RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Toezicht Locatie Lelystad zaaknummer: C/16/21/7 S Beschikking op grond van artikel 241a Fw (afkoelingsperiode) d.d. 18 augustus 2021 in de zaak van de besloten vennootschap [schuldenaar] B.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te ( [postcode] ) [plaatsnaam] aan de [adres] , hierna: [schuldenaar] . 1De procedure 1.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 31 mei 2021 is aan [schuldenaar] een voorlopige surseance van betaling verleend. Bewindvoerder is mr. M.J. Guit. Rechter-commissaris is mr. C.P. Lunter. 1.
- In voormelde beschikking is tevens een afkoelingsperiode gegeven als bedoeld in artikel 241a Faillissementswet voor de duur van ten hoogste twee maanden ingaand 31 mei
- 1.
- De bewindvoerder heeft op 13 augustus 2021 een verzoek ingediend om nogmaals en afkoelingsperiode te gelasten, althans de afkoelingsperiode te verlengen. 2De beoordeling 2.
- De bewindvoerder voert voor zijn verzoek aan dat na het verstrijken van de op 31 mei 2021 verleende afkoelingsperiode zeer waarschijnlijk opnieuw een schuldeiser (executoriaal) beslag zal leggen op aan [schuldenaar] toebehorende zaken. Met een hernieuwde afkoeling heeft [schuldenaar] de gelegenheid om schuldeisers te overtuigen om mee te werken aan een akkoord. 2.
- De afkoelingsperiode heeft tot strekking om de bewindvoerder in de hectische periode van het begin van en insolventieprocedure zich een beeld te laten vormen van de boedel en weloverwogen beslissingen te nemen over welke zaken hij voor de boedel wenst te behouden, zonder dat individuele schuldeisers direct hun (verhaals)rechten doen gelden op deze zaken. Een afkoelingsperiode kan worden gegeven voor de duur van maximaal twee maanden en aansluitend nog eens met maximaal twee maanden worden verlengd. 2.
- Bij het verlenen van de surseance op 31 mei 2021 heeft de rechtbank een afkoelingsperiode bevolen van twee maanden, derhalve tot 31 juli
- Op 13 augustus 2021 heeft de bewindvoerder wederom om een afkoelingsperiode gevraagd. 2.
- Artikel 241a Faillissementswet geeft geen mogelijkheid om een tweede afkoelingsperiode te gelasten. De wetgever heeft er niet voor gekozen om een bewindvoerder de gelegenheid te geven om schuldeisers voor wie de insolventie niet werkt gedurende lange tijd de bevoegdheid tot het nemen van verhaal te ontzeggen. De afkoelingsperiode dient van korte duur te zijn, in verband met de verstrekkende gevolgen daarvan. Het is evenmin mogelijk een verlening van de afkoelingsperiode af te kondigen op basis van een na het verstrijken van de eerste afkoelingsperiode gedaan verzoek. De rechtszekerheid staat hieraan in de weg. Een schuldeiser die de verleende afkoelingsperiode heeft afgewacht, behoeft geen rekening te houden met een herlevende afkoelingsperiode als de bewindvoerder niet tijdig om een verlening heeft verzocht. 2.
- Het vorenstaande leidt ertoe dat de bewindvoerder niet ontvankelijk is in zijn verzoek om een tweede of verlengde afkoelingsperiode. 3De beslissing De rechterbank: 3.
- verklaart de bewindvoerder niet ontvankelijk in zijn verzoek. Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt op 18 augustus 2021.