RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/765 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. S. Oukil), en Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder (gemachtigde: D.G. Berkenbosch). Procesverloop In het besluit van 7 oktober 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 6 juli 2020 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder heeft een verlaging van 20% toegepast op de grond dat eiser geen woonkosten heeft omdat er geen reële huurbetalingsverplichting is. In het besluit van 15 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2021 via Skype-verbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 17 december 2019 is eiser, handelend onder de naam [bedrijf] , failliet verklaard. Eiser heeft zich vervolgens op 8 januari 2020 bij verweerder gemeld om bijstand aan te vragen. De aanvraag daartoe heeft eiser op 5 maart 2020 ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 26 mei 2020 afgewezen. Bij besluit van 24 augustus 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is tegen dit besluit in beroep gegaan en bij uitspraak van 25 februari 2021 heeft deze rechtbank zijn beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen. Op 6 juli 2020 heeft eiser een tweede aanvraag voor bijstand ingediend. Dat is de aanvraag die in deze procedure centraal staat. 2. Verweerder heeft op de aan eiser toegekende bijstand een verlaging van 20% toegepast, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij huur betaalt. Eiser heeft hierover volgens verweerder tegenstrijdige verklaringen afgelegd en er is niet gebleken van feitelijke huurbetaling in de periode in geding. 3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte een verlaging van 20% op zijn uitkering toepast. Eiser huurt een woning aan de [adres] te [woonplaats] en hij heeft documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk huur verschuldigd is aan de verhuurder. Uit de documenten blijkt dat de partner van wijlen de vader van eiser de eigenaar en verhuurder van de woning is. Er zijn dus wel degelijk woonlasten verbonden aan de woning die eiser bewoont. Eiser heeft burn-outklachten en in de zomer van 2020 zijn de vader en oudste broer van eiser zeer kort na elkaar overleden. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met deze persoonlijke situatie van eiser. Dat eiser op het aanvraagformulier een verkeerd huurbedrag heeft ingevuld mag hem in de gegeven omstandigheden niet worden tegengeworpen. Eiser heeft dit ook hersteld in de bezwaarfase. Uit de verklaringen van de heer [A] blijkt niet dat er geen sprake is van een huurverplichting en huurschuld. Omdat eiser al in december 2019 failliet is verklaard, kan hij de huur niet betalen. Dit betekent niet dat de huurschuld geen reële schuld is. 4. Ingevolge artikel 27 van de Participatiewet (Pw) kan het college de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Pw, lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. 5. In de Memorie van Toelichting bij artikel 27 van de Pw, staat onder meer: “ Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden (…). Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor de bijstandsgerechtigde geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand. Burgemeester en wethouders zijn niet verplicht een verlaging op grond van dit artikel toe te passen. Als burgemeester en wethouders wel gebruik willen maken van deze verlagingsmogelijkheid, is voor de toepassing daarvan doorslaggevend dat niet jegens een derde woonkosten verschuldigd zijn.” 6. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels verlaging uitkering Participatiewet (artikelen 27 en 28) Werk en Inkomen Lekstroom (de Beleidsregels) bepaalt dat de verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet twintig procent van toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, indien woonlasten ontbreken en iemand daardoor lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft. Uit de toelichting op dit artikel blijkt dat onder het ontbreken van woonlasten wordt verstaan: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.