RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.240791.20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 28 september 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 december 2020 (aanhouding op voorhand), 20 april 2021 (aanhouding op voorhand) en 14 september 2021 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Goedegebuure en van hetgeen verdachte en haar raadsvrouw, mr. B. Mor-Yazir, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1, primair in de periode van 25 december 2017 tot en met 10 april 2018 te [plaatsnaam] samen en in vereniging met een ander opzettelijk 753 hennepplanten heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad; Feit 1, subsidiair medeplichtig is aan het primair ten laste gelegde, door in de periode van 25 december 2017 tot en met 10 april 2018 te [plaatsnaam] een pand beschikbaar te stellen waarin medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk 753 hennepplanten heeft geteeld dan wel aanwezig heeft gehad; Feit 2, primair in de periode van 16 januari 2018 tot en met 10 april 2018 te [plaatsnaam] samen en in vereniging met een ander een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen van Stedin door middel van verbreking; Feit 2, subsidiair medeplichtig is aan het primair ten laste gelegde, door in de periode van 16 januari 2018 tot en met 10 april 2018 te [plaatsnaam] een pand voor de teelt van hennep beschikbaar te stellen waarin medeverdachte [medeverdachte] een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen van Stedin door middel van verbreking. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om deze strafzaak inhoudelijk te behandelen. 4VRIJSPRAAK 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens de officier van justitie moet verdachte van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een straf moet worden opgelegd van 50 uur taakstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Niet wettig en overtuigend kan volgens haar worden bewezen dat verdachte enige actieve betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerij, noch dat zij wist dat de hennepkwekerij in het pand aanwezig was. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het telen dan wel aanwezig hebben van hennepplanten, noch aan de medeplichtigheid daaraan. Voor het medeplegen van diefstal van elektriciteit of de medeplichtigheid daaraan acht de rechtbank ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Van deze feiten zal de rechtbank verdachte dan ook integraal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Feit 1 primair Vastgesteld kan worden dat in het pand aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] te [plaatsnaam] op 10 april 2018 een hennepkwekerij is aangetroffen met daarin 753 hennepplanten. De hennepkwekerij bevond zich in de kelderruimte. Ook kan worden vastgesteld dat verdachte begin december 2017 de huurovereenkomst heeft afgesloten voor het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen en dat haar man, medeverdachte [medeverdachte] , betrokken is geweest bij de hennepteelt. Hij heeft immers bekend dat hij die hennepkwekerij heeft opgebouwd en dat hij daarin de aangetroffen hennepplanten heeft geteeld. Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van het telen is onder die omstandigheden vereist dat medeverdachte [medeverdachte] bij het telen nauw en bewust met verdachte heeft samengewerkt. Voor die nauwe en bewuste samenwerking bevindt zich geen bewijs in het dossier. Voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennepkwekerij moet kunnen worden vastgesteld dat de hennepplanten zich mede in de machtssfeer van verdachte bevond en dat zij daarvan ook wetenschap had. Ook daarvoor bevindt zich onvoldoende bewijs in het dossier. Verdachte heeft immers verklaard dat zij de huurovereenkomst van het pand heeft afgesloten, met als doel daarin een winkel te beginnen. Uiteindelijk zou zij pas in februari 2018 met haar winkel zijn begonnen omdat zij daarvoor ziek was. Zij heeft in die periode onder meer een knieoperatie ondergaan en thuis moeten revalideren. Dit heeft zij onderbouwd met medische stukken. Van de opbouw van de hennepkwekerij zou zij daarom niets hebben gemerkt. Ook in de periode dat zij wel in het pand was voor de winkel, zou zij niets van de hennepkwekerij hebben gemerkt. Medeverdachte [medeverdachte] zou in die periode in de avonduren in de hennepkwekerij hebben gewerkt. Verdachte was dan al in haar woning in [woonplaats] , waar zij haar hoofdverblijf had. Voor haar winkel hoefde zij nooit in de kelder te zijn. Vanwege haar beperkte mobiliteit was het ook lastig voor haar om daar te komen. Een hennepgeur zou zij ten slotte nooit hebben geroken. De rechtbank is van oordeel dat het dossier op enkele punten weliswaar vragen oproept - zo is opvallend dat verdachte een huurovereenkomst heeft afgesloten voor een bedrag van € 2.000,- per maand, terwijl zij en medeverdachte [medeverdachte] financiële problemen hadden – maar die vragen leveren nog geen bewijs op voor wetenschap van de hennepkwekerij, noch voor het aannemen van beschikkingsmacht. De rechtbank overweegt verder dat de verklaring van verdachte niet wordt weerlegd door het dossier. De verbalisanten hebben in hun relaas niet opgenomen dat zij in het bovengedeelte van de woning de geur van hennep hebben geroken. Ook overigens valt uit het dossier niet op te maken dat elders in het pand te merken was dat zich in de kelder een hennepkwekerij bevond, bijvoorbeeld door het geluid van de ventilatoren of het aanwezig zijn van goederen die in relatie stonden tot die hennepkwekerij. Ten slotte acht de rechtbank niet ongeloofwaardig dat verdachte niet in de kelderruimte kwam, gelet op haar beperkte mobiliteit. Feit 1 subsidiair Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan het telen dan wel aanwezig hebben van de hennepkwekerij is vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte het pand opzettelijk beschikbaar heeft gesteld voor de exploitatie van de kwekerij. Het (voorwaardelijk) opzet van verdachte moet daarbij zowel op de medeplichtigheid als op het grondfeit – de hennepteelt – zijn gericht. De rechtbank is van oordeel dat zich daarvoor ook onvoldoende bewijs in het dossier bevindt. Zoals hiervoor overwogen, kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het pand dat op haar naam stond. Zij kan de kelderruimte van het pand daarom ook niet voor dat doel ter beschikking hebben gesteld. Feit 2 primair en subsidiair Gelet op het voorgaande kan ook niet worden geoordeeld dat verdachte als medepleger of medeplichtige betrokken is geweest bij de diefstal van elektriciteit, zoals ten laste gelegd onder feit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.