← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:4768

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/2065 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2021 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] eiseres (gemachtigde: mr. S. Karkache), en de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder (gemachtigde: mr. S. Pinar). Procesverloop Bij besluit van 15 februari 2021(het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres over het eerste kwartaal van 2021 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 7 april 2021heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres afgewezen In het besluit van 12 april 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september via Skype. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen

  1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht omdat zij geen inkomen geniet. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De rechtbank verleent eiseres daarom vrijstelling van de betaling van griffierecht.
  2. Eiseres heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft op 12 januari 2021 een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor kinderbijslag voor haar zonen, [A] en [B]
  3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres vanwege haar verblijfsstatus niet in aanmerking komt voor kinderbijslag over het eerste kwartaal van
  4. Eiseres is het niet eens met de beslissing van verweerder. Zij voert aan dat zij rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Daarnaast doet zij een beroep op artikel 6, vierde lid van de AKW in samenhang met artikel 10, tweede lid, sub b, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746). Ook ontvangen haar kinderen een bijstandsuitkering, die aan haar is gekoppeld. Zij betoogt dat zij daarom verzekerd is voor de AKW. Verder begrijpt zij niet waarom haar aanvraag alleen betrekking heeft op het eerste kwartaal van
  5. De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 15 februari 2021 ziet op het eerste kwartaal van
  6. De situatie op de eerste dag van het kwartaal is van belang voor het recht op kinderbijslag. Verweerder heeft dus terecht beoordeeld of eiseres op 1 januari 2021 (de peildatum) recht had op kinderbijslag over het eerste kwartaal van
  7. Gelet op wat op de zitting is besproken is tussen partijen niet (meer) in geschil dat eiseres op de peildatum rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Er was op dat moment sprake van een bezwaarprocedure tegen de afwijzing van aanvraag om een verblijfvergunning van eiseres. Bij uitspraak van 11 maart 2021 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat eiseres de uitkomst van de bezwaarprocedure in Nederland mag afwachten.
  8. Omdat eiseres op de peildatum rechtmatig verblijf had in de zin van artikel 8, onder h, van de Vw, dient te worden beoordeeld of eiseres onder de uitbreiding van de kring van verzekerden voor de AKW viel. Dat is het geval, indien de vreemdeling in Nederland, in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen, arbeid in dienstbetrekking verricht uit hoofde waarvan hij aan de loonbelasting is onderworpen. De rechtbank stelt vast dat deze situatie niet aan de orde was, omdat eiseres heeft verklaard nooit in Nederland te hebben gewerkt. Dit betekent dat eiseres op de peildatum niet was verzekerd voor de AKW.
  9. Het feit dat de kinderen van eiseres een bijstandsuitkering ontvangen brengt niet mee dat eiseres verzekerd is voor de AKW.
  10. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen recht op kinderbijslag heeft over het eerste kwartaal van
  11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Gena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september
  12. de rechter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. UTR 21/
  13. AWB 20/
  14. Artikel 6, vierde lid, van de AKW in samenhang met artikel 11, eerste lid, onder a, van KB 746.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.