← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:5371

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/2724 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2021 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg), en de burgemeester van de gemeente Vijfheerenlanden, verweerder(gemachtigden: mr. M. van Ommeren en mr. R. Stuij). Procesverloop Bij besluit van 17 juni 2021 heeft verweerder de sluiting van de woning van verzoeker gelast voor de duur van drie maanden, ingaande op 23 juli

  1. Met een herzien besluit van 21 juni 2021 (primaire besluit) is het besluit van 17 juni 2021 ingetrokken en is de sluitingsdatum bepaald op 29 juni
  2. Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De zaak is behandeld op de online zitting van 15 juli
  3. Daarbij waren aanwezig: verzoeker, zijn buurvrouw mevrouw [A] , en zijn advocaat mr. S.G.H. Langeweg en namens verweerder, mr. M. van Ommeren en mr. R. Stuij. Overwegingen Inleiding
  4. Verzoeker woont aan [adres] in [plaats] . Hij is eigenaar van deze woning en van de loods die achter de woning gelegen is.
  5. De politie heeft de woning van verzoeker doorzocht op 30 maart
  6. Uit de bestuurlijke rapportages van de politie van 4 mei 2021 en van 7 juni 2021 blijkt dat de politie in de woning van verzoeker 17 pillen (5,07 gram) MDMA aantrof. In de loods trof de politie in het plafond een vuurwapen aan met bijhorende munitie.
  7. De voorzieningenrechter beoordeelt of het nodig is om het besluit van verweerder te schorsen in afwachting van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter geeft daarvoor een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit en daarmee van de kans van slagen van het bezwaarschrift, en hij weegt de belangen van verzoeker en van verweerder bij een schorsing. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.
  8. De zaak is spoedeisend. Verweerder wil op korte termijn overgaan tot sluiting van de woning. Bestuurlijke rapportages
  9. De twee bestuurlijke rapportages lijken elkaar tegen te spreken over waar verzoeker van verdacht wordt. In de rapportage van 4 mei 2021 staat dat verzoeker verdacht wordt van de betrokkenheid bij de georganiseerde handel in harddrugs en in de meest recente bestuurlijke rapportage van 7 juni 2021 staat dat verzoeker hoofdverdachte is binnen een strafrechtelijke onderzoek naar de vervaardiging van softdrugs op een locatie elders. De voorzieningenrechter gaat voor dit punt uit van de bestuurlijke rapportage van 7 juni 2021 omdat deze rapportage het meest recent is. Bevoegdheid burgemeester
  10. Verweerder heeft de bevoegdheid om een woning te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet als op grond van de feiten en omstandigheden aannemelijk is geworden dat in of vanuit de woning drugs zijn verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. In het huis van verzoeker is een handelshoeveelheid van 5,07 gram MDMA aangetroffen. In dat geval mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat de drugs (mede) waren bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het is aan verzoeker om het tegendeel aannemelijk te maken. Verzoeker licht in de stukken en ter zitting toe dat de drugs voor eigen gebruik waren, dat hij pillen meenam naar feestjes en aan zijn vrienden heeft uitgedeeld. Op basis van de stukken is vooralsnog niet aannemelijk – en dat stelt verweerder ook niet – dat de aangetroffen drugs in of vanuit de woning werden verhandeld. Gezien de eigen verklaring van verzoeker is het in ieder geval aannemelijk dat de drugs in het huis van verzoeker (mede) waren bestemd om te verstrekken. Verweerder heeft om deze reden de bevoegdheid om de woning te sluiten. Noodzakelijkheid
  11. De voorzieningenrechter dient te beoordelen of verweerder in dit geval ook in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In dat verband moet in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde te beschermen.In verband met de ernst en omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan echter in mindere mate sprake zijn van een ‘loop’ naar de woning, wat de noodzaak om te sluiten gelet op het beoogde herstellende karakter van de maatregel minder groot kan maken.
  12. De voorzieningenrechter beoordeelt de noodzaak om de woning te sluiten als volgt. Uit het voorgaande blijkt dat de handel van de harddrugs in of vanuit de woning niet aannemelijk is. Omdat de noodzaak om de woning te sluiten in dat geval minder groot is, ligt het op de weg van verweerder om nader te motiveren waarom de aanwezigheid van de drugs in de woning aannemelijk maakt dat de woning van verzoeker betrokken is bij (de keten van) drugshandel en het om die reden noodzakelijk is om de woning te sluiten ter bescherming van het woon- en leefklimaat.
