RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 8913967 UV EXPL 20-263 MB/40202 Kort geding vonnis van 13 januari 2021 inzake [eiser] , wonende in [woonplaats] , verder ook te noemen: [eiser] , eisende partij, gemachtigde: mr. E.J. Nieuwenhuys, tegen: 1. de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] V.O.F. h.o.d.n. [naam], gevestigd in [vestigingsplaats] , 2 [gedaagde sub 2] , wonende in [woonplaats] , 3 [gedaagde sub 3] , wonende in [woonplaats] , gedaagde sub 1, 2 en 3 verder gezamenlijk ook te noemen: [werkgever] , gedaagde partij, gemachtigde: Nederlandse Brood- en banketbakkers Ondernemingsvereniging. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de twee dagvaardingen die op 9 december 2020 aan [werkgever] zijn betekend; het verweerschrift met producties 1 tot en met 6; de akte vermeerdering van eis met producties 1 tot en met 33; de e-mail van de zijde van [eiser] van 16 december 2020 met productie 34; de mondelinge behandeling van 16 december 2020, waarvan door de griffier aantekening is gehouden en waar door [eiser] mondeling de eis is vermeerderd en productie 35 is overgelegd; de pleitaantekeningen en tevens schriftelijke vermeerdering van eis van de zijde van [eiser] ; de pleitnotitie van de zijde van [werkgever] . 1.2. Tot slot is vonnis bepaald. 2. Feiten 2.1. [werkgever] drijft een patisserie/chocolaterie/ijssalon met vestigingen in [vestigingsplaats] , [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] . [werkgever] is lid van de Nederlandse Brood- en banketbakkers Ondernemingsvereniging (hierna: de branchevereniging). 2.2. [eiser] , geboren op [1963] , is met ingang van 19 mei 2014 in dienst van [werkgever] . Hij brengt met de transportbus van [werkgever] op maandag, vrijdag en zaterdag goederen rond tussen de verschillende vestigingen van [werkgever] , levert goederen af bij afnemers en haalt goederen op bij leveranciers. Naast [eiser] zijn er nog drie personen bij [werkgever] in dienst die deze werkzaamheden (parttime) uitvoeren. 2.3. [eiser] ontvangt momenteel een salaris van € 10,58 bruto per uur exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten. [eiser] geniet zijn salaris per vier weken. 2.4. Op de arbeidsovereenkomst van [eiser] is de Cao voor het Bakkersbedrijf (hierna: de Cao) van toepassing. Volgens de Cao valt [werkgever] onder het type onderneming ‘ambachtelijke bakkerij’. In de Cao zijn de functies van medewerkers ingedeeld in functiegroepen met bijbehorende loonschalen. Tevens is in de Cao een functiejarensysteem opgenomen, wat inhoudt dat het aantal functiejaren in beginsel telkens met ingang van 1 januari met één functiejaar wordt verhoogd, totdat het laatste functiejaar in de loonschaal is bereikt. In de Cao 2019/2020 is in artikel 3.2 het volgende opgenomen: “ 3.2 Aanpassing lonen ambachtelijke bakkerij Het functie-uurloon van de medewerker wordt verhoogd met de afgesproken collectieve loonsverhoging. De collectieve verhogingen van de loonschalen en de functie-uurlonen voor ambachtelijk bakkerijen zijn: per 1 juli of 14 juli 2019 (afhankelijk van de loonbetaling per maand 2,25% of per 4 weken) per 1 januari 2020 of 29 december 2019 (afhankelijk van de 1% loonbetaling per maand of per 4 weken) De BHV-toeslag, bedrijfskledingtoeslag, de koel-en vriescellentoeslag en de ORBA-toeslag worden ook met deze percentages verhoogd. 2.5. Op 13 oktober 2020 om 15.16 uur heeft [gedaagde sub 2] via WhatsApp het volgende bericht gestuurd in de WhatsApp groep ‘ [WhatsApp groep] ’: “Beste mensen, [gedaagde sub 3] en ik hebben de laatste loodjes er bijna opzitten. Er volgt nog een aanscherping in het beleid. Een ervan is dat binnen het bedrijf net mondkapjes gewerkt gaat worden. Privé kapjes mogen gedragen worden. We hebben wegwerp kapjes in de expeditie ruimte. Het is ff niet anders, samen pakken we het op!” 2.6. Op 13 oktober 2020 om 19.32 uur heeft [gedaagde sub 3] via WhatsApp het volgende bericht gestuurd in de WhatsApp groep ‘ [WhatsApp groep] ’: “En zoals jullie weten is het dragen van mondkapjes verplicht zoals jullie nu weer merken….is het helaas noodzakelijk in deze tijd! Mochten jullie daar problemen mee hebben of kan je het niet dragen op medisch advies app mij dan hier even persoonlijk over!” 2.7. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn op 14 oktober 2020 tot 26 oktober 2020 op vakantie gegaan. 2.8. [eiser] heeft na ontvangst van de WhatsApp berichten van 13 oktober 2020 tijdens zijn werktijd bij [werkgever] geen mondkapje gedragen. Tijdens de vakantie van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] is [eiser] hierop aangesproken door de chef productie en is het hierover met een andere collega tot een verbale escalatie gekomen. 2.9. Op 29 oktober 2020 heeft er tussen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en [eiser] een gesprek plaatsgevonden over het dragen van het mondkapje tijdens werktijd. Tijdens dit gesprek is de loonbetaling aan [eiser] opgeschort en is hij op non-actief gesteld. 2.10. [werkgever] heeft [eiser] op 30 oktober 2020 schriftelijk onder meer het volgende bericht: “Gisteren is u medegedeeld dat u op non-actief wordt gesteld en dat de loonbetaling wordt opgeschort. Deze maatregelen gaan met onmiddellijke ingang in en duren voorlopig tot en met 6 november 2020. U kunt deze maatregelen direct zelf ongedaan maken door: schriftelijk te verklaren dat u tijdens uw werkzaamheden volgens de gegeven instructie een mondkapje zal dragen en zal blijven dragen; schriftelijk en mondeling excuses aan te bieden aan de werkgever en de genoemde drie collega’s.” 2.11. [eiser] heeft in zijn brief van 4 november 2020 aan [werkgever] onder meer als volgt gereageerd: “Ik laat u weten dat ik niet akkoord ga met de non-actiefstelling die u mij per 30 oktober jl. heeft opgelegd. Er is wat mij betreft geen enkele gegronde reden dat uw besluit hiertoe rechtvaardigt. Ik wil u melden dat ik vanaf 30 oktober jl. werkwillig ben en mijn bedongen arbeid op een correcte wijze en conform de inhoud van mijn functie uit zal voeren, dit zoals u van mij gewend bent in de afgelopen 6,5 jaar. Afsluitend laat ik u weten dat ik mij komende vrijdag 6 november om 07.00 uur bij u op de zaak meld om mijn bedongen arbeid in de functie van chauffeur op te pakken.” 2.12. Op 5 november 2020 heeft [werkgever] schriftelijk aan [eiser] onder meer het volgende bericht: “Uit uw brief blijkt niet dat u voornemens bent de instructies m.b.t. het dragen van een mondkapje op te volgen en excuses aan te bieden voor uw gedrag. U heeft tot en met vrijdag 6 november 2020 de sleutel in handen om de non-actiefstelling en opschorting loonbetaling op te heffen. U weet wat daarvoor nodig is. Zonder opvolging van onderstaande voorwaarden zal ook morgen, vrijdag 6 november 2020 om 07.00 uur, u de toegang tot het werk worden ontzegd. Nogmaals, u kunt de maatregelen direct zelf ongedaan maken door: schriftelijk te verklaren dat u tijdens uw werkzaamheden volgens de gegeven instructie een mondkapje zal dragen en zal blijven dragen; schriftelijk en mondeling excuses aan te bieden aan de werkgever en de in de vorige brief genoemde drie collega’s. Kom tot bezinning en volg de instructies op!! Indien u volhardt in het negeren van de instructies zal volgende week maatregelen worden genomen om uw arbeidsovereenkomst te beëindigen.” 2.13. [eiser] heeft niet voldaan aan de door [werkgever] gestelde twee voorwaarden in haar brief van 5 november 2020. [werkgever] heeft een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [eiser] ingediend bij de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert, bij wijze van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [werkgever] : om aan [eiser] te voldoen het over de periode van 2 november tot en met 30 november 2020 (= periode 12) achterstallige salaris ad € 14,12 bruto per uur tegen gemiddeld 22 uur per week (= € 1.242,56 bruto), vermeerderd met alle emolumenten, waaronder vakantietoeslag, vermeerderd met wettelijke rente, gerekend vanaf de dag van opeisbaarheid van het salaris, en wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van maximaal 