← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:5593

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/2687 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2021 in de zaak tussen [verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3] en [verzoeker 4], te [woonplaats], verzoekers, (gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder heeft op 19 juli 2021 gereageerd op dit verzoek. Overwegingen

  1. Verzoekers is op 21 juni 2021 in beroep gegaan, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op hun bezwaarschrift van 28 augustus
  2. Verweerder heeft op 6 juli 2021 alsnog een beslissing op bezwaar genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekers wilden. Verzoekers hebben daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor de proceskosten.
  3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van diegene moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen in de proceskosten van verzoeker. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bepaald welke kosten er dan vergoed moeten worden.
  4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoeker te betalen.
  5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 374,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast.
  6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekers zullen zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 374,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed , rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 3 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.