RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.240767.20 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming in de zaak tegen [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , hierna: veroordeelde. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 september
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. C. Goedegebuure en van hetgeen veroordeelde en mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2VORDERING 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 76.455,78,-. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering gematigd tot de helft van het aanvankelijk gevorderde bedrag, te weten tot een bedrag van € 38.227,-. Zij heeft gevorderd dat een betalingsverplichting van ditzelfde bedrag ook wordt opgelegd aan medeverdachte [medeverdachte] . 2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen. Volgens de verdediging heeft veroordeelde geen voordeel genoten uit de bewezenverklaarde feiten. Hij heeft uit de hennepteelt één mislukte oogst gehad. De tweede oogst was de oogst die door de politie is aangetroffen. 3BEOORDELING VAN DE VORDERING 3.1 De grondslag van de vordering De veroordeelde is bij vonnis van heden (28 september 2021) van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende strafbare feit: Feit 1 het in de periode van 10 februari 2018 tot en met 10 april 2018 opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht). 3.2 Beoordeling Zoals uit het vonnis van 28 september 2021 blijkt heeft de rechtbank veroordeelde gevolgd in zijn verklaring dat hij op 10 februari 2018 met het telen van de hennepplanten is begonnen en dat hij na vijf weken een mislukte oogst had. Hij is daarna weliswaar met een nieuwe oogst begonnen, maar die is op 10 april 2018 door de politie aangetroffen. Uit het strafdossier blijkt niet dat veroordeelde financieel voordeel heeft genoten uit het telen van hennep. Dat betekent dat de rechtbank veroordeelde ook volgt in zijn standpunt dat hij geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de hennepteelt. De rechtbank zal de vordering tot ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel daarom afwijzen. 4BESLISSING De rechtbank: - wijst de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bouteibi, voorzitter, mr. D. Riani el Achhab en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Raedts, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 september
- Mr. Riani el Achhab is niet in staat dit vonnis mee te ondertekenen.