RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 20/1253-V en UTR 20/1254-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2021 op het verzet van [opposant] , te [woonplaats] , opposant, (gemachtigde: J.A.M. Houberg). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (UWV) op de verzoeken om herbeoordeling van zijn arbeids(on)geschiktheid, van 3 en 4 augustus
- In de uitspraak van 14 augustus 2020 heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari
- Opposant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het UWV is niet verschenen (met bericht van verhindering). Overwegingen
- De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 augustus 2020 de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, omdat het UWV op 11 december 2019 heeft beslist op de verzoeken van opposant om herbeoordeling. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 14 augustus 2020 niet juist was.
- Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 14 augustus 2020 niet juist en onzorgvuldig omdat de rechtbank het heeft over twee verzoeken van 4 augustus 2019 terwijl het gaat over een verzoek van 3 augustus 2019 en een verzoek van 4 augustus
- Het is ook onjuist dat opposant, zoals in de uitspraak staat vermeld, het UWV niet in gebreke zou hebben gesteld. Hij heeft dit wel gedaan. Daarnaast geeft opposant aan dat een door een verzekeringsarts of arbeidsdeskundige aangezegde herbeoordeling uitgevoerd móet worden en het weigeren van een verzoek om herbeoordeling, zoals het UWV nu heeft gedaan, dus niet kan. De brief van 11 december 2019 van het UWV is volgens opposant bovendien geen beslissing in de zin van de Awb. De brief ziet er niet uit als een besluit en de juridische status ervan is niet duidelijk, bijvoorbeeld omdat de rechtsmiddelenclausule ontbreekt. Opposant heeft de brief niet hoeven aanmerken als een besluit en dat hij wordt bijgestaan door een gemachtigde doet hier niets aan af. Ter zitting heeft opposant in dit verband nog opgemerkt dat er vaker onregelmatigheden bij het UWV plaatsvinden en dat de rechtbank daartegen moet optreden.
- De rechtbank stelt vast dat de hoofdvraag in deze zaak is of de brief van 11 december 2019 een besluit is in de zin van de Awb. De rechtbank was in de uitspraak van 14 augustus 2020 van oordeel dat dit wel het geval is en zij heeft ook uitgelegd waarom zij tot dit oordeel komt. De rechtbank onderschrijft die eerdere conclusie en wat in verzet is aangevoerd leidt op dat punt niet tot een ander oordeel. De opmerking van opposant dat bij het UWV vaker onregelmatigheden plaatsvinden en dat de rechtbank daartegen moet optreden kan opposant niet baten, omdat dit er niet aan af doet dat het hier wel gaat over een besluit zoals bedoeld in artikel 1.3 van de Awb en dat het UWV dus in dit geval correct heeft gehandeld. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er wel bezwaar is ingediend door opposant tegen het besluit van 11 december
- Op zitting is toegelicht dat deze procedure nog loopt en dat er nog geen beslissing op bezwaar is genomen. De rechtbank concludeert daaruit dat opposant wel in de gelegenheid is het inhoudelijk oordeel van het UWV over de weigering om de herbeoordelingen uit te voeren aan te vechten.
- Met betrekking tot de opmerking van opposant dat de uitspraak van de rechtbank diverse onzorgvuldigheden bevat is de rechtbank van oordeel dat het hier niet dusdanige onzorgvuldigheden betreft dat dit kan leiden tot een gegrond verzet. Het gaat hier om verschrijvingen die inhoudelijk niet tot twijfel aan de uitspraak leiden en het is de rechtbank ook niet gebleken dat opposant de uitspraak niet heeft begrepen vanwege de genoemde onzorgvuldigheden. Over de grond van opposant met betrekking tot de ingebrekestelling is ter zitting al besproken dat dit een standaard overweging is die gebruikt wordt in dit soort beroepen en dat er geen oordeel over de ingebrekestelling in de uitspraak staat.
- Het voorgaande betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 14 augustus 2020 in stand blijft.
- Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 22 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.