50% wegens vertraging over het aan hem toekomende loon; om aan [eiser] per vier weken te blijven voldoen het vanaf 1 december 2020 verschuldigde salaris ad € 14,52 bruto per uur tegen gemiddeld 22 uur per week (= € 1.242,56 bruto), vermeerderd met alle emolumenten, waaronder vakantietoeslag, tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geëindigd zal zijn, bij niet tijdige voldoening vermeerderd met wettelijke rente, gerekend vanaf de dag van opeisbaarheid van het salaris, en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van maximala 50% wegens vertraging over het aan hem toekomende loon; om aan [eiser] te blijven verstrekken de salarisspecificaties vanaf 2 november 2020 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geeindigd zal zijn, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na betekening van het vonnis dat [werkgever] niet voldoet aan het vonnis; om binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] ten titel van voorschot te betalen een bedrag van € 31.553,91 bruto, bestaande uit achterstallig salaris ad € 19.261,61, vermeerderd met 8% vakantiegeld, zijnde een bedrag van € 1.540,93, een bedrijfskledingvergoeding van € 234,- vermeerderd met een bedrag van € 10.518,27 ten titel van 50% wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW wegens een extreme vertraging over het aan [eiser] toekomende loon; om binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis over het achterstallige salaris en vakantiegeld, zijnde een bedrag van € 20.802,54, aan bedrijfstakpensioenfonds voor het Bakkersbedrijf de verschuldigde pensioenpremie ten behoeve van [eiser] in te leggen, vermeerderd met verhogingen en boetes, ter herstel van het door het achterstallige salaris ten laste van [eiser] ontstane pensioengat, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na betekening van het vonnis dat [werkgever] niet voldoet aan het vonnis; om binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis gecorrigeerde salarisspecificaties vanaf 19 mei 2014 tot en met 1 november 2020 aan [eiser] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na betekening van het vonnis dat [werkgever] niet aan het vonnis voldoet; om een loonbureau opdracht te geven tot binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis opstellen van een inzichtelijke berekening van het sinds 19 mei 2014 achterstallige salaris, vermeerderd met 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente over het vanaf 19 mei 2014 tot en met 1 november 2020 per vier weken achterstallige salaris, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na betekening van het vonnis dat [werkgever] niet aan het vonnis voldoet; tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] over het onder a. en d. gevorderde (= in totaal € 32.315,67), conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten, zijnde een bedrag van € 1.328,77; om aan [eiser] te verstrekken een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor de functie van chauffeur op basis van een dienstverband van (naar de kantonrechter begrijpt) 22 uur per week tegen een salaris van (naar de kantonrechter begrijpt) € 14,12 bruto per uur exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na betekening van het vonnis dat [werkgever] niet aan het vonnis voldoet; in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en eveneens vermeerderd met nakosten voor een bedrag van € 131,00 dan wel, indien betekening plaatsvindt, van € 199,00; om [eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden in de functie van chauffeur, en wel binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,- voor elke dag na betekening van het vonnis dat [werkgever] niet aan het vonnis voldoet. 