RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Zaaknummer/rekestnummer: 527539 / HA RK 21-231 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 24 september 2021 op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van: [verzoekster] , wonend in [woonplaats] verder te noemen: verzoekster. 1De procedure 1.
- Verzoekster heeft tijdens een verhoor als bedoeld in artikel 59a, eerste lid, Sv tevens verhoor als bedoeld in artikel 63, derde lid, Sv op 15 september 2021 een verzoek ingediend tot wraking van de rechter-commissaris mr. M.S. Koppert (verder: de rechter) in de strafzaak met parketnummer 16246006-
- 1.
- De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling. 2Het wrakingsverzoek 2.
- Op grond van artikel 512 Sv kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. 2.
- Verzoekster is als verdachte in de onderliggende strafzaak in verzekering gesteld. Het openbaar ministerie heeft vervolgens een vordering tot inbewaringstelling aan de rechter voorgelegd. De rechter heeft op 15 september 2021 de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling getoetst en de vordering tot inbewaringstelling behandeld en daarbij verzoekster gehoord. Tijdens het mededelen van de beslissing door de rechter heeft verzoekster het wrakingsverzoek ingediend. In het proces-verbaal staat dat verzoekster heeft verzocht tot wraking omdat zij vindt dat de rechter de verkeerde beslissing neemt. Uit het feit dat zij het verzoek tot wraking pas heeft gedaan op het moment dat de rechter haar beslissing uitsprak en omdat zij daarbij als reden heeft opgegeven dat de rechter de verkeerde beslissing neemt leidt de wrakingskamer af, dat de beslissing van de rechter een voor verzoekster onwelgevallige beslissing was. Dat is echter geen grond voor wraking. Nadere onderbouwing van het verzoek ontbreekt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard. 2.
- Op grond van deze kennelijke ongegrondheid kan, overeenkomstig het bepaalde in onderdeel 2.4.2.a van het wrakingsprotocol van deze rechtbank, een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege blijven. 3De beslissing De wrakingskamer: 3.
- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond; 3.
- draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de rechter tegen wie het verzoek tot wraking is gericht, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team strafrecht, waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank; 3.
- bepaalt dat de procedure van verzoekster met parketnummer 16246006-21 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. W.S. Ludwig als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 september
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.