RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/156764-21 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming in de zaak tegen [veroordeelde] , geboren op [1992] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] te [woonplaats] , hierna te noemen: veroordeelde. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 oktober
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. D.M.A. van der Zwan en van hetgeen veroordeelde en mr. I.A. van Straalen, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht. 2VORDERING 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming € 4.650,- bedraagt. De officier van justitie houdt rekening met het bedrag van € 3.800,- dat door [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is afgedragen aan veroordeelde. De officier van justitie gaat er verder van uit dat [slachtoffer] € 1.050,- per dag verdiende gedurende 4 dagen en dat van de totale opbrengst € 2.100, - is afgedragen aan veroordeelde. Ook houdt de officier van justitie rekening met € 250,- aan kosten voor benzine en overnachting. 2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering dient te worden gematigd tot maximaal € 990,-. Daarbij is nog geen rekening gehouden met de door veroordeelde gemaakte kosten. De raadsman gaat ervan uit dat [slachtoffer] met haar werkzaamheden ongeveer € 2.200,- heeft verdiend waarvan de helft is afgedragen aan mededader, die recht had op 10 % daarvan. 3BEOORDELING VAN DE VORDERING 3.1 De grondslag van de vordering De veroordeelde is bij vonnis van 26 oktober 2021 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende strafbare feit: mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 6º omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. in de periode van 16 januari 2021 tot en met 19 januari
- Grondslag en beoordeling van de vordering De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht). De rechtbank overweegt dat uit het veroordelend vonnis blijkt dat veroordeelde en zijn mededader het slachtoffer een bedrag van € 3.800,- hebben afgenomen. Om die reden stelt de rechtbank het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 3.800,-. Gelet op de bewezenverklaring behoort het geld dat [slachtoffer] voor verdachte heeft verdiend niet tot het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hoofdelijkheid De veroordeelde heeft met zijn mededader van de mensenhandel geprofiteerd. Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bevatten zodanige duidelijke aanwijzingen dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat zij gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit. De veroordeelde heeft als een van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft. De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel - mede - aan de veroordeelde toerekenen. 4TOEGEPAST WETSARTIKEL De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5BESLISSING De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 3.800,-; - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 3.800,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - veroordeelde is voor dit bedrag hoofdelijk aansprakelijk met dien verstande dat indien en voor zover de mededader van veroordeelde betaalt, veroordeelde in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd. - bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 152 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mrs. N.P.J. Janssens en A. Bouteibi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen-van der Hoek, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 oktober
- Mr. A. Bouteibi en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.