RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/3440 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2021 in de zaak tussen [eiseres], eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. E. Chahid). Procesverloop Eiseres heeft op 28 november 2016 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd. Bij besluit van 2 januari 2017 heeft verweerder eiseres een voorschot op deze uitkering verstrekt van € 820,- in de vorm van een renteloze lening. Bij besluit van 23 januari 2017 heeft verweerder aan eiseres een bijstandsuitkering toegekend over de periode van 28 november 2016 tot en met 14 januari
- Bij besluit van eveneens 23 januari 2017 heeft verweerder een bedrag van € 441,16 van eiseres teruggevorderd. Dit betreft een bedrag dat aan eiseres te veel en dus ten onrechte als voorschot was verstrekt. Verweerder heeft eiseres meegedeeld dat zij dit bedrag uiterlijk zes weken na 23 januari 2017 dient te voldoen. Bij besluit van 8 februari 2017 heeft verweerder het toekenningsbesluit van 23 januari 2017 herzien, in die zin dat verweerder de ingangsdatum van de bijstandsuitkering heeft bepaald op 15 november
- Bij brief van 7 mei 2020 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij nog een openstaande vordering heeft van € 441,
- Eiseres dient deze vóór 17 juni 2020 te betalen. Bij ongedateerde brief, bij verweerder ingekomen op 18 mei 2020, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de brief van 7 mei
- Bij besluit van 13 augustus 2020 heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is deze mededeling geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft op 13 september 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 13 augustus 2020 (het bestreden besluit). Zij heeft haar beroep aangevuld bij brieven van 22 september 2020 en 17 maart
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021 door middel van een skype-verbinding. Eiseres en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Overwegingen
- Op grond van het besluit van 23 januari 2017 bestaat er voor eiseres een verplichting tot terugbetaling van een bedrag van € 441,16 aan voorschotten die zij te veel en dus ten onrechte had ontvangen. In de brief van 7 mei 2020 heeft verweerder eiseres erop gewezen dat deze verplichting nog steeds bestond. De brief van 7 mei 2020 bevat geen nieuwe of andere verplichting en roept dus geen nieuw rechtsgevolg in het leven. De brief van 7 mei 2020 is daarom niet te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
- Omdat de brief van 7 mei 2020 geen besluit is, is het niet mogelijk om hiertegen een rechtsmiddel aan te wenden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 7 mei 2020 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Ter informatie aan eiseres merkt de rechtbank nog het volgende op. Voor zover eiseres heeft bedoeld om het besluit tot terugvordering van 23 januari 2017 ter discussie te stellen, dan staat het haar vrij om hiertegen alsnog bezwaar te maken bij verweerder. Gelet op het tijdsverloop is het echter ernstig de vraag of een dergelijk bezwaar kansrijk is. Het is aan eiseres om af te wegen of zij het nog zinvol vindt om die weg eventueel te bewandelen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is op 23 juni 2021 gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Gena, griffier. De uitspraak zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.