  13. Verweerder stelt daartoe (onder meer) dat hij mag aannemen dat de woning een rol speelt in de keten van drugshandel omdat er een handelshoeveelheid harddrugs is gevonden. De enkele vondst van deze hoeveelheid is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter onvoldoende gezien de andere feiten en omstandigheden van deze zaak. Daarbij is mede van belang dat op zich wel sprake is van de vondst van een hoeveelheid harddrugs die als handelshoeveelheid wordt aangemerkt. Deze is echter niet dusdanig groot dat onmiddellijke sluiting van de woning noodzakelijk is. Daarbij is onweersproken dat de waarde van de aangetroffen hoeveelheid drugs in totaal ongeveer € 85,- bedraagt. In de woning van verzoeker is voorts slechts één type harddrugs aangetroffen. Er zijn in de woning geen attributen van drugsgebruik, drugshandel of grote hoeveelheden contant geld gevonden. Ook zijn er geen meldingen van overlast, een loop naar het woning of andere aanwijzingen dat de woning bekend stond als drugspand. Weliswaar heeft een buurtbewoner achteraf een signaal gegeven dat hij zich altijd heeft verbaasd over de dure spullen van verzoeker, maar dat gaat niet over de rol van de woning. Wat betreft de bescherming van het woon- en leefklimaat heeft verweerder niet aangevoerd dat de woning in een kwetsbare wijk staat of dat er andere bijzondere omstandigheden zijn die noodzaken tot sluiting van de woning. Het standpunt van verweerder dat de noodzaak van sluiting extra aanwezig is omdat de woning zich dichtbij een woonwijk en in de nabijheid van veel bedrijvigheid bevindt, is daarvoor niet voldoende bijzonder. Het gevonden wapen in de loods – waarvan verzoeker betwist dat hij wist dat het daar lag – maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter begrijpt dat verweerder dit een ernstig feit vindt, maar verweerder legt geen duidelijk verband tussen de aangetroffen harddrugs in de woning en het gevonden wapen in de loods. Daarom is zonder nadere toelichting van verweerder niet duidelijk waarom het aangetroffen wapen in de loods de noodzaak van sluiting vergroot. Verweerder verwijt verzoeker daarnaast contact met personen met criminele antecedenten. Uit de bestuurlijke rapportage van 7 juni 2021 blijkt dat deze contacten naar voren zijn gekomen uit het onderzoek naar de vervaardiging van softdrugs op een andere locatie dan de woning. Het contact met personen met antecedenten – waarvan verzoeker stelt dat dit een klant was en uit zijn verband getrokken is – is door verweerder vooralsnog niet in verband gebracht met de gevonden harddrugs. De summiere bestuurlijke rapportage geeft geen duidelijkheid over de inhoud van de verdenking en over de aard en inhoud van zijn contacten met de andere verdachten. Daarom valt nu niet in te zien waarom het contact met personen met antecedenten de vondst van de harddrugs in de woning dusdanig ernstig maakt dat de woning gesloten moet worden.
  14. In het primaire besluit en ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het voor verweerder belangrijk is om een signaal te geven met de sluiting van de woning. Dit is in het licht van de overige omstandigheden van deze zaak niet voldoende om de noodzaak van de woningsluiting aannemelijk te maken. Dit mede in het licht van de ingrijpende gevolgen van de woningsluiting voor verzoeker omdat hij in dat geval tijdelijk zijn woning moet verlaten. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de handel van drugs in of vanuit de woning vooralsnog niet aannemelijk is. De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog vanuit dat de drugs in de woning lagen voor eigen gebruik en om aan vrienden te verstrekken. Conclusie
  15. Gelet op het beoogde herstellende karakter van de maatregel van woningsluiting, vindt de voorzieningenrechter de noodzaak om de woning te sluiten op dit moment onvoldoende gemotiveerd. Hoewel niet valt uit te sluiten dat verweerder in de bezwaarschriftprocedure zijn standpunt nader zal kunnen onderbouwen, dient bij de huidige stand van zaken de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit te vallen. Gelet op de voor verzoeker ingrijpende gevolgen van de sluiting van zijn woning weegt het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder dan het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van het primaire besluit.
  16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit is geschorst tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
  17. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
  18. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: schorst het primaire besluit van 21 juni 2021 tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar; draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan verzoeker te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.496,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. van der Vos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. Fagel, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 27 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) van 17 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:
  19. Zie de overzichtsuitspraak van de RvS van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
  20. Zie eveneens de overzichtsuitspraak van de RvS van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.