RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/257 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2021 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (het college), verweerder, (gemachtigde: mr. R. Snijder). Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde belanghebbende] (vergunninghouder), gevestigd te [vestigingsplaats] , (gemachtigde: mr. G.J. Scholten). Inleiding Vergunninghouder heeft het voornemen om in het deel van haar kantoor aan de [adres 1] in [vestigingsplaats] (het perceel) dat direct grenst aan de [locatie] en niet meer als kantoor in gebruik is, zes huurappartementen te realiseren. Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) heeft vergunninghouder hiervoor een omgevingsvergunning nodig, daarom heeft zij bij het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Op 10 december 2019 heeft het college aan vergunninghouder conform haar aanvraag een omgevingsvergunning (de omgevingsvergunning) verleend voor de activiteiten bouwen en gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Eiser is (mede)eigenaar van het pand aan de [adres 2] en heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Met het besluit van 1 december 2020 (het bestreden besluit) heeft het college de omgevingsvergunning met toevoeging van een extra voorschrift in stand gelaten. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De zaak is gelijktijdig – maar niet gevoegd – met de zaak met het zaaknummer UTR 21/158 behandeld op de zitting van 8 oktober
- Eiser en de gemachtigde van het college waren aanwezig. Namens vergunninghouder was [A] aanwezig. Hij werd bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghouder. Overwegingen
- Eiser voert aan dat door het verlenen van de omgevingsvergunning een overspannen parkeersituatie op de [locatie] zal ontstaan. Hij vindt dat op een meer reële manier bij de appartementen moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals exclusief reserveren bijvoorbeeld, of het aantal appartementen moet worden verminderd. Toetsingskader
- De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals opgenomen in de Parkeerbeleidsnota Zeist (de parkeerbeleidsnota).
- Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) hoeft bij de boordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort aan parkeerplaatsen kan buiten beschouwing worden gelaten. In tegenstelling tot wat eiser aanvoert, is daarbij volgens dezelfde rechtspraak niet relevant dat dit deel van het pand al enige tijd leegstaat. Dit betekent in dit geval dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning alleen rekening hoeft te houden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de te realiseren appartementen ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte van dit deel van het pand met de bestemming kantoor. Beoordeling van het geschil
- Op de zitting zijn partijen het er over eens geworden dat de parkeerbehoefte van de te realiseren appartementen op grond van de parkeerbeleidsnota 9 parkeerplaatsen is. De Adviescommissie bezwaarschriften heeft deze parkeerbehoefte in haar advies dat het college in het bestreden besluit heeft overgenomen, vergeleken met de bestaande parkeerbehoefte. Op grond van de parkeerbeleidsnota is de parkeernorm voor het bestaande kantoor 2,8 parkeerplaatsen per 100 m
- De oppervlakte van het deel van het pand dat van kantoor wordt getransformeerd naar appartementen is 508 m
- De bestaande parkeerbehoefte is dus 5 x 2,8 = 14 parkeerplaatsen.
- De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de conclusie van het college dat door het verlenen van de omgevingsvergunning geen sprake is van een toename, maar juist van een afname van de parkeerbehoefte juist is.
- De parkeergelegenheid voor bewoners en bezoekers van de te realiseren appartementen is voorzien op het eigen parkeerterrein van vergunninghouder dat achter de te realiseren appartementen ligt. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de appartementen een directe toegangsdeur naar het parkeerterrein krijgen. Verder krijgen de toekomstige bewoners een pas waarmee zij het toegangshek naar het parkeerterrein kunnen openen als dit buiten kantooruren gesloten is. De toekomstige bewoners en hun bezoekers hebben dus alle dagen van de week 24 uur per dag onbeperkt toegang tot het parkeerterrein.
- De rechtbank kan het college volgen in zijn standpunt dat het op het parkeerterrein exclusief voor de appartementen reserveren van parkeerplaatsen juist eerder tot een overspannen parkeersituatie op de [locatie] zal leiden dan wanneer dubbelgebruik op het parkeerterrein is toegestaan. Door het exclusief voor de appartementen reserveren van parkeerplaatsen zou immers de situatie kunnen ontstaan dat de werknemers en bezoekers van het kantoor van vergunninghouder tijdens kantooruren hun auto op de [locatie] moeten parkeren, terwijl de parkeerplaatsen van de appartementen leeg staan.
- De conclusie van het voorgaande is dat naar het oordeel van de rechtbank bij de appartementen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en dat het college de omgevingsvergunning voor zes appartementen heeft kunnen verlenen. Conclusie
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 12 november 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 4.1, onder b, van de regels van het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeernormen Zeist’. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2189, r.o. 5.3.