RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/2100 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. B.S. Bernard), en Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. R. Noortmann). Procesverloop Op 29 december 2020 heeft eiser aan verweerder verzocht om terug te komen van de besluiten van 22 mei 2020 over de huurtoeslag en de zorgtoeslag over 2020, en van het besluit van 23 november 2020 over het kindgebonden budget over
- In het besluit van 11 februari 2021 (primaire besluit) heeft verweerder dat verzoek afgewezen. In het besluit van 24 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
- Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien om terug te komen van de eerder genomen besluiten. Uit de informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) blijkt dat code 98 op de partner van eiser van toepassing is per 23 maart
- Deze code betekent dat geen sprake (meer) is van rechtmatig verblijf. Verweerder mag dat in beginsel volgen en er is ook niet gebleken dat die code onjuist is. Er is namelijk geen sprake van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Alleen het instellen van een beroep of het verzoeken om een voorlopige voorziening is daarvoor niet voldoende. In het besluit op bezwaar van 23 maart 2020 stond vermeld dat de partner van eiser de behandeling van het beroep niet in Nederland mocht afwachten, en de voorlopige voorziening is afgewezen. Er is geen situatie dat de partner van eiser met toestemming in Nederland verbleef. Dat de partner van eiser toch de uitspraak op de voorlopige voorziening in Nederland mocht afwachten, is een beleidsmatige keuze van de IND, en dit is niet genoeg om rechtmatig verblijf op te leveren in de zin van de hiervoor genoemde bepaling. Dit betekent dat in dit geval niet werd voldaan aan het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw
- Verweerder heeft dus terecht geconcludeerd dat er per 1 april 2020 geen recht bestaat op toeslag en kindgebonden budget voor eiser. Dat volgt uit artikel 9 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Verweerder heeft geen ruimte voor afwijking van die bepaling. Verweerder heeft er ter zitting nog op gewezen dat eiser aan verweerder een betalingsregeling kan vragen voor zover de terugvordering betaald moet worden.
- Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2021 door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P.M. Veerman-Timmer, griffier. de griffier is verhinder om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:
- Zie de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 april 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:2056.