← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:4425

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/646 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2021 in de zaak tussen [eiser] uit [plaats] , eiser (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder (gemachtigde: M. Dens). Procesverloop In de beschikking van 31 januari 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] (de woning) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 481.000,- naar de waardepeildatum 1 januari

  1. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. In de uitspraak op bezwaar van 29 december 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 15 juni 2021, via een skypeverbinding. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van den Dool, de waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam] , taxateur. Overwegingen
  2. De woning is een in 1997 gebouwde vrijstaande bungalow met een aanbouw, garage en zonnepanelen. De woning heeft een oppervlakte van ongeveer 207 m2 en ligt op een kavel van 707 m
  3. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.
  4. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk € 444.000,-. Verweerder handhaaft de vastgestelde waarde en heeft om die te onderbouwen een taxatiematrix overgelegd.
  5. Verweerder heeft de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd meewegen.
  6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft bij het verweerschrift een grondstaffel meegestuurd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder echter toegelicht dat de grondstaffel die zich in het dossier bevindt, niet de grondstaffel is die verweerder heeft gebruikt voor de bepaling van de waarde van de grond in de beroepsfase. Verweerder heeft voor deze waardering een andere grondstaffel gebruikt, die niet door verweerder is ingediend. Eiser heeft vervolgens naar het oordeel van de rechtbank ter zitting terecht aangevoerd dat verweerder op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden was om deze grondstaffel aan de rechtbank te sturen omdat het hier gaat om op de zaak van eiser betrekking hebbende stukken. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is er sprake van een informatieachterstand. Eiser is dus onvoldoende in de gelegenheid geweest om de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de grondwaarde te controleren en te betwisten.
  7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar op grond van artikel 8:31 van de Awb.
  8. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of eiser de door hem voorgestane waarde aannemelijk maakt. Eiser heeft aangevoerd dat de referentiewoning [adres] een lagere waarde onderbouwt voor de woning. Eiser heeft verder verwezen naar het verkoopcijfer van de woning [adres] . De rechtbank stelt vast dat een herleiding van de waarde van de woning uit de verkoopcijfers van de door eisers genoemde woningen ontbreekt. Uit de enkele verkoopcijfers van deze woningen kan dan ook niet worden afgeleid dat verweerder de waarde te hoog heeft vastgesteld.
  9. Partijen hebben de waardes die zij voorstaan beide niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet aanleiding om de in de beroepsfase ontstane informatieachterstand te compenseren door de waarde van de woning te verlagen. De rechtbank stelt de waarde vast op € 476.000,-. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig vermindert.
  10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
  11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.598,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 265,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 534,-, met wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; stelt de waarde van het object vast op € 476.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019 en bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig wordt verlaagd; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.598,-; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 13 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. de rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 5 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2890.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.