RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.288520.20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 13 oktober 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1999] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] te [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 februari 2021, 1 april 2021 en 29 september
(48), 24,92 gram wit poeder Goednummer: PL0900-2020116878-2733927 Sporendrager: SIN AANR5440NL Relatie met SIN AANW6522NL (monster A) Kom met wit poeder 47,81 gram Goednummer: PL0900-2020116878-2733937 Sporendrager: SIN AANR5442NL Relatie met SIN AANW6523NL (monster B) Diepvriesbakje met wit poeder en brokjes 117,67 gram Goednummer: PL0900-2020116878-2733931 Sporendrager: SIN AANR5441NL Relatie met SIN AANW6524NL (monster C) Witte brokken omwikkeld met folie 171,0 gram Goednummer: PLO900-2020116878-2733924 Sporendrager: SIN AANR5439NL Relatie met SIN AANW6525NL (monster D) Blok geperst wit poeder 986,3 gram Goednummer: PL0900-2020116878-2733942 Sporendrager: SIN AANR5443NL Relatie met SIN AANW6526NL (monster E) Resten wit poeder op mes 0,01 gram De inbeslaggenomen drugs zijn onderzocht door het NFI. Zij hebben de volgende rapportages opgesteld: Een NFI-rapport van 25 november 2020: Kenmerk AANZ6037NL: poeder, wit, uit 0,06 gram Conclusie: bevat cocaïne Een NFI-rapport van 25 november 2020:Kenmerk AANZ6038NL: poeder, wit, uit 24,92 gram Conclusie: bevat cocaïne Een NFI-rapport van 4 december 2020: Kenmerk AANW6522NL, poeder, wit, uit 47,81 gram Conclusie: bevat cocaïne Een NFI-rapport van 4 december 2020: Kenmerk AANW6523NL, poeder en brokjes, wit, uit 117,67 gram Conclusie: bevat cocaïne Een NFI-rapport van 4 december 2020: Kenmerk AANW6524NL, brok, wit, uit 171,0 gram Conclusie: bevat cocaïne Een NFI-rapport van 4 december 2020: Kenmerk AANW6525NL, brok, wit, uit 986,3 gram Conclusie: bevat cocaïne Een NFI-rapport van 3 december 2020: Kenmerk AANW6526NL, poeder, wit, uit 0,01 gram Conclusie: bevat cocaïne Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt onder meer het volgende: Ik onderzocht een in de woning van verdachte [verdachte] , [adres] in [woonplaats] , aangetroffen hoeveelheid qua kleur en samenstelling op hennep gelijkende stof. Ik zag aan de kleur en de uiterlijke kenmerken van de aangetroffen drugs dat deze afkomstige zijn van een hennepplant. Tevens rook ik, dat de geur die de aangetroffen drugs verspreidden, overeenkwam met de kenmerkende geur van hennepplanten. Ik zag en voelde dat het een hoeveelheid droge hennep betrof. De restanten van hennepplanten, het blokje hash was verpakt in 1 gripzakje. Ik zag, dat tijdens het testen een duidelijke kleurreactie optrad. Deze reactie gaf een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep. Uit de determinatie en de drugstest mag gesteld worden, dat de inbeslaggenomen drugs resthennepplanten waren van het geslacht Cannabis. Nettogewicht hash 0,0151 x 1000 = 15,1 gram Ik zag aan de kleur en de uiterlijke kenmerken van de aangetroffen drugs dat deze afkomstige zijn van een hennepplant. Tevens rook ik, dat de geur die de aangetroffen drugs verspreidden, overeenkwam met de kenmerkende geur van hennepplanten. Ik zag en voelde dat het een hoeveelheid droge hennep betrof. De restanten van hennepplanten waren los verpakt in een waardezak met nummer R4684693. Ik zag, dat tijdens het testen een duidelijke kleurreactie optrad. Deze reactie gaf een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep. Uit de determinatie en de drugstest mag gesteld worden, dat de inbeslaggenomen drugs resthennepplanten waren van het geslacht Cannabis. Bruto gewicht hennep 0,0299 x 1000 = 29,9 gram Ik zag aan de kleur en de uiterlijke kenmerken van de aangetroffen drugs dat deze afkomstige zijn van een hennepplant. Tevens rook ik, dat de geur die de aangetroffen drugs verspreidden, overeenkwam met de kenmerkende geur van hennepplanten. Ik zag en voelde dat het een hoeveelheid droge hennep betrof. De restanten van hennepplanten waren los verpakt in een plastic Albert Heijn sluitzakje. Ik zag, dat tijdens het testen een duidelijke kleurreactie optrad. Deze reactie gaf een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep. Uit de determinatie en de drugstest mag gesteld worden, dat de inbeslaggenomen drugs resthennepplanten waren van het geslacht Cannabis. Bruto gewicht hennep 0,0544 x 1000 = 54,4 gram Uit een proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [straat] [woonplaats] ) blijkt onder meer het volgende: Op 13 november 2020 kwam ik aan op de locatie [straat] , [woonplaats] . Ik zag op de galerij, in de nabijheid van de voordeur van perceel [adres] , een geldkistje staan. Ik zag dat er in het kistje op een tissue twee patronen lagen. Ik heb deze patronen veilig gesteld. Ik zag op het bed in de slaapkamer op de eerste verdieping een foedraal, zwart van kleur, liggen. Ik maakte de rits hiervan open en zag dat er een wapen gelijkend op een pump action shotgun in lag. Ik zag in de foedraal tevens hagelpatronen liggen, 24 stuks. Sporendrager SIN: AAOA2674NL Object: vuurwapen Bijzonderheden: In slaapkamer op bed 1e verd. in foedraal SIN: AAOA2673NL Object: munitie (hagelpatroon, 24 stuks Bijzonderheden: Hagelpatronen bij wapen in foedraal SIN: AAOA2675NL Object: munitie, 1 stuks Bijzonderheden: Aangetroffen in een tissue in een geldkistje SIN: AAOA2676NL Object: munitie, 1 stuks Bijzonderheden: Aangetroffen in een tissue in een geldkistje Uit een proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek naar het in beslag genomen wapen en de munitie blijkt onder meer het volgende: 1. SIN: AAOA2674NL Wapen: enkelloops hagelgeweer Categorie: II sub 3 Bovenvermeld voorwerp is een enkelloops hagelgeweer, merk/model onbekend, kaliber 12, voorzien van de wapennummers [wapennummer] (huis) en [wapennummer] (loop). Het is daarom niet uit te sluiten dat dit vuurwapen is samengesteld uit minimaal 2 verschillende vuurwapens. Tijdens het onderzoek bleek de schoudersteun te zijn vervangen door een (zelfgemaakte) pistoolgreep, waardoor het dragen van dit geweer niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd. 2. SIN: AAOA2673NL (a), AAOA2675NL (
- b)en AAOA2676NL (
- c)Munitie: 26 scherpe patronen Categorie: III a. 24 scherpe hagelpatronen kaliber 12, merk Tunet b. 1 scherpe patroon kaliber 6.35 mm, merk G.F.L c. 1 scherpe patroon kaliber 7.65mm Browing, merk Geco Uit de deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek van het TMIF blijkt onder meer het volgende: De DNA-profielen van onderstaande verdachten dienen vergeleken te worden met de DNA-profielen verkregen van het sporenmateriaal: [wapennummer] , geboren op [1999] (SKN [nummer] ) Ontvangen sporenmateriaal: SIN-nummer Beschrijving item AAMT7298NL Wattenstaafje, bemonstering vuurwapen aaoa7674nl voorhout Resultaat van het DNA-onderzoek: Vuurwapen AAOA2674nl voorhout AAMT7298NL DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. Verdachte [wapennummer] kan donor zijn van celmateriaal. Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [wapennummer] en twee onbekende, niet verwante personen. Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante personen. De resultaten van het onderzoek aan de bemonstering zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. De bijbehorende likelihood ratio van zeer veel waarschijnlijker is 10.000-1.000.000. Uit het verhoor van getuige [getuige] van 17 november 2020 blijkt onder meer het volgende: V: Op welk adres sta je ingeschreven? A: [adres] [woonplaats] V: Wanneer ben jij voor het laatst in de woning aan de [adres] te [woonplaats] geweest? A: Ongeveer drie weken geleden ben ik in de woning geweest. V: Wie maken er nog meer gebruik van de woning aan de [adres] te [woonplaats] ? A: (…) Mijn buurman heeft ook al heel lang een sleutel. (…) [medeverdachte 1] , zo heet de buurman, heeft de sleutel, omdat ik in januari 2020 in het ziekenhuis lag en hij de boel in de gaten zou houden. [medeverdachte 1] wilde daar eventueel een beetje gaan chillen. Omdat ik hem vertrouwde heb ik dit toegestaan. Bewijsoverwegingen De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten. Dealen drugs (feit 2) Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij heeft gedeald in drugs in de periode van januari 2020 tot en met zijn aanhouding op 7 juni 2020 en dat hij kort daarna weer is begonnen tot zijn aanhouding op 13 november 2020. De rechtbank overweegt dat dit ondersteund wordt door de overige bewijsmiddelen in het dossier (de data van de aangetroffen chatgesprekken en wat daarin besproken wordt). De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2020 tot en met 13 november 2020 gedeald heeft in cocaïne en in de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 juni 2020 heeft gedeald in hennep. Gelet op zijn eigen verklaring en blijkens de telefoongesprekken en chatberichten acht de rechtbank bewezen, dat hij dit heeft gedaan samen met anderen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het dealen van hennep in de uitoefening van beroep of bedrijf in de periode van 8 juni 2020 tot en met 13 november 2020 en van het dealen van cocaïne én hasj/hennep in de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 december 2019, nu daar onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor is. Voorhanden hebben drugs (feit 3) De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de aangetroffen drugs in de woning aan de [adres] in de machtssfeer van verdachte was en dat hij er ook van wist. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Er kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte heeft gedeald in cocaïne en hennep en dat hij dit deed met onder andere medeverdachte [medeverdachte 1] . Bij de fouillering van verdachte op 13 november 2020 en op 7 juni 2020 is beide keren cocaïne aangetroffen. De huurster van de woning aan de [adres] heeft verklaard dat zij de sleutels aan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gegeven en zelf niet meer in de woning woont. Verdachte heeft verklaard dat hij vaak aanwezig was in die woning en uit onderzoek is gebleken dat hij de sleutels van de woning in zijn bezit had. Aan diezelfde sleutelbos zat de sleutel van het kluisje dat in die woning stond, waarin een grote hoeveelheid drugs is aangetroffen. In het licht van het voorgaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] de in de woning aanwezige drugs voorhanden hebben gehad. Ten aanzien van de bewezenverklaarde hoeveelheid hennep overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal blijkt dat 29,9 gram en 54,5 gram de brutohoeveelheid is. Nu de hennep is gewogen met een de plastic verpakking er omheen, zal de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van een lager nettogewicht. Deelname criminele organisatie (feit 1) Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (Ow). Een organisatie in de zin van voormeld artikel is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Dit kan blijken uit een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd. Om van deelneming in de zin van artikel 11b Ow te kunnen spreken is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en dat hij een aandeel heeft in – of ondersteuning geeft aan – gedragingen die strekken tot óf rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogt. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte in de periode van 1 januari 2020 tot en met 13 november 2020 samen met anderen heeft gedeald in cocaïne. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere structuur en duurzaamheid tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: medeverdachten) met betrekking tot het dealen in cocaïne. De structuur van de organisatie wordt tot uitdrukking gebracht door de rolverdeling tussen de verdachten. De telefoon met telefoonnummer * [telefoonnummer] was wisselend in gebruik bij [medeverdachte 1] en verdachte en de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer] werd door alle drie gebruikt. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte maakten zelf afspraken, brachten cocaïne naar een klant op een afgesproken locatie of lieten de cocaïne achter op een met de klant afgesproken plek. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken en de chatgesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] zowel verdachte als [medeverdachte 2] opdracht gaf om cocaïne naar bepaalde plekken en mensen te brengen. Daarnaast is in de woning [adres] , waar zowel verdachte als [medeverdachte 1] toegang toe hadden, een voorraad drugs aangetroffen. Een groot deel daarvan, ongeveer 1 kilogram, bevond zich in een kluis waarvan de sleutel bij verdachte is aangetroffen. De rechtbank gaat er vanuit dat de handelsvoorraad van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte in de woning aan de [adres] werd bewaard. Daarbij neemt de rechtbank mee dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij niet alleen handelde. De duurzaamheid van de organisatie komt tot uitdrukking in de periode dat de samenwerking plaatsvond. Die periode stelt de rechtbank vast op 1 juni 2020 tot en met 13 november 2020, gelet op de data van het aangetroffen berichtenverkeer tussen verdachten onderling en de afnemers. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij over een langere periode cocaïne heeft gedeald, maar het dossier bevat geen bewijs om deelname aan deze of een andere criminele organisatie over die langere periode bewezen te verklaren. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat het samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn medeverdachten een gestructureerd en duurzaam karakter had, zodat aan de vereisten voor het aannemen van een criminele organisatie is voldaan. De rechtbank spreekt verdachte vrij van deelneming aan de criminele organisatie in de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 mei 2020, nu daar onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor is. Voorhanden hebben vuurwapen en munitie (feit 4 en 5) Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij geen wetenschap had van het wapen en de munitie die is aangetroffen op het bed in de slaapkamer van de woning aan de [adres] . De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk geworden en overweegt daarover als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode voor zijn aanhouding op 13 november 2020 regelmatig in de woning kwam en daar ook sliep. Hij had de sleutels van de woning. Het wapen en de munitie zijn aangetroffen op het bed in de slaapkamer en de tas waar het wapen en de munitie in zaten, lag volledig in het zicht. Verder blijkt uit het forensisch DNA-onderzoek dat het DNA-mengprofiel dat op het vuurwapen is aangetroffen afkomstig kan zijn van verdachte. Het is zeer veel waarschijnlijker (likelyhood ratio 10.000 – 1.000.000) dat de bemonstering van het wapen het DNA van verdachte en twee onbekende, niet verwante personen bevat, dan dat de bemonstering het DNA van drie onbekende, niet verwante personen bevat. Gelet op deze omstandigheden samen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen en de munitie in de woning aan de [adres] en dus kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat hij het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1 omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 13 november 2020 te Vinkeveen en Mijdrecht heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde lid Opiumwet; 2 op tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 13 november 2020 te Vinkeveen en Mijdrecht, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende - cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en op tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 juni 2020 te Vinkeveen en/of Mijdrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, (telkens) een of meerdere (gebruikers)hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of van hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; 3 op 13 november 2020 te Vinkeveen en Mijdrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (gemeente De Ronde Venen) - 1347,77 gram cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en op 7 juni 2020 in het arrondissement Midden-Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad 9,07 gram cocaïne en op 13 november 2020 te Vinkeveen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (gemeente De Ronde Venen) ongeveer - 15,1 gram hasjiesj en - 75 gram hennep zijnde hasjiesj/of hennep (telkens) een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; 4 op 13 november 2020 te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, een wapen van categorie II, onder 3, te weten een enkelloops hagelgeweer, van een onbekend merk, kaliber 12, voorzien van wapennummers [wapennummer] (huis) en [wapennummer] (loop) zijnde een vuurwapen dat zodanig was vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was en/of dat de aanvalskracht werd verhoogd voorhanden heeft gehad; 5 op 13 november 2020 te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 24 (scherpe) hagelpatronen kaliber 12 van het merk Tunet en 1 (scherpe) patroon kaliber 6.35 van het merk G.F.L. en 1 (scherpe) patroon kaliber 7.65 Browning van het merk Geco voorhanden heeft gehad; Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: Feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid van de Opiumwet; Feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; Feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II; Feit 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 26 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als (bijzondere) voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met medeverdachte, meewerken aan verdiepingsdiagnostiek en het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding. 8.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft het volgende aangevoerd. De straf dient recht te doen aan de jonge leeftijd van de verdachte, de rol die hij heeft gespeeld en onder welke omstandigheden het is gebeurd. Gelet op die jonge leeftijd en het feit dat het voor verdachte de eerste keer is geweest dat hij tijd in detentie heeft doorgebracht, heeft de verdediging verzocht aan verdachte een straf op te leggen met een groot voorwaardelijk deel, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De ernst van de feiten Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs en in die context bijna een half jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Daarnaast heeft verdachte zich gedurende een periode van bijna een half jaar schuldig gemaakt aan de handel in softdrugs. Hij had daarbij ook een grote voorraad hard- en softdrugs voorhanden en een wapen met scherpe munitie. In algemene zin kan worden gezegd dat drugshandel moet worden bestreden en bestraft omdat het onze maatschappij veel schade toebrengt. De daarmee gepaard gaande criminaliteit wordt steeds ernstiger en gaat gepaard met veel geweld tot liquidaties aan toe. Daarvan zijn onschuldige burgers niet alleen steeds vaker getuige maar in sommige gevallen zelfs slachtoffer. Daarnaast wordt de samenleving op kosten gejaagd, zowel vanwege de zorg voor gebruikers en verslaafden als vanwege de (zware) criminaliteit en overlast die drugshandel met zich brengt. Feiten als deze brengen bovendien onrust in de samenleving mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft slechts gehandeld uit financieel gewin. De aanwezigheid van vuurwapens is een toenemend probleem waardoor het veiligheidsgevoel van heel veel mensen wordt geraakt. Het voorhanden hebben van een vuurwapen (met munitie) leidt immers al te vaak tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien. Tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens moet daarom streng worden opgetreden. De laatste jaren worden daarom steeds hogere straffen opgelegd voor dit soort feiten. De persoon van verdachte Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 juni 2021. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 30 augustus 2021, waarin onder meer wordt geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Ter terechtzitting heeft verdachte ook aangegeven zich graag aan die voorwaarden te willen houden en daar ook baat bij te hebben. De strafoplegging Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. Deze oriëntatiepunten nemen voor het dealen in harddrugs gedurende een periode van zes tot twaalf maanden met enige regelmaat, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden als uitgangspunt. Daarnaast heeft verdachte gedurende een periode van bijna een half jaar deelgenomen aan een criminele organisatie en had hij zowel harddrugs als softdrugs en een wapen plus munitie in zijn bezit gehad op de dag dat hij werd aangehouden. Voor het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid harddrugs nemen de oriëntatiepunten een gevangenisstraf van 5 maanden als uitgangspunt en dat geldt ook voor het voorhanden hebben van het enkelloops jachtgeweer. Gelet op de aard en ernst van de door verdachte gepleegde feiten, en op de hiervoor genoemde oriëntatiepunten is de rechtbank van oordeel dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank acht het vanuit het oogpunt van zowel speciale als generale preventie bovendien van belang dat in de strafoplegging tot uiting komt dat de handel in drugs uiteindelijk niet loont en zwaar wordt bestraft en dat streng wordt opgetreden tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens. Dit alles betekent dat slechts een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend is. De rechtbank houdt er wel rekening mee dat verdachte ter zitting gedeeltelijk openheid van zaken heeft gegeven en nog relatief jong is en zal om die reden een deel van de straf in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen, zal een gedeelte van 6 maanden van deze gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd, waarbij een proeftijd van 2 jaren wordt vastgesteld. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden, zoals genoemd in het reclasseringsrapport, aan verdachte opleggen. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 9BESLAG 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de telefoon die voor het dealen is gebruikt, verbeurd worden verklaard. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over het beslag. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten een witte Apple telefoon, 631973, verbeurd verklaren. Met betrekking tot dit voorwerp zijn de bewezenverklaarde feiten begaan. 10VOORLOPIGE HECHTENIS 10.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven op het moment dat de rechtbank een veroordelend vonnis uitspreekt. 10.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over de voorlopige hechtenis. 10.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. De voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst op 1 april 2021. Nu de rechtbank tot een veroordeling komt en tot oplegging van een gevangenisstraf die langer duurt dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, dient verdachte nog een deel onvoorwaardelijke gevangenisstraf te ondergaan. Gelet op de ernst van de feiten en het signaal dat van de straf moet uitgaan weegt het strafvorderlijk belang zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te wachten. Bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn daartoe ook niet aangevoerd. De rechtbank zal daarom de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen. 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht; 2, 3, 10, 11 en 11b van de Opiumwet en 13 en 26 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van twee
(2)jaren vast; Algemene voorwaarden - als algemene voorwaarden gelden dat verdachte: * zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; * ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; * medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; Bijzondere voorwaarden - als bijzondere voorwaarden gelden dat verdachte: * zich na het onherroepelijk worden van het vonnis binnen drie werkdagen meldt bij Reclassering Nederland, locatie Utrecht Zwarte Woud
- Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; * zich laat behandelen/begeleiden door een forensisch Fact team van Fivoor of een soortgelijke forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; * op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met de medeverdachte [medeverdachte 1] , tenzij het bijzondere situaties betreft in de sfeer van familiebijeenkomsten, waarbij ook andere familieleden aanwezig zijn, onder de voorwaarde dat daarvoor vooraf toestemming wordt gevraagd aan en verkregen van de reclassering, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; * wordt verplicht om mee te werken aan verdiepingsdiagnostiek. Zo krijgt de reclassering meer zicht op zijn persoonlijkheid en mogelijke onderliggende problematiek. De aangeboden ambulante behandeling kan hierop worden afgestemd; * verplicht is om zich in te spannen en mee te werken aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding; waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; Voorlopige hechtenis - heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis; Beslag - verklaart het volgende voorwerp verbeurd: witte Apple telefoon,
- Dit vonnis is gewezen door mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter, mrs. G. Schnitzler en N.P.J. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Dijkstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober
- De jongste rechter, mr. N.P.J. Janssens, is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1 hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2019 tot en met 13 november 2020 te Vinkeveen en/of Mijdrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere): verdachte, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet; ( art 11b lid 1 Opiumwet) 2 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2019 tot en met 13 november 2020 te Vinkeveen en/of Mijdrecht, althans in het arrondissement Midden Nederland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende - cocaïne, - zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2019 tot en met 13 november 2020 te Vinkeveen en/of Mijdrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (telkens) een of meerdere (gebruikers)hoeveelheden van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of van hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; ( art 10 lid 4 Opiumwet, art 11 lid 2 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 3 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2019 tot en met 13 november 2020 te Vinkeveen en/of Mijdrecht, althans in het arrondissement Midden Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (gemeente De Ronde Venen) en/of de [adres] te [woonplaats] (gemeente De Ronde Venen) • 1347,77 gram cocaine, althans een (grote) hoeveelheid cocaïne en/of - 9,07 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2019 tot en met 13 november 2020 te Vinkeveen en/of Mijdrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (gemeente De Ronde Venen) en/of de [adres] te [woonplaats] (gemeente De Ronde Venen), ongeveer 15,1 gram hasjiesj en/of 83,5 gram hennep althans één of meerdere henneptoppen althans gedroogde hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj) en/of hennep, zijnde hasjiesj/of hennep (telkens) een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; ( art 10 lid 3 Opiumwet, art 11 lid 2 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 4 hij op of omstreeks 13 november 2020 te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen een wapen van categorie II, onder 3, te weten een enkelloops hagelgeweer, van een onbekend merk, kaliber 12, voorzien van wapennummers [wapennummer] (huis) en [wapennummer] (loop) zijnde een vuurwapen dat zodanig was vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was en/of dat de aanvalskracht werd verhoogd voorhanden heeft gehad; ( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie ) 5 hij op of omstreeks 13 november 2020 te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 24 ( scherpe) hagelpatronen kaliber 12 van het merk Tunet en/of
- scherpe) patroon kaliber 6.35 van het merk G.F.L. en/of
- scherpe) patroon kaliber 7.65 Browning van het merk Geco althans één of meerdere (scherpe) patronen voorhanden heeft gehad; ( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 20 oktober 2020, genummerd PL0900-2020178005, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland (hierna: Dossier A), het proces-verbaal van 5 maart 2021, genummerd 2020192768C, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 1610 en het proces-verbaal van 29 april 2021, genummerd 2020192768D, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1611 tot en met 1648 (samen hierna: Dossier B). Tenzij anders vermeld, zijn deze processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Een proces-verbaal van terechtzitting van 29 september
- Een proces-verbaal van bevindingen, blad 1, Dossier A. Een proces-verbaal van bevindingen, blad 2, Dossier A. Een proces-verbaal van bevindingen, blad 3, Dossier A. Een proces-verbaal van bevindingen, blad 4, Dossier A. Een proces-verbaal van bevindingen, blad 5, Dossier A. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1017, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1018, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 569, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1344, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1346, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1347, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1349, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1364, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 580, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1004, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1005, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1006, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 861, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 862, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 864, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 868, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1323, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1327, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1332, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1333, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1334, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1340, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 943, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 944, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 945, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 946, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 948, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 899, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 900, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1478, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1483, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1484, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1485, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1027, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1028, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen PL0900-2020178005-5, blad 1, Dossier A. Een proces-verbaal van bevindingen PL0900-2020178005-5, blad 3, Dossier A. Een kennisgeving van inbeslagneming PL0900-2020178005-6, blad 2 Dossier A. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen PL0900-2020178005-ll, blad 2, Dossier A. Een geschrift, te weten een NFI-rapport d.d. 11 juni 2020, pagina 1 van 1, Dossier A. Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina 1124, Dossier B. Bijlage bij het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina 1127, Dossier B. Bijlage bij het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina 1128, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1091, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1093, Dossier B. Beslagdossier, proces-verbaal met registratienummer : PL0900-2020116878-26, pagina’s zijn ongenummerd. Beslagdossier: Beslag Locatie B: [adres] in [woonplaats] , pagina is ongenummerd. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 1219, Dossier B. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 1223, Dossier B. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 1224, Dossier B. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 1236, Dossier B. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 1237, Dossier B. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 1238, Dossier B. Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 1239, Dossier B. Een geschrift, te weten een NFI-rapport, pagina 1226, Dossier B. Een geschrift, te weten een NFI-rapport, pagina 1225, Dossier B. Een geschrift, te weten een NFI-rapport, pagina 1240, Dossier B. Een geschrift, te weten een NFI-rapport, pagina 1243, Dossier B. Een geschrift, te weten een NFI-rapport, pagina 1241, Dossier B. Een geschrift, te weten een NFI-rapport, pagina 1244, Dossier B. Een geschrift, te weten een NFI-rapport, pagina 1242, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1184, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1185, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1186, Dossier B. Een proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [straat] [woonplaats] ), pagina 1201, Dossier B. Een proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [straat] [woonplaats] ), pagina 1202, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1204, Dossier B. Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1205, Dossier B. Een geschrift, te weten TMFI forensisch DNA-onderzoek, opgesteld door DR. M. Hidding, pagina 1215, Dossier B. Een geschrift, te weten TMFI forensisch DNA-onderzoek, opgesteld door DR. M. Hidding, pagina 1216, Dossier B. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 1265, Dossier B. Een proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 1266, Dossier B.