3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen onder a., b., c. en k. ten grondslag dat [werkgever] in redelijkheid niet van hem kan verlangen dat hij in zijn functie als chauffeur tijdens werktijd een mondkapje draagt. Hoewel [werkgever] als werkgever een instructierecht heeft, moet dit instructierecht wel redelijk worden toegepast. Het opleggen van een mondkapjesplicht kan volgens [eiser] deze redelijkheidstoets niet doorstaan. Het dragen van een mondkapje veroorzaakt hinder, ongemak en gezondheidsrisico’s zonder dat hier zwaarwegende belangen tegenover staan. Daarnaast maakt de mondkapjesplicht inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . Deze inbreuk is, gelet op de eisen die de Hoge Raad in zijn arrest van 14 september 2007 daaraan stelt, niet gerechtvaardigd. De opschorting van de loonbetaling en de non-actiefstelling zijn dan ook ongegrond, reden waarom [eiser] loonbetaling en wedertewerkstelling vordert. 3.3. [eiser] legt aan zijn vorderingen onder d., e., f., en g. ten grondslag dat [werkgever] hem op grond van de Cao te weinig loon heeft betaald. Zo is hij vanaf de datum van indiensttreding door [werkgever] op grond van de referentiefunctie Bezorger ingedeeld in loonschaal 3 van de functiegroep Commercie, terwijl hij op grond van de referentiefunctie Chauffeur I ingedeeld had moeten worden in loonschaal 3 van de loontabel Logistiek. Laatstgenoemde loontabel heeft een hoger uurloon. Daarnaast maakt [eiser] op grond van de Cao aanspraak op betaling volgens het functiejarensysteem, een bedrijfskledingvergoeding en op de collectieve loonsverhoging uit de Cao 2019/2020. Tot slot legt [eiser] aan zijn vordering onder i. de Wet Arbeidsmarkt in Balans ten grondslag op grond waarvan [werkgever] gehouden is [eiser] , na 6,5 jaar dienstverband, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden voor (naar de kantonrechter begrijpt) 22 uur per week. 3.4. De conclusie van [werkgever] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [werkgever] voert hiertoe – samengevat – aan dat zij op grond van artikel 7:660 BW een redelijke instructie aan haar personeel heeft gegeven over het tijdens werktijd dragen van een mondkapje. Deze instructie strekt ter bevordering van de veiligheid en gezondheid van [eiser] en zijn collega’s gedurende de corona pandemie. [werkgever] merkt daarbij op dat [eiser] in de transportbus geen mondkapje hoeft te dragen. De mondkapjesplicht is voor hem beperkt tot de tijd dat hij in de bedrijfspanden is, hetgeen neerkomt op 10% van zijn totale werktijd. [werkgever] betwist de stelling van [eiser] dat hij vrijwel geen collega’s tegenkomt en betwist dat het houden van 1,5 meter afstand in de bedrijfspanden steeds goed mogelijk is. [werkgever] stelt dat zij goede grond had om de loonbetaling aan [eiser] op te schorten en hem op de werkvloer te weigeren, omdat [eiser] de instructie over het verplicht dragen van een mondkapje in de bedrijfspanden zonder (medische) reden niet naleeft. De loonbetaling wordt met terugwerkende kracht hervat en [eiser] is weer welkom op de werkvloer zodra hij het mondkapje gaat dragen en blijft dragen voor de periode dat hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden in de bedrijfspanden moet zijn. Ten aanzien van de loonvordering wordt een deel door [werkgever] betwist en wordt voor een deel door [werkgever] een beroep gedaan op verjaring. [werkgever] stelt zich dan ook op het standpunt dat de loonvordering een uitgebreide discussie (en onderzoek) vergt, die zich niet leent voor kort geding. 3.5. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan. 4De beoordeling Spoedeisendheid 4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de (loon)vorderingen en is overigens ook niet door [werkgever] betwist. Beoordelingskader kort geding 4.2. Voor toewijzing van de vorderingen in kort geding is vereist dat de aan de vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vorderingen in een nog te voeren bodemprocedure zullen worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in de eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Te weinig betaald loon 2014 - 2020 4.3. De door [eiser] onder d., e., f., en g. ingestelde vorderingen vinden alle hun grondslag in de Cao. [eiser] stelt dat hij vanaf het moment van indiensttreding te weinig loon heeft ontvangen omdat hij
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.