← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:5037

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/243 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2021 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. R. Imkamp), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 28 juli

  1. Overwegingen
  2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Eiseres is namelijk te laat met het indienen van beroep, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
  3. Een beroep moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt.
  4. In dit geval is het besluit bekendgemaakt op 28 juli
  5. Het beroepschrift had dus uiterlijk op 8 september 2020 door de rechtbank ontvangen moeten zijn. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 15 januari
  6. Dat is dus te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.
  7. Eiseres zegt dat zij het beroep tijdig heeft ingediend op 4 september 2020, maar dat zij het beroepschrift niet per aangetekende post heeft verzonden. Volgens eiseres blijkt uit mailverkeer tussen de bewindvoerder en de zorgverlener dat het pro forma beroepschrift op 4 september 2020 al bestond en dat eiseres het alleen nog diende te ondertekenen en in te dienen. Eiseres stelt dat zij dat diezelfde middag nog heeft gedaan. Tevens stelt eiseres dat zij, bij uitblijven van een ontvangstbevestiging, tweemaal naar de rechtbank heeft gebeld. Ook beroept eiseres zich op de uitspraak van 9 juli 2021 van de Centrale Raad van Beroep.
  8. De rechtbank overweegt dat het de keuze van eiseres is geweest om het beroepschrift niet per aangetekende post te verzenden, zodat dit voor haar rekening en risico komt. Uit het mailverkeer tussen de bewindvoerder en de zorgverlener dat eiseres heeft overgelegd, blijkt niet dat het beroepschrift op 4 september 2020 is verzonden. Ook stelt eiseres dat zij tweemaal naar de rechtbank heeft gebeld. De rechtbank overweegt dat hieruit ook niet blijkt dat eiseres het beroepschrift tijdig heeft ingediend. Tenslotte overweegt de rechtbank dat de uitspraak waar eiseres zich op beroept in dit geval niet van toepassing is. In die uitspraak gaat het namelijk om het ambtshalve beoordelen van gevallen waarbij het bezwaarschrift te laat is ingediend. In dit geval gaat het om een beroepschrift dat te laat is ingediend.
  9. Al met al overweegt de rechtbank dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het beroepschrift tijdig heeft ingediend. Zij heeft geen geldige redenen gegeven voor de te late indiening van het beroepschrift. Verder overweegt de rechtbank dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift een fatale termijn is, die door de rechtbank ambtshalve moet worden beoordeeld. Dit betekent dat de duur van die termijn niet kan worden gewijzigd en dat het beroep zonder verschoonbare omstandigheden, zoals in dit geval, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
  10. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het beroep doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. ECLI:NL:CRVB:2021:1500

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.