RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/3473 uitspraak van de meervoudige kamer van 6 oktober 2021 in de zaak tussen [eiseres] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. drs. E.C. Spiering), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder, (gemachtigde: mr. E. Witte). Inleiding [A] (hierna: de werkneemster) werkte als woonbegeleidster bij eiseres en heeft zich op 29 januari 2018 ziekgemeld. Op 4 november 2019 heeft de werkneemster bij het Uwv een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft onderzocht of eiseres voldoende heeft gedaan om de werkneemster te re-integreren. In de rapportage van 31 december 2019 komt de arbeidsdeskundige tot de conclusie dat eiseres niet genoeg heeft gedaan om de werkneemster te re-integreren, zonder dat daar een deugdelijke grond voor is. Op 31 december 2019 heeft het Uwv vervolgens twee besluiten genomen. In het eerste besluit heeft het Uwv aan eiseres de verplichting opgelegd om het loon van de werkneemster door te betalen tot 25 januari 2021 (een loonsanctie). In het tweede besluit heeft het Uwv aan de werkneemster meegedeeld dat de behandeling van haar aanvraag om een WIA-uitkering zal worden uitgesteld, omdat aan eiseres een loonsanctie is opgelegd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde loonsanctie. In het besluit van 18 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op een rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 4 augustus 2020. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 5 maart 2021 heeft de rechtbank de werkneemster in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de procedure. De werkneemster heeft hier geen gebruik van gemaakt. De werkneemster heeft geen toestemming gegeven om stukken die medische gegevens bevatten aan de werkgever toe te zenden. De rechtbank heeft de medische stukken met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doen toekomen aan de gemachtigde van eiseres. De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Ook is namens eiseres [B] (HR-manager) verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het standpunt van het Uwv 1. Het Uwv heeft zich in het bestreden besluit – samengevat weergegeven – op de volgende standpunten gesteld: Spoor 1: Ten aanzien van de functie ‘administratief medewerker trajecten’ binnen haar eigen organisatie stelt eiseres zich op het standpunt dat deze functie niet geschikt is voor de werkneemster vanwege veelvuldige deadlines en het ontbreken van een administratieve opleiding. Het is echter onduidelijk waaruit deze deadlines bestaan en hoe vaak zij voorkomen. Daarnaast heeft de werkneemster in haar werk voldoende verslaglegging en dergelijke verricht om te veronderstellen dat zij een administratieve functie zou kunnen verrichten. Spoor 1: Volgens eiseres vereisen ondersteunende functies binnen haar organisatie specifieke vooropleiding en werkervaring, maar zij heeft niet gespecificeerd welke opleiding en/of werkervaring vereist is. Daarom kan het Uwv niet toetsen of deze functies niet geschikt zijn voor de werkneemster. Spoor 2: Er is geen sprake van een adequaat tweede spoor-traject, aangezien pas laat een zoekprofiel werd opgesteld en dit zoekprofiel niet passend was bij de belastbaarheid van de werkneemster. Het Uwv heeft zich hierbij gebaseerd op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 4 augustus 2020. Het standpunt van eiseres 2. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep – samengevat weergegeven – aan dat er voor de werkneemster geen passend werk voorhanden was in de eigen organisatie (spoor 1). Ook het reïntegratietraject in spoor 2 is adequaat geweest en had niet op een andere manier ingericht kunnen worden. Het juridisch kader 3.1 Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt: “Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde (….) reïntegratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.” Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht. 3.2 Op grond van artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevordert de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 7:629 van het BW de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever. 3.3 In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de reïntegratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de reïntegratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling in het bijzonder worden gekeken naar datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Indien geen bevredigend reïntegratieresultaat is bereikt, maar het Uwv de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het Uwv de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werknemer worden geen reïntegratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever. 3.4 Het besluit tot oplegging van de loonsanctie is een door het Uwv ambtshalve genomen besluit met een voor de werkgever belastend karakter. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, dient het Uwv aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Uit artikel 65 van de Wet WIA volgt dat het bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen gaat om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen. Het Uwv dient zijn besluit in dit verband deugdelijk te motiveren. Op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA dient de door het Uwv bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie gegeven motivering zodanig concreet te zijn, dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit haar tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen bestaat. Immers, alleen dan zal de werkgever overeenkomstig artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in de gelegenheid zijn om die tekortkoming te herstellen. De beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank constateert dat de beroepsgronden zich richten tegen alle drie de argumenten van het Uwv voor het opleggen van de loonsanctie (in rechtsoverweging 1 aangeduid als a tot en met c). De rechtbank zal deze achtereenvolgens bespreken. a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.