RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.014336.21 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 7 oktober 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1966] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] te [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De rechtszaak tegen verdachte heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zitting van 23 september 2021. Verdachte was bij de zitting aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak. De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van verdachte, zijn advocaat mr. E.I.B. Hofman en de officier van justitie mr. D.M.A. van der Zwan. 2TENLASTELEGGING De officier van justitie verdenkt verdachte van betrokkenheid bij een strafbaar feit. Deze verdenking staat beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage is opgenomen in dit vonnis. Kort gezegd verdenkt de officier van justitie verdachte ervan dat hij: tussen 14 en 15 januari 2021 ter voorbereiding van het misdrijf mensenhandel (in dit geval de seksuele uitbuiting van een minderjarige) opzettelijk digitale gegevensdragers/apparatuur en een kamer in zijn woning (bedoeld als werkplek voor prostitutie) voorhanden heeft gehad. 3VOORVRAGEN Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie blijkt uit het dossier dat verdachte het chatgesprek met de opsporingsambtenaar, die zich door middel van een virtuele creatie voordeed als een jongen van 16 jaar oud, heeft gevoerd. Dat verdachte niet daadwerkelijk met die jongen wilde afspreken en dat hij hem niet daadwerkelijk sekswerk wilde laten verrichten in zijn woning, gelooft de officier van justitie niet vanwege de inhoud van de chatberichten die verdachte heeft gestuurd. In dat kader wijst de officier van justitie ook op de inhoud van de verklaring die verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. De officier van justitie vindt ook relevant dat verdachte schulden heeft en opbrengsten vanuit prostitutie door een 16-jarige jongen dus goed zou kunnen gebruiken. Volgens de officier van justitie staat – gelet op het voorgaande – vast dat verdachte contact heeft gehad met iemand die zich voordeed als 16-jarige, dat hij die wilde faciliteren in het verrichten van seks tegen betaling door klanten, dat hij een werkruimte ter beschikking wilde stellen en dat hij de helft van de opbrengst van de prostitutiewerkzaamheden zou krijgen. De officier van justitie vindt dat het handelen van verdachte de strafbare voorbereiding van mensenhandel oplevert. Verdachte heeft volgens de officier van justitie een telefoon voorhanden gehad met de criminele bedoeling om deze te gebruiken voor het seksueel uitbuiten van een minderjarige. Tot slot merkt de officier van justitie nog op dat van uitlokking in dit geval geen sprake is; het initiatief tot sekswerk met klanten tegen betaling kwam van verdachte en de opsporingsambtenaar was telkens passief. De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van het voorarrest op te leggen, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden. 4.2 Het standpunt van de verdediging Volgens de advocaat moet verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Verdachte heeft de middelen die vereist zijn om tot een strafbare voorbereiding te komen, in dit geval de mobiele telefoon en een kamer in zijn woning, niet voorhanden gehad ter voorbereiding van het misdrijf mensenhandel. Hij gebruikte zijn telefoon voor allerlei andere dingen dan het chatten op websites. Niets wijst er bovendien op dat verdachte een kamer in zijn woning had ingericht waar iemand sekswerk kon verrichten. Daarnaast wijst de advocaat er op dat het chatten op een website nog niet onder strafbare voorbereiding valt. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Valt het handelen van verdachte onder mensenhandel? Juridisch kader In Nederland is mensenhandel strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Uit de totstandkoming van dat artikel en de relevante jurisprudentie volgt dat de strafbaarstelling van mensenhandel is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij beperkt worden uitgelegd. In het tweede lid van artikel 273f Sr formuleert de wetgever wat zij in ieder geval onder uitbuiting verstaat. Met betrekking tot onderhavige zaak is van belang dat uitbuiting tenminste uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting omvat. Aan verdachte is de voorbereiding van mensenhandel in de zin van artikel 273f lid 1 onder sub 2, 5 en 8 Sr ten laste gelegd. In die sub-onderdelen is – kort gezegd – strafbaar gesteld als mensenhandel het werven, vervoeren en huisvesten van een minderjarige met het oogmerk van uitbuiting, het ondernemen van handelingen die ertoe leiden dat een minderjarige zich beschikbaar stelt voor seks tegen betaling en het voordeel trekken daaruit. Omdat de bescherming van minderjarigen centraal staat bij de sub-onderdelen 2, 5 en 8 van artikel 273f Sr, is voor een bewezenverklaring hiervan niet vereist dat komt vast te staan dat sprake is geweest van gebruik van dwangmiddelen. Bij minderjarigen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Een eventuele instemming van de minderjarige is dan ook irrelevant. Evenmin is van belang dat een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, nu de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is. Door het tewerkstellen van minderjarigen in de prostitutie is er in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige. Reeds indien bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft verricht ten opzichte van een minderjarige is sprake van uitbuiting. Beoordeling Uit het dossier en de verklaring van verdachte blijkt dat verdachte op 14 januari 2021 het volgende chatgesprek met een politieagent die zich voordeed als 16-jarige heeft gevoerd, waarbij verdachte gebruik maakte van het account ‘[accountnaam 1]’ en de politieagent van het account ‘[accountnaam 2] ’, met als profieltekst ‘Jonge boy, nieuw, zoekt veel pay. Wie helpt mij? Alleen verplaatsen!’: “ [accountnaam 1] Heyyy gozer zoek jongere escort boy om bij mij thuis klantjes ontvangt gezellig chillen 50 50 opbrengst 08:34 [accountnaam 1] Heb het vroeger ook gedaan en is leuk doen het ook voor fun jij bepaalt gewoon mee hoeveel klanten welke klanten ik zorg voor drank poppers chems fun 08:35 [accountnaam 1] Wat zijn jou stats 08:36 [accountnaam 2] 16/176/68 08:36 [accountnaam 1] Ja oke 16 jaar pff 08:40 [accountnaam 1] Jong (…) [accountnaam 1] Oke leuk zullen we erover praten je ontvangt klanten bij mij thuis 08:55 [accountnaam 1] Kan je naar [woonplaats] 08:56 [accountnaam 2] ja ik zit op begeleid wonen. 09:25 [accountnaam 1] Je kan naar mij komen vanavond om te praten erover 09:27 [accountnaam 1] Effe kennismaken je durft het wel 09:31 [accountnaam 1] Met wat oudere klanten ook 09:32 [accountnaam 2] ik heb vanavond geen tijd. Ik ga gamen met wat vrienden. 09:42 [accountnaam 2] Morgen? 09:42 [accountnaam 1] Je komt vanavond maar morgen geen tijd 09:44 [accountnaam 2] vanavond kan niet. Morgen toch? 09:44” Na het laatste bericht verstuurd door de politieagent om 9:44 uur, eindigt het gesprek. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van verdachte, het voeren van het bewuste chatgesprek, kan vallen onder het werven van een minderjarige met het oogmerk van seksuele uitbuiting of de poging daartoe, of een poging tot het voordeel trekken uit seksuele handelingen door een minderjarige met een ander tegen betaling, zoals strafbaar gesteld in de sub-onderdelen 2 en 8 van 273f van het Wetboek van Strafrecht, indien hij het gesprek met een minderjarige had gevoerd. Nu er van een minderjarige geen sprake was, maar het bleek te gaan om een virtuele creatie, is mensenhandel dan wel een poging daartoe niet mogelijk. De rechtbank zal zich hierna uitlaten over de vraag of in dit geval wel sprake is van een strafbare voorbereiding van mensenhandel. Is sprake van strafbare voorbereiding van mensenhandel? Juridisch kader Voor strafbare voorbereiding in de zin van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht moet sprake zijn van een strafbaar feit waarop minimaal een maximale gevangenisstraf van acht jaar is gesteld, van opzet, van voorbereidingsmiddelen en van een voorbereidingshandeling. In de rechtspraak zijn criteria ontwikkeld om vast te stellen of sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen en -middelen. Volgens de Hoge Raad moet worden beoordeeld of de voorbereidingsmiddelen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kennelijk zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf als bedoeld in artikel 46, lid 1, Sr. In deze beoordeling moet worden betrokken het gebruik dat van de middelen wordt gemaakt en ook het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. Uit de rechtspraak volgt dat een drietal criteria maatgevend zijn om te bepalen of een voorwerp ‘kennelijk is bestemd’ tot het begaan van de beoogde misdrijven:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.