb mijn broek laten zakken. Ik ben met mijn penis in haar vagina gegaan. Bewijsoverweging Verdachte heeft bekend dat hij aangeefster heeft verkracht, maar hij heeft specifieke onderdelen uit de aangifte ontkend. Zo zou hij niet gezegd hebben: “ik ga je toch verkrachten”. Ook zou hij niet gezegd hebben dat aangeefster zich uit moest kleden en dat zij zijn penis moest aanraken. Voorts zou hij haar niet bedreigd hebben met de dood. De rechtbank overweegt als volgt. De door aangeefster afgelegde verklaringen over hetgeen is voorgevallen zijn consistent. Bij de 112-melding, het informatieve gesprek bij de politie en bij de aangifte heeft zij steeds hetzelfde verklaard. Daarnaast zijn haar verklaringen concreet en zeer gedetailleerd. Ook worden haar verklaringen ondersteund door de verklaring van de zus van aangeefster bij wie zij als één van de eersten haar verhaal heeft gedaan. De rechtbank heeft dan ook geen enkele twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en zal om die reden uitgaan van de volledige lezing van aangeefster. Daarbij komt dat verdachte de essentiële onderdelen van de tenlastelegging heeft bekend en wisselend is in zijn verklaring over de details en ter terechtzitting ook heeft gezegd dat hij het op sommige punten niet meer precies weet. Conclusie Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: op 26 augustus 2020 te [plaatsnaam 2] door geweld en bedreiging met geweld, te weten - het aanbellen bij de voordeur van de woning van [slachtoffer] en - het duwen tegen die [slachtoffer] en de voordeur en - het tegen die [slachtoffer] zeggen "Pak je telefoon, bel de politie en zeg dat ik je heb verkracht" en - het uit de hand pakken van de telefoon van die [slachtoffer] en - het zeggen tegen die [slachtoffer] dat hij, verdachte, haar toch wel zou verkrachten en - zijn, verdachtes, broek heeft laten zakken en tegen die [slachtoffer] zeggen dat zij zijn, verdachtes, geslachtsdeel moest aanraken en - het vasthouden van een mes door hem, verdachte, en - het tegen die [slachtoffer] zeggen dat zij haar kleren uit moest doen en op bed moest gaan liggen en - het tegen die [slachtoffer] zeggen dat zij haar benen wijd moest doen en - het tegen die [slachtoffer] zeggen dat als zij niet meewerkte hij, verdachte, haar dood zou maken, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] . Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: Verkrachting 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot: - een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest; en - oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging). 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft de rechtbank primair verzocht aan verdachte geen tbs op te leggen. Mocht de rechtbank tbs met voorwaarden opleggen dan verzoekt de verdediging deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De raadsman voert aan dat weliswaar sprake is van een stoornis die aanwezig was ten tijde van het delict, maar dat de vraag is in hoeverre er daadwerkelijk een verband bestaat tussen die stoornis en het delict, aangezien de stoornis slechts te koppelen is aan geweldsdelicten (die verdachte in het verleden heeft gepleegd) en niet aan zedendelicten, zoals het onderhavige feit. In deze zaak is onvoldoende duidelijkheid over de doorwerking van de stoornis in het delict, zodat de ondergrens voor de oplegging van tbs (met dwangverpleging) daarmee niet is gehaald. Bovendien is het zo dat de motivatie van verdachte om mee te werken aan in te zetten hulpverlening nu anders dan in het verleden: hij heeft immers ook volledig meegewerkt in het [locatie] . Verdachte heeft ook niet eerder hulp ontvangen in een stevig kader. Voorts stelt de raadsman dat de eis van de officier van justitie te fors is door zowel tbs te vorderen als een lange gevangenisstraf. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf/maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn buurvrouw door bij haar op klaarlichte dag aan te bellen, haar naar binnen te duwen en haar vervolgens onder bedreiging van een mes te verkrachten (binnendringen met zijn penis in haar vagina) in haar eigen woning op haar eigen bed. Verdachte heeft hierbij bedreigende woorden gezegd, waaronder dat hij haar zou doodsteken als zij niet mee zou werken. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. In het algemeen wordt door slachtoffers van zedendelicten een dergelijke ervaring als zeer ingrijpend ervaren en brengt dat nadelige psychische gevolgen van lange duur met zich mee. Ook in deze zaak is sprake van een grote impact van het feit op aangeefster. Dit blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Aangeefster ondervindt nog dagelijks angstgevoelens en is in haar vertrouwen geschaad doordat een buurman haar heeft verkracht, maar ook omdat zij als gevolg van deze verkrachting is ontmaagd, terwijl zij gelet op haar geloofsovertuiging het verliezen van haar maagdelijkheid wilde bewaren voor het huwelijk. Haar leven is door deze ervaring veranderd. Niet alleen door de verkrachting zelf, maar ook door de gevolgen en beslissingen die zij kort daarna als gevolg van de verkrachting heeft moeten nemen, zoals het slikken van zware medicatie tegen eventuele geslachtsziekten en het nemen van de morning after pil. Verdachte heeft de belangen van aangeefster volledig veronachtzaamd en slechts oog gehad voor zijn eigen (seksuele) behoeften. De persoon van verdachte Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 oktober 2020 waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar niet voor een soortgelijk feit. Wel heeft verdachte eerder geweldsdelicten gepleegd. De rechtbank houdt hiermee in strafverzwarende zin rekening. De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportage (NIFPP, locatie [locatie] ) van 4 juni 2021, opgemaakt door I.W.J. ten Post, GZ-psycholoog en P.K.J. Ronhaar, psychiater. De rapporteurs beschrijven dat verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek, maar dat de indruk bestaat dat hij niet het achterste van zijn tong heeft laten zien. In het onderzoek is gebleken dat verdachte - als hij de ruimte krijgt en zich veilig voelt - zich kan presenteren als een vriendelijke en soms wat onzekere, eventueel angstige jongeman die ook compassie kan oproepen als hij vertelt wat hij in zijn jeugd heeft meegemaakt. Als verdachte zich echter aangevallen of bekritiseerd voelt, neigt hij naar ontkennen, bagatelliseren en externaliseren, terwijl dan ook meer dwingende, krenkbare, achterdochtige en (passief-)agressieve kanten zichtbaar kunnen worden. Hij komt daardoor snel in conflicten met anderen. Onder druk en bij tegenslagen geeft hij snel blijk van een beperkte emotie-, impuls- en agressieregulatie en heeft hij weinig oog voor wat hij bij anderen teweeg brengt; zijn empathische vermogens zijn beperkt. Het voorgaande wijst op een ernstige persoonlijkheidsstoornis met - in willekeurige volgorde - antisociale, borderline en narcistische kenmerken. Naast de persoonlijkheidsstoornis is ook sprake van een matig ernstige stoornis in het gebruik van cannabis, welke stoornis momenteel - door de gereguleerde omstandigheden - in remissie is. Vanwege de nadrukkelijke doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis in het ten laste gelegde adviseren de deskundigen dit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Zijn stoornis is van een zodanig aard en omvang dat er geen aanleiding is om daarvan geen of slechts een minimale invloed te veronderstellen: verdachte kan zich er niet aan onttrekken als hij wordt geconfronteerd met voor hem ongewenste en/of stressvolle omstandigheden en hij zelf tot passende oplossingen moet komen. Omgekeerd zijn er bij het ten laste gelegde geen aanwijzingen voor vertekening van de realiteit of van psychotische symptomen, zodat ook een sterkere mate van vermindering, of eventueel het niet toerekenen niet wordt geadviseerd. De kans op herhaling van (seksueel) gewelddadig gedrag wordt klinisch als hoog beoordeeld, waarbij het gevaar op korte termijn kan ontstaan indien betrokkene onbehandeld terugkeert naar de situatie van voor zijn aanhouding. Betrokkene heeft zijn leven nog geenszins op orde: hij heeft geen werk of vaste dagbesteding, geen huisvesting en geen sociale en maatschappelijke inbedding. Tegelijkertijd is de persoonlijkheidsstoornis nog onbehandeld. Om het hoge recidivegevaar op ernstig agressief handelen te doen verminderen heeft betrokkene een intensieve en langdurige klinische behandeling nodig van zijn ernstige persoonlijkheidsstoornis. De deskundigen adviseren de behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege. Een behandeling middels een tbs met voorwaarden is naar mening van de deskundigen gedoemd te mislukken, omdat verdachte onvoldoende doordrongen is van de noodzaak tot behandeling en hij zich - vanwege de aard van zijn pathologie - zal gaan verzetten en ageren tegen de behandeling als hij het tijdens de behandeling moeilijk krijgt. De duur en de intensiteit van de benodigde behandeling en de zorgvuldige, goed gemonitorde resocialisatie kunnen alleen goed worden vormgegeven binnen het kader van een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege. Psychiater Ronhaar heeft ter zitting op vragen van de raadsman van verdachte over de doorwerking van de stoornissen in dit specifieke zedendelict het volgende meegedeeld. Uit de bij verdachte vastgestelde stoornissen volgt een bepaalde grilligheid en impulsiviteit als uiting van frustratie, woede en machteloosheid waardoor verdachte komt tot allerlei feiten die van tevoren niet steeds duidelijk zijn. Weliswaar volgt uit deze stoornissen niet automatisch dat iemand een zedendelict gaat plegen, maar in het geval van verdachte bestaat bij verhoogde stress het risico dat hij iets onvoorspelbaars gaat doen, zoals het plegen van een zedendelict. Om dit goed te kunnen begrijpen is meer inzicht nodig in de persoon van verdachte. De rechtbank neemt deze overwegingen en conclusies over en maakt die tot de hare. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsrapport van 25 juni 2021, opgemaakt door [A] , reclasseringswerker. Uit dit rapport volgt onder meer dat verdachte het afgelopen jaar een toezicht heeft gehad bij [naam instelling] in [plaatsnaam 3] . De samenwerking tussen verdachte en de reclassering van [naam instelling] is erg moeizaam verlopen. Er is vanuit de kant van verdachte veel agressie naar de reclassering geweest. De problemen hadden vooral betrekking op de woonsituatie van verdachte. Hij was hierin zeer dwingend en kwam dreigend over naar de reclassering. Vanwege herhaaldelijk agressief gedrag, het onbegeleidbaar opstellen en de terugkerende recidive, werd verdachte reclasseringsongeschikt geacht. De reclassering concludeert dan ook dat, ondanks dat verdachte zich thans meewerkend en positief opstelt, er, gezien de beschreven problematiek bij verdachte, ernstige twijfel is of verdachte in staat zal zijn om zich te kunnen conformeren aan behandelingen en voorwaarden in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. Een kader van tbs met dwangverpleging lijkt het meest passend bij verdachte. De straf Voor een verkrachting noemen de LOVS-oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden onvoorwaardelijk. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat de verkrachting gepaard ging met bedreigingen met de dood met behulp van een mes en dat verdachte het slachtoffer heeft verkracht in haar eigen woning, de plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Ook neemt de rechtbank in strafverzwarende zin in aanmerking dat verdachte het slachtoffer heeft ontmaagd, een bijzonder schadelijk gevolg voor haar gelet op haar geloofsovertuiging. Voorts neemt de rechtbank in strafverzwarende zin in aanmerking dat verdachte geen condoom heeft gebruikt, hetgeen voor het slachtoffer tot gevolg heeft gehad dat zij inentingen heeft moeten ondergaan en zware medicijnen heeft moeten slikken, alsmede de morning after pil tegen een zwangerschap heeft moeten gebruiken, hetgeen eveneens een grote impact op haar heeft gehad vanwege haar geloofsovertuiging. Aan de andere kant houdt de rechtbank in straf verminderende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte, zoals door de deskundigen omschreven, als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. De rechtbank is – alles overwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend is. Oplegging van de tbs-maatregel Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte tbs met dwangverpleging opgelegd dient te worden. Ingevolge